Ik heb van den Heere
ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in
den nacht in welken Hij verraden werd, het brood nam, en als Hij
gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam,
dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. Desgelijks
nam Hij ook den drinkbeker na het eten des Avondmaals, en zeide:
Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed; doet dat, zo
dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis. Want zo
dikwijls als gij dit brood zult eten en dezen drinkbeker zult
drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt. Zo dan,
wie onwaardiglijk dit brood eet of den drinkbeker des Heeren drinkt,
die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren. Maar de
mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood en drinke van
den drinkbeker. Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en
drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des
Heeren.
Opdat wij nu tot onzen troost des Heeren
Avondmaal mogen houden, is ons vóór alle dingen nodig dat wij ons
tevoren recht beproeven; ten andere, dat wij het tot dat einde
richten, waartoe het de Heere Christus verordineerd en ingesteld
heeft, namelijk tot Zijn gedachtenis.
De waarachtige beproeving van onszelven
bestaat in deze drie stukken:
Ten eerste bedenke een iegelijk bij
zichzelven zijn zonden en vervloeking, opdat hij zichzelven mishage,
en zich voor God verootmoedige; aangezien de toorn Gods tegen de
zonden zó groot is, dat Hij die (eer Hij ze ongestraft liet blijven)
aan Zijn lieven Zoon Jezus Christus met den bitteren en smadelijken
dood des kruises gestraft heeft.
Ten andere onderzoeke een iegelijk zijn
hart of hij ook deze gewisse belofte Gods gelooft, dat hem al zijn
zonden, alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus, vergeven
zijn, en de volkomen gerechtigheid van Christus hem als zijn eigene
toegerekend en geschonken is, ja, zo volkomen, alsof hij zelf in
eigen persoon voor al zijn zonden betaald, en alle gerechtigheid
volbracht had.
Ten derde onderzoeke een iegelijk zijn
consciëntie of hij ook gezind is, voortaan met zijn ganse leven
waarachtige dankbaarheid jegens God den Heere te bewijzen, en voor
het aangezicht Gods oprechtelijk te wandelen; insgelijks of hij
zonder enige geveinsdheid (alle vijandschap, haat en nijd van harte
afleggende) een ernstig voornemen heeft, om van nu voortaan in
waarachtige liefde en enigheid met zijn naasten te leven.
Allen dan die alzo gezind zijn, die wil
God gewisselijk in genade aannemen, en voor waardige medegenoten van
de tafel Zijns Zoons Jezus Christus houden. Daarentegen, die dit
getuigenis in hun harten niet gevoelen, die eten en drinken
zichzelven een oordeel. Waarom wij ook, naar het bevel van Christus
en van den apostel Paulus, allen die zich met deze navolgende
ergerlijke zonden besmet weten, vermanen van de tafel des Heeren
zich te onthouden, en hun verkondigen dat zij geen deel in het Rijk
van Christus hebben; als daar zijn: alle afgodendienaars; allen die
verstorven heiligen, engelen of andere schepselen aanroepen; allen
die den beelden eer aandoen; alle tovenaars en waarzeggers, die vee
of mensen, mitsgaders andere dingen, zegenen, en die aan zulke
zegening geloof hechten; alle verachters van God, van Zijn Woord, en
van de heilige sacramenten; alle godslasteraars; allen die
tweedracht, sekten en muiterij in kerken en wereldlijke regeringen
begeren aan te richten; alle meinedigen; allen die hun ouders en
overheden ongehoorzaam zijn; alle doodslagers, kijvers, en die in
haat en nijd tegen hun naasten leven; alle echtbrekers, hoereerders,
dronkaards, dieven, woekeraars, rovers, spelers, gierigaards, en al
degenen die een ergerlijk leven leiden. Deze allen, zolang zij in
zulke zonden blijven, zullen zich van deze spijze (welke Christus
alleen voor Zijn gelovigen verordineerd heeft) onthouden, opdat hun
gericht en verdoemenis niet des te zwaarder worde.
Maar dit wordt ons, geliefde broeders en
zusters, niet voorgehouden om de verslagen harten der gelovigen
kleinmoedig te maken, alsof niemand tot het Avondmaal des Heeren
gaan mocht, dan die zonder enige zonde ware. Want wij komen niet tot
dit Avondmaal om daarmede te betuigen dat wij in onszelven volkomen
en rechtvaardig zijn; maar integendeel, aangezien wij ons leven
buiten onszelven in Jezus Christus zoeken, zo bekennen wij daarmede
dat wij midden in den dood liggen. Daarom, al is het dat wij nog
vele gebreken en ellendigheid in ons bevinden, als namelijk: dat wij
geen volkomen geloof hebben, dat wij ons ook met zulken ijver om God
te dienen niet begeven, als wij schuldig zijn; maar dagelijks met de
zwakheid onzes geloofs, en de boze lusten onzes vleses te strijden
hebben; nochtans, desniettegenstaande, overmits ons (door de genade
des Heiligen Geestes) zulke gebreken van harte leed zijn, en wij
begeren tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden Gods te
leven; zo zullen wij gewis en zeker zijn dat geen zonde noch
zwakheid, die nog (tegen onzen wil) in ons overgebleven is, ons kan
hinderen dat ons God niet in genade zou aannemen, en alzo dezer
hemelse spijze en drank waardig en deelachtig maken.
Ten andere, laat ons nu ook overdenken
waartoe ons de Heere Zijn Avondmaal heeft ingezet: namelijk, dat wij
zulks doen zouden tot Zijn gedachtenis. Maar aldus zullen wij Zijner
daarbij gedenken:
Eerstelijk,
dat wij ganselijk in onze harten vertrouwen dat onze Heere Jezus
Christus (naar luid van de beloften die den voorvaderen in het Oude
Testament van den beginne af geschied zijn) van den Vader in deze
wereld gezonden is, ons vlees en bloed heeft aangenomen, den toorn
Gods (onder welken wij eeuwiglijk hadden moeten verzinken) van het
begin Zijner menswording tot het einde Zijns levens op aarde voor
ons heeft gedragen, en alle gehoorzaamheid en gerechtigheid der
Goddelijke wet voor ons heeft vervuld; voornamelijk toen Hem de last
van onze zonden, en van den toorn Gods, het bloedige zweet in den
hof uitgedrukt heeft; waar Hij gebonden werd, opdat Hij ons zou
ontbinden; daarna ontelbare smaadheden geleden heeft, opdat wij
nimmermeer te schande zouden worden; onschuldig ter dood veroordeeld
is, opdat wij voor het gericht Gods zouden vrijgesproken worden; ja,
Zijn gezegend lichaam aan het kruis heeft laten nagelen, opdat Hij
het handschrift onzer zonden daaraan zou hechten; en heeft alzo de
vervloeking van ons op Zich geladen, opdat Hij ons met Zijn zegening
vervullen zou; en heeft Zich vernederd tot in de allerdiepste
versmaadheid en angst der hel, met lichaam en ziel, aan het hout des
kruises, toen Hij riep met luider stem: Mijn God, Mijn God,
waarom hebt Gij Mij verlaten? opdat wij tot God zouden genomen,
en nimmermeer van Hem verlaten worden; en heeft eindelijk met Zijn
dood en bloedstorting het nieuwe en eeuwige Testament, het verbond
der genade en der verzoening, besloten, toen Hij zeide:
Het is volbracht.
En opdat wij vastelijk zouden geloven
dat wij tot dit genadeverbond behoren, nam de Heere Jezus in Zijn
laatste Avondmaal het brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het en
gaf het Zijn discipelen en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam,
hetwelk voor u gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.
Desgelijks, na het Avondmaal, nam Hij den drinkbeker, en gedankt
hebbende gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit; deze
drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed, hetwelk voor u en
voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden; doet dat, zo
dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis; dat
is: zo dikwijls als gij van dit brood eet, en van dezen beker drinkt,
zult gij daardoor, als door een gewisse gedachtenis en pand,
vermaand en verzekerd worden van deze Mijn hartelijke liefde en
trouw jegens u, dat Ik voor u (daar gij anders den eeuwigen dood
hadt moeten sterven) Mijn lichaam aan het hout des kruises in den
dood geve, en Mijn bloed vergiete, en uw hongerige en dorstige
zielen met dit Mijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed tot het
eeuwige leven spijze en lave, even zekerlijk als een iegelijk dit
brood voor zijn ogen gebroken, en deze beker hem gegeven wordt, en
gij die tot Mijn gedachtenis met uw mond eet en drinkt.
Uit deze inzetting des Heiligen
Avondmaals van onzen Heere Jezus Christus zien wij, dat Hij ons
geloof en betrouwen op Zijn volkomen offerande (die eenmaal aan het
kruis geschied is) als op den enigen grond en fundament onzer
zaligheid wijst, waar Hij onzen hongerigen en dorstigen zielen tot
een waarachtige spijze en drank des eeuwigen levens geworden is.
Want door Zijn dood heeft Hij de oorzaak van onzen eeuwigen honger
en kommer, namelijk de zonde, weggenomen, en ons den levendmakenden
Geest verworven; opdat wij door dien Geest (Die in Christus, als in
het Hoofd, en in ons als Zijn lidmaten woont) met Hem waarachtige
gemeenschap zouden hebben, en al Zijn goederen, het eeuwige leven,
de gerechtigheid en de heerlijkheid, deelachtig worden.
Daarbenevens, dat wij ook door
denzelfden Geest onder elkander, als lidmaten van één lichaam, in
waarachtige broederlijke liefde verbonden worden; gelijk de heilige
apostel spreekt: Eén brood is het, zo zijn wij velen één lichaam;
dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn. Want gelijk uit
vele graankorrels één meel gemalen en één brood gebakken wordt, en
uit vele beziën, samengeperst zijnde, één wijn en drank vliet en
zich ondereen vermengt; alzo zullen wij allen, die door het
waarachtig geloof Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde,
om Christus onzes lieven Zaligmakers wil, Die ons tevoren zo
uitnemend heeft liefgehad, altezamen één lichaam zijn, en zulks niet
alleen met woorden, maar ook met de daad jegens elkander bewijzen.
Daartoe helpe ons de almachtige,
barmhartige God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, door Zijn
Heiligen Geest.
Amen.
Opdat wij dan dit alles mogen verkrijgen,
laat ons onszelven voor God verootmoedigen, en Hem met waarachtig
geloof om Zijn genade aanroepen:
Barmhartige God en Vader, wij bidden U
dat Gij in dit Avondmaal (waarin wij oefenen de heerlijke
gedachtenis van den bitteren dood van Uw lieven Zoon Jezus Christus)
door Uw Heiligen Geest in onze harten wilt bewerken dat wij ons met
waarachtig vertrouwen aan Uw Zoon Jezus Christus hoe langer hoe meer
overgeven, opdat onze bezwaarde en verslagen harten met Zijn
waarachtig lichaam en bloed, ja, met Hem, waarachtig God en mens,
het enige hemelse Brood, door de kracht des Heiligen Geestes
gespijzigd en gelaafd worden; en dat wij niet meer in onze zonden,
maar Hij in ons en wij in Hem leven, en zó waarachtiglijk het nieuwe
en eeuwige Testament en Verbond der genade deelachtig zijn mogen,
dat wij niet twijfelen of Gij zult eeuwiglijk onze genadige Vader
zijn, ons onze zonden nimmermeer toerekenende, en met alle dingen
aan lichaam en ziel verzorgende, als Uw lieve kinderen en erfgenamen.
Verleen ons ook Uw genade dat wij,
getroost ons kruis op ons nemende, onszelven verloochenen, onzen
Heiland belijden, en in alle droefenis met een opgeheven hoofd onzen
Heere Jezus Christus uit den hemel verwachten, waar Hij onze
sterfelijke lichamen aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijk?maken, en
ons tot Zich nemen zal in eeuwigheid.
Verhoor ons, o God en barmhartige Vader,
door Jezus Christus, Die ons aldus heeft leren bidden:
Onze Vader, Die in de hemelen zijt,
Uw Naam worde geheiligd.
Uw Koninkrijk kome.
Uw wil geschiede, gelijk in den hemel,
alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook
wij vergeven onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar
verlos ons van den boze.
Want Uw is het Koninkrijk en de kracht
en de heerlijkheid, in der eeuwigheid.
Wil ons ook door dit Heilig Avondmaal
sterken in het algemeen ongetwijfeld Christelijk geloof, waarvan wij
belijdenis doen met mond en hart, sprekende:
Ik geloof in God den Vader, den
Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.
