Antw. Dat heeft Hij ons schriftelijk in tien
geboden begrepen, welke aldus luiden:
Ik ben de
HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid
heb. Het eerste gebod Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Het tweede gebod Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis
maken, van hetgeen dat boven in den hemel is, noch van hetgeen dat
onder op de aarde is, noch van hetgeen dat in de wateren onder de
aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik,
de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen
bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid dergenen
die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen die Mij
liefhebben en Mijn geboden onderhouden. Het derde gebod Gij zult den Naam des HEEREN uws God niet ijdellijk gebruiken;
want de HEERE zal niet onschuldig houden die Zijn Naam ijdellijk
gebruikt. Het vierde gebod Gedenk den sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij
arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat des
HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon,
noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw
vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is. Want in zes dagen
heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat
daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE
den sabbatdag, en heiligde denzelven. Het vijfde gebod Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het
land dat u de HEERE uw God geeft. Het zesde gebod Gij zult niet doodslaan. Het zevende gebod Gij zult niet echtbreken. Het achtste gebod Gij zult niet stelen. Het negende gebod Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. Het tiende gebod Gij zult niet begeren uws
naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn
dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel,
noch iets dat uws naasten is.
Ex. 20:2-17.
Deut. 5:6-21.
4.Vr. Hoe worden deze tien geboden gedeeld?
Antw. In twee tafelen.
Ex. 34:1.
Ex. 34:28
5.Vr. Welke is de hoofdsom van hetgeen u God gebiedt in de vier
geboden der eerste tafel?
Antw. Dat ik den Heere mijn God zal liefhebben van ganser
harte, van ganser ziele, van gansen gemoede, en met alle krachten.
Dit is het eerste en het grote gebod.
Matth. 22:37,
38.
Deut. 6:5.
6.
Vr. Welke is de hoofdsom van hetgeen u God gebiedt in de
zes geboden der tweede tafel?
Antw. Dat ik mijn naaste zal liefhebben als mijzelven. Aan
deze twee geboden hangt de ganse Wet en de Profeten.
Matth. 22:39,
40.
Lev. 19:18.
7.Vr. Kunt gij dit alles volkomenlijk houden?
Antw. Neen ik; maar ik ben van nature geneigd, God en mijn
naaste te haten (a), en Gods geboden met gedachten, woorden
en werken te overtreden (b).
a
Rom. 8:7.
Joh. 15:18,
23,
24,
25.
Rom. 1:29,
30.
Rom. 5:10. b
Gen. 6:5.
Gen. 8:21.
8.Vr. Heeft God u alzo boos en verdorven van natuur geschapen?
Antw. Neen Hij; maar Hij heeft mij goed en naar Zijn
evenbeeld geschapen (a), in ware kennis Gods (b),
gerechtigheid en heiligheid (c).
a
Gen. 1:27,
31.b
Kol. 3:10. c
Ef. 4:24.
9.Vr. Vanwaar komt dan die verdorvenheid, die in u is?
Antw. Uