Formulier om ouderlingen en diakenen te bevestigen
Zo is dan deze soort van dienaars den
anderen, die het Evangelie prediken, tot hulp en bijstand, gelijk in
het Oude Testament de gemene Levieten in den dienst des tabernakels
den priesters bijgevoegd waren, als medehelpers in hetgeen de
priesters alleen niet hadden kunnen doen; blijvende nochtans die
ambten altijd onderscheiden. Bovendien is het goed dat bij de
dienaars des Woords zodanigen mannen tot mederegeerders gevoegd
worden, teneinde daardoor uit de gemeente Gods te meer geweerd worde
alle tirannie en heerschappij, die lichter kan inbreken wanneer bij
één alleen, of bij zeer weinigen, de regering staat. En alzo maken
de dienaars des Woords en de ouderlingen tezamen een college of
gezelschap, zijnde als een raad der Kerk en vertonende de gehele
gemeente; waarop de Heere Christus ziet wanneer Hij zegt: Zeg het
der gemeente; hetwelk geenszins verstaan kan worden van alle
lidmaten der gemeente ieder in het bijzonder, maar zeer bekwamelijk
van degenen die de gemeente waarvan zij verkoren zijn, regeren.
Zo is dan ten eerste het ambt der
ouderlingen, met de dienaars des Woords, opzicht te hebben over de
gemeente die hun bevolen is; naarstiglijk toe te zien of een
iegelijk zich behoorlijk gedraagt in belijdenis en in wandel; die
zich onstichtelijk gedragen, te vermanen, en te verhoeden dat de
sacramenten ontheiligd worden, zoveel mogelijk is; ook mede tegen de
onboetvaardigen, volgens de Christelijke discipline of kerkelijke
tucht, te handelen, en de boetvaardigen weder in den schoot der Kerk
te ontvangen; gelijk niet alleen blijkt uit de voormelde uitspraak
van Christus, maar ook uit meer andere uitspraken der Schrift, dat
deze dingen niet staan bij één of twee personen alleen, maar bij
velen die daartoe gesteld zijn.
Ten tweede, naardien de apostel beveelt
dat onder de Christenen alles betamelijk en ordelijk zal toegaan, en
niemand anders dan door wettige beroeping in de Kerk van Christus
behoort te dienen, volgens de Christelijke ordinantie daarvan zijnde;
zo is mede het werk der ouderlingen daarop acht te nemen, en in alle
voorvallende zaken die den welstand en de goede orde der Kerk
betreffen, met goeden raad den dienaars des Woords behulpzaam te
zijn; ja, ook met raad en troost alle gemene Christenen te dienen.
Ten derde is hun ambt, inzonderheid mede
toezicht te nemen op de lering en den wandel der dienaars des Woords,
teneinde alles tot stichting der Kerk gericht moge worden, en dat
geen vreemde leer worde voorgesteld, volgens hetgeen wij lezen
Hand. 20:28,
waar de apostel vermaant naarstige wacht
te houden tegen de wolven, die in de schaapskooi van Christus
mochten komen. Om hetwelk te doen, de ouderlingen schuldig zijn Gods
Woord naarstig te doorzoeken, en zichzelven geduriglijk te oefenen
in de overlegging van de verborgenheden des geloofs.
Aangaande de diakenen
kunnen wij van hun oorsprong en instelling lezen in de Handelingen
der apostelen. Aldaar vinden wij dat in het begin de apostelen
zelven de bediening der armen gehad hebben; aan wier voeten gelegd
werd de prijs der verkochte goederen; en aan een iegelijk werd
uitgedeeld, naar dat elk van node had. Maar alzo daarna een
murmurering ontstond, omdat de weduwen der Grieken in de dagelijkse
bediening overgeslagen werden; zo zijn door de vermaning der
apostelen mannen gekozen geworden die eigenlijk hun werk van de
bediening der armen maken zouden, opdat de apostelen in het gebed en
in de bediening des Woords te beter mochten volharden. En dit is van
dien tijd af onderhouden geweest in de Kerk, gelijk blijkt uit
Rom. 12:8,
alwaar de apostel, van dezen dienst
sprekende, zegt dat degenen die uitdelen, zulks doen zullen in
eenvoudigheid. En elders sprekende van de behulpsels, bedoelt hij
degenen die in de gemeente gesteld zijn om de armen en ellendigen te
helpen in den nood.
Uit welke plaatsen genoeg te zien is welk het ambt is
der diakenen; namelijk, ten eerste, dat zij in alle getrouwheid en
naarstigheid de aalmoezen en goederen, die den armen gegeven worden,
verzamelen en bewaren; ja, ook vlijtig zijn, om te helpen toezien
dat tot hulp der armen vele goede middelen gevonden mogen worden.
Het tweede deel van hun ambt bestaat in de uitdeling, waartoe
vereist wordt, niet alleen gave van onderscheiding en
voorzichtigheid, om de aalmoezen niet te besteden dan waar het nodig
is, maar ook blijmoedigheid en eenvoudigheid om met een bewogen hart
en toegenegen gemoed de armen te helpen, gelijk de apostel eist,
Rom. 12:8 en
2 Kor. 9:7.
Waartoe zeer goed is, dat zij niet alleen met de uiterlijke gift,
maar ook met troostelijke redenen uit het Woord Gods, aan de armen
en ellendigen hulp bewijzen.
Teneinde dan, geliefde broeders N. N.,
een iegelijk moge horen dat gij gezind zijt den voorzeiden dienst
(of: de voorzeide diensten, elk in het zijne) aan te nemen,
zo zult gij antwoorden op hetgeen u voorgehouden zal worden.
En eerstelijk vraag ik u, ouderlingen
en diakenen, of gij niet gevoelt in uw harten dat gij wettiglijk
van Gods gemeente, en mitsdien van God Zelven, tot dezen heiligen
dienst (of: tot deze heilige diensten, elk in het zijne)
beroepen zijt?
Ten tweede, of gij de Schriften des
Ouden en Nieuwen Testaments houdt voor het enige Woord Gods en de
volkomen leer der zaligheid, en alle leringen verwerpt die daartegen
strijden?
Ten derde, of gij belooft uw ambt,
gelijk dit hiervoor beschreven is, volgens deze leer getrouwelijk
naar uw vermogen te bedienen; gij ouderlingen N. N., in de
Kerkregering nevens de dienaars des Woords, en gij diakenen N.
N., in de bediening der armen; en ook gezamenlijk belooft
u in alle godzaligheid te gedragen; mede u onderwerpende aan de
kerkelijke vermaningen, indien gij u kwaamt te ontgaan?
Hierop zullen zij antwoorden:
Ja wij.
En daarop zal de dienaar zeggen:
De almogende God en Vader geve u
allen tezamen Zijn genade, dat gij in dezen uw dienst (of: in
deze uw diensten) getrouwelijk en vruchtbaar moogt verkeren.
Amen.
En voorts zal hij hen vermanen (mitsgaders
ook de gehele gemeente) op de volgende wijze:
Zo weest dan, gij ouderlingen, naarstig
in de regering der Kerk, die u nevens de dienaars des Woords bevolen
is. Zijt mede als wachters over het huis en de stad Gods, om een
ieder getrouwelijk te vermanen, en te waarschuwen voor zijn verderf.
Hebt acht op de onderhouding van de zuiverheid der leer en de
vroomheid des levens in de gemeente des Heeren.
En gij diakenen, zijt
vlijtig in de verzameling der aalmoezen, voorzichtig en blijmoedig
in het uitreiken daarvan. Komt den bedrukten te hulp; verzorgt de
rechte weduwen en wezen; bewijst weldadigheid aan alle mensen, maar
inzonderheid aan de huisgenoten des geloofs.
Zijt allen gezamenlijk in uw
dienst getrouw, en behoudt de verborgenheid des geloofs in een reine
consciëntie, goede voorgangers zijnde voor geheel het volk. Alzo
zult gij uzelven een goeden opgang verkrijgen en veel vrijmoedigheid
in het geloof hetwelk is in Christus Jezus, en hiernamaals ingaan in
de vreugde uws Heeren.
Aan de andere zijde, geliefde Christenen,
ontvangt deze mannen als dienstknechten Gods. Wilt de ouderlingen
die wel regeren, dubbele eer waardig achten; begeeft u gewilliglijk
onder hun opzicht en regering. Voorziet de diakenen
met goede middelen tot hulp der armen. Zijt weldadig, gij rijken,
geeft mildelijk, en deelt gaarne mede. En gij armen, zijt arm van
geest, en gedraagt u jegens u verzorgers in allen eerbied; weest
dankbaar jegens hen, en murmureert niet. Volgt Christus om de spijze
der ziel, en niet om het brood. Die gestolen heeft, stele niet meer,
maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij
hebbe mede te delen dengene die nood heeft. Dit doende, elk
in het zijne, zult gij van den Heere ontvangen het loon der
gerechtigheid.
Doch alzo wij van onszelven hiertoe
onbekwaam zijn, zo laat ons den almachtigen God aldus aanroepen:
Heere God, hemelse Vader, wij danken U
dat het U beliefd heeft, tot meerderen wasdom Uwer Kerk, daarin te
verordenen, nevens de dienaars des Woords, regeerders en helpers,
waardoor Uw gemeente in goeden vrede en welstand zou kunnen bewaard
worden, en de arme mensen onderhouden; en dat Gij ons thans
in deze plaats verleend hebt mannen van goede getuigenis, en die
begiftigd zijn met Uw Geest. Wij bidden U, verleen hun meer en meer
zodanigen gaven als hun in hun bediening nodig zijn: de gave der
wijsheid, der kloekheid, der onderscheiding en der weldadigheid;
teneinde een ieder zich behoorlijk kwijte in zijn ambt: de
ouderlingen, in vlijtig opzicht te nemen op de leer en den wandel,
in het weren der wolven uit de schaapskooi van Uw lieven Zoon, en in
het vermanen en bestraffen der ongeregelde mensen; insgelijks de
diakenen, in het naarstig ontvangen en mild en voorzichtig uitdelen
der aalmoezen aan de armen, ook mede in het lieflijk vertroosten van
dezen met Uw heilig Woord. Schenk aan beiden, de
ouderlingen en de diakenen, Uw genade, dat zij in hun
getrouwen arbeid volstandiglijk voortgaan, zonder door enige moeite,
verdriet, of vervolging der wereld, immermeer te vertragen. Verleen
ook inzonderheid Uw Goddelijken zegen aan dit volk, waarover zij
gesteld zijn, opdat zij zichzelven aan de goede vermaning der
ouderlingen gaarne onderwerpen, hen in eer houdende om huns ambts
wil; geef den rijken milde harten tot de armen, en den armen een
dankbaar gemoed jegens degenen die hen helpen en bedienen;
teneinde alzo een iegelijk zich kwijtende in zijn ambt, Uw heilige
Naam daardoor grootgemaakt, en het Rijk Uws Zoons Christus bevorderd
moge worden; in Wiens Naam wij ons gebed besluiten, zeggende:
Onze Vader, Die in den hemelen zijt,
Uw Naam worde geheiligd.
Uw Koninkrijk kome.
Uw wil geschiede, gelijk in den hemel,
alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook
wij vergeven onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar
verlos ons van den boze.
Want Uw is het Koninkrijk en de kracht
en de heerlijkheid, in der eeuwigheid.