En in Jezus Christus, Zijn eniggeboren
Zoon, onzen Heere; Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren
uit de maagd Maria; Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is
gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle; ten
derden dage wederom opgestaan van den doden; opgevaren ten hemel,
zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders; vanwaar Hij
komen zal om te oordelen de levenden en de doden.
Ik geloof in den Heiligen Geest. Ik
geloof een heilige, algemene Christelijke Kerk, de gemeenschap der
heiligen; vergeving der zonden; wederopstanding des vleses; en een
eeuwig leven.
Amen.
Opdat wij dan met het waarachtige
hemelse Brood Christus gespijzigd mogen worden, zo laat ons met onze
harten niet aan het uiterlijke brood en wijn blijven hangen; maar
onze harten opwaarts in den hemel verheffen, waar Jezus Christus is,
onze Voorspraak, ter rechterhand Zijns hemelsen Vaders, waarheen ons
ook de artikelen van ons Christelijk geloof wijzen; niet twijfelende,
of wij zullen zo waarachtiglijk door de werking des Heiligen Geestes
met Zijn lichaam en bloed aan onze zielen gespijzigd en gelaafd
worden, als wij het heilige brood en den heiligen drank tot Zijn
gedachtenis ontvangen.
Bij het breken en uitdelen des broods
spreekt de dienaar des Woords:
Het brood dat wij breken, is de gemeenschap des
lichaams van Christus. Neemt, eet, gedenkt
en gelooft dat het lichaam onzes Heeren Jezus Christus gebroken is
tot een volkomen verzoening van al onze zonden.
En als hij den drinkbeker geeft:
De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende
zegenen, is de gemeenschap des bloeds van Christus.
Neemt, drinkt allen daaruit, gedenkt en gelooft dat
het dierbaar bloed van onzen Heere Jezus Christus vergoten is tot
een volkomen verzoening van al onze zonden.
Terwijl men communiceert, zal men stichtelijk
zingen, of sommige hoofdstukken lezen, dienende ter gedachtenis aan
het lijden van Christus, als
Jes. 53,
Joh. 6,
13-18
Geliefden in den Heere, dewijl de Heere
nu aan Zijn tafel onze zielen gespijzigd heeft, zo laat ons
altezamen Zijn Naam met dankzegging prijzen; en een iegelijk spreke
in zijn hart aldus,
Ps. 103:
Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard
heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, en ons alles met
Hem geschonken. Daarom, bevestigt God daarmede Zijn liefde jegens
ons, dat Christus voor ons gestorven is als wij nog zondaars waren,
zo zullen wij ook veel meer door Hem behouden worden van Zijn toorn,
nadat wij door Zijn bloed gerechtvaardigd zijn. Want indien wij met
God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, toen wij nog vijanden
waren, veel meer zullen wij behouden worden door Zijn leven, nadat
wij met Hem verzoend zijn. Daarom zal mijn mond en hart des Heeren
lof verkondigen, van nu aan tot in der eeuwigheid.
Amen.
O barmhartige God en Vader, wij danken U
van ganser harte, dat Gij uit grondeloze barmhartigheid ons Uw
eniggeboren Zoon tot een Middelaar en offer voor onze zonden, en tot
een spijze en drank des eeuwigen levens geschonken hebt; en dat Gij
ons geeft een waarachtig geloof, waardoor wij zulke Uw weldaden
deelachtig worden. Gij hebt ons ook, tot sterking daarvan, door Uw
lieven Zoon Jezus Christus het Heilig Avondmaal laten instellen en
verordenen. Wij bidden U, o getrouwe God en Vader, dat Gij door de
werking Uws Heiligen Geestes de gedachtenis van onzen Heere Jezus
Christus en de verkondiging van Zijn dood, ons tot dagelijks
toenemen in het rechte geloof, en in de zalige gemeenschap van
Christus wilt laten gedijen; door Hem, Uw lieven Zoon Jezus Christus;
in Wiens Naam wij onze gebeden besluiten, gelijk Hij ons geleerd
heeft, zeggende:
Onze Vader, Die in de hemelen zijt,
Uw Naam worde geheiligd.
Uw Koninkrijk kome.
Uw wil geschiede, gelijk in den hemel,
alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook
wij vergeven onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar
verlos ons van den boze.
Want Uw is het Koninkrijk en de kracht
en de heerlijkheid, in der eeuwigheid.