Wat nu dit heilig ambt medebrengt,
kunnen wij lichtelijk uit den naam zelven afleiden. Want
gelijkerwijs het werk van een gewonen herder is, de kudde (die hem
bevolen is) te weiden, te leiden, voor te staan en te regeren; alzo
gaat het ook toe met deze geestelijke herders, die gesteld zijn over
de gemeente, die God roept tot de zaligheid, en houdt ze als voor
schapen Zijner weide. Nu is de weide waarmede deze schapen geweid
worden, niet anders dan de verkondiging des Goddelijken Woords, met
de aanklevende bediening der gebeden en der heilige sacramenten.
Hetzelfde Woord Gods is ook de staf waarmede deze kudde geleid en
geregeerd wordt.
Dienvolgens is het openbaar dat het ambt
der herders of der dienaars des Woords is:
Eerstelijk, dat zij des Heeren Woord,
door de Schriften der Profeten en Apostelen geopenbaard, grondig en
oprechtelijk aan hun volk zullen voordragen, en het toe-eigenen, zo
in het gemeen als in het bijzonder, tot nuttigheid der toehoorders,
met onderwijzen, vermanen, vertroosten en bestraffen, naar eens
iegelijks behoefte, verkondigende de bekering tot God, en de
verzoening met Hem door het geloof in Jezus Christus, en
wederleggende met de Heilige Schrift alle dwalingen en ketterijen,
die tegen deze zuivere leer strijden. Dit alles wordt ons klaarlijk
te kennen gegeven in de Heilige Schrift; want de apostel Paulus zegt
dat dezen arbeiden in het Woord; en elders leert hij dat
zulks moet geschieden naar de mate of regel des geloofs.
Hij schrijft ook dat een herder aan het getrouwe of
oprechte woord, dat naar de leer is, moet vasthouden, en dat
recht snijden; insgelijks: die profeteert (dat is Gods
Woord predikt), spreekt den mensen stichting en vermaning en
vertroosting. Op een andere plaats stelt hij zichzelven aan de
herders voor tot een voorbeeld, verklarende dat hij, in het
openbaar en bij de huizen, geleerd en betuigd heeft de bekering tot
God en het geloof in Jezus Christus. Maar inzonderheid hebben
wij een zuivere beschrijving van het ambt van een dienaar des
Evangelies
2 Kor. 5:18,
19,
20,waar de apostel aldus spreekt:
Al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelven verzoend
heeft door Jezus Christus, en ons (namelijk den apostelen en
herders) de bediening der verzoening gegeven heeft. Want God was
in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun
niet toerekenende, en heeft het woord der verzoening in ons gelegd.
Zo zijn wij dan gezanten (of ambassadeurs) van Christuswege,
alsof God door ons bade; wij bidden van Christuswege: Laat u met God
Verzoenen. Belangende de wederlegging der onzuivere leer, zegt
dezelfde apostel,
Tit. 1:9,
dat een dienaar aan het Woord Gods moet
vasthouden, om de tegensprekers te wederleggen en den mond te
stoppen.
Ten tweede is het ambt der herders, de
openbare aanroeping van Gods Naam te doen vanwege de gehele gemeente.
Want hetgeen de apostelen zeggen,
Hand. 6:4: Wij zullen volharden in het gebed en in de
bediening des Woords, dat hebben deze herders met de apostelen
gemeen. Waarop de heilige Paulus ziende, tot Timótheüs aldus spreekt:
Ik vermaan dan vóór alle dingen, dat gedaan worden smekingen,
gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle mensen, voor
koningen en allen die in hoogheid zijn; enz.
Ten derde is hun ambt de sacramenten te bedienen, die
de Heere heeft ingesteld tot zegelen Zijner genade; gelijk blijkt
uit het bevel, den apostelen door Christus gegeven, en den herders
ook aangaande,
Matth. 28:19: Doopt hen in den Naam des Vaders en des
Zoons en des Heiligen Geestes. Insgelijks
1 Kor. 11:23:
Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven
heb, dat de Heere Jezus in den nacht in welken Hij verraden werd,
het brood nam; enz.
Ten laatste is het werk van de dienaars
des Woords, de gemeente Gods in goede tucht en orde te houden en te
regeren, op zulke manier als de Heere geordineerd heeft. Want
Christus,
Matth. 18:18,
gesproken hebbende van de christelijke
straf, zegt tot Zijn apostelen aldus: Al wat gij op de aarde
binden zult, zal in den hemel gebonden wezen. En Paulus wil dat
de dienaars hun eigen huis wel weten te regeren, dewijl zij anders
niet voor de gemeente Gods zouden kunnen zorg dragen, noch die
regeren. Dit is de oorzaak waarom de herders in de Schrift ook
genoemd worden huisverzorgers Gods, en bisschoppen, dat is,
opzieners en wachters; want zij hebben opzicht over het huis Gods,
waarin zij verkeren; teneinde aldaar alles met goede orde en
betamelijkheid moge toegaan, en dat met de sleutelen des hemelrijks,
die hun bevolen zijn, ontsluiting en toesluiting gedaan worde,
volgens den last, hun van God gegeven.
Uit deze dingen kan men zien welk een
heerlijk werk het herdersambt is, nademaal zo grote dingen daardoor
uitgericht worden; ja, hoe gans noodzakelijk het is om de mensen ter
zaligheid te brengen. Hetwelk ook de oorzaak is waarom de Heere wil
dat zulk een ambt altijd zal blijven. Want aldus spreekt Christus,
Zijn apostelen uitzendende om deze heilige bediening te doen: Zie,
Ik ben met ulieden tot de voleinding der wereld; alwaar men ziet
dat het Zijn wil is dat deze heilige dienst (want de personen die
Hij daar aanspreekt, konden niet leven tot de voleinding der wereld)
te allen tijde op aarde onderhouden worde. En hierom vermaant Paulus
Timótheüs, hetgeen hij van hem gehoord had, aan getrouwe mensen te
betrouwen, welke bekwaam zijn om anderen te leren; gelijk hij ook
dienvolgens Titus geordineerd hebbende tot een herder, hem voorts
beveelt van stad tot stad ouderlingen en opzieners te stellen.
Dewijl dan ook wij, om dezen dienst in
de Kerke Gods te onderhouden, nu een nieuwen dienaar des Woords in
den dienst instellen, en tot nog toe genoeg van het ambt der
zodanigen gesproken hebben; zo zult gij, N., antwoorden op hetgeen u
voorgehouden zal worden, teneinde een iegelijk moge horen dat gij
gezind zijt den voorzeiden dienst, zoals het behoorlijk is, aan te
nemen.
En eerstelijk vraag ik u, of gij gevoelt
in uw hart dat gij wettiglijk van Gods gemeente, en mitsdien van God
Zelven, tot dezen heiligen dienst geroepen zijt?
Ten tweede, of gij de Schriften des
Ouden en Nieuwen Testaments voor het enige Woord Gods en de volkomen
leer der zaligheid houdt, en alle leringen verwerpt die daartegen
strijden?
Ten derde, of gij belooft uw ambt,
gelijk dit voorheen beschreven is, naar deze leer getrouwelijk te
bedienen, en uw lering te versieren met een godzalig leven; mede u
onderwerpende aan de kerkelijke vermaning, volgens de gemene
ordening der Kerken, indien gij in leer of leven u kwaamt te ontgaan?
Hierop zal hij antwoorden:
Ja ik, van ganser harte.
En daarna zal de dienaar die hem dit
afgevraagd heeft (of een andere dienaar, zo er meer dienaars zijn),
hem de hand op het hoofd leggen (deze ceremonie zal men niet
gebruiken bij de bevestiging dergenen die tevoren gediend hebben),
en aldus spreken:
God, onze hemelse Vader, Die u geroepen
heeft tot dezen heiligen dienst, verlichte u door Zijn Geest,
versterke u door Zijn hand, en regere u zó in uw bediening, dat gij
daarin behoorlijk en vruchtbaar moogt wandelen, tot grootmaking
Zijns Naams, en tot uitbreiding van het Rijk Zijns Zoons Jezus
Christus. Amen.
Daarna zal de dienaar van den stoel den
bevestigden dienaar, en vervolgens de ganse gemeente, aldus vermanen:
Zo heb dan nu, geliefde broeder en
mededienaar in Christus, acht op uzelven en op de gehele kudde, over
dewelke u de Heilige Geest tot een opziener gesteld heeft, om de
gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen
bloed. Heb Christus lief, en weid Zijn schapen, hebbende opzicht
daarover, niet uit bedwang, maar gewilliglijk; noch om vuil gewin,
maar met een volvaardig gemoed; noch als heerschappij voerende over
het erfdeel des Heeren, maar als een voorbeeld der kudde geworden
zijnde. Wees een voorbeeld der gelovigen in het woord, in wandel, in
liefde, in den geest, in geloof, in reinheid. Houd aan in het lezen,
in het vermanen, in het leren; en verzuim de gave niet die u gegeven
is. Bedenk deze dingen, en wees hierin bezig, opdat uw toenemen
openbaar zij in alles. Heb acht op de leer, en volhard daarin. Lijd
geduldiglijk alle lijden en verdrukking, als een goed krijgsknecht
van Christus. Deze dingen doende, zult gij én uzelven behouden, én
die u horen. En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult
gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen.
En gijlieden ook, geliefde Christenen,
ontvangt dezen uw dienaar in den Heere met alle blijdschap, en houdt
de zodanigen in grote waarde. Gedenkt dat God Zelf u door hem
aanspreekt en bidt. Neemt dan het woord aan, hetwelk hij u volgens
de Heilige Schrift zal verkondigen, niet als der mensen woord, maar
(gelijk het waarlijk is) als Gods Woord. Laat u lieflijk en
aangenaam zijn de voeten dergenen die vrede verkondigen, die het
goede verkondigen. Zijt uw voorgangers gehoorzaam; want zij waken
voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen
mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.
Dit doende, zal het geschieden, dat de vrede Gods zal komen in uw
huizen, en dat gijlieden, die dezen aanneemt in den naam eens
profeten, eens profeten loon zult ontvangen, en door zijn woord in
Christus gelovende, door Christus zult beërven het eeuwige leven.
Doch aangezien niemand tot iets van al
deze dingen van zichzelven bekwaam is, zo laat ons God aldus met
dankzegging bidden:
Barmhartige Vader, wij danken U dat het
U belieft uit het verloren menselijk geslacht, door den dienst der
mensen U een gemeente te vergaderen ten eeuwigen leven; en dat Gij
de Kerk hier ter plaatste nog zo genadiglijk voorzien hebt met een
getrouwen dienaar. Wij bidden U, wil hem door Uw Geest hoe langer
hoe bekwamer maken tot den dienst waartoe Gij hem bereid en geroepen
hebt, hem openende het verstand, om Uw Heilige Schrift te verstaan,
en hem sprake gevende tot opening zijns monds, om met vrijmoedigheid
de verborgenheden des Evangelies te kennen te geven en te bedienen.
Begiftig hem met wijsheid en kloekheid, om het volk waarover hij
gesteld is, recht te regeren, en in christelijken vrede te
onderhouden, teneinde Uw Kerk onder zijn bediening, en door zijn
goeden voorgang, toeneme in menigte en in deugden. Verleen hem
kloekmoedigheid in alle voorvallende moeiten en zwarigheden, die hem
in zijn dienst zullen ontmoeten; opdat hij, door den troost Uws
Geestes gesterkt zijnde, en ten einde toe standvastig blijvende, met
de getrouwe dienstknechten ontvangen worde in de vreugde zijns
Heeren. Wil ook aan dit volk en deze gemeente Uw genade verlenen,
dat zij zich behoorlijk gedragen jegens dezen hun herder, hem
erkennende als van U gezonden, zijn leer aannemende met allen
eerbied, en aan zijn vermaning zich onderwerpende; teneinde zij,
door zijn woord in Christus gelovende, des eeuwigen levens
deelachtig mogen worden. Verhoor ons, o Vader, door Uw lieven Zoon,
Die ons aldus heeft leren bidden:
Onze Vader, Die in den hemelen zijt,
Uw Naam worde geheiligd.
Uw Koninkrijk kome.
Uw wil geschiede, gelijk in den hemel,
alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook
wij vergeven onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar
verlos ons van den boze.
Want Uw is het Koninkrijk en de kracht
en de heerlijkheid, in der eeuwigheid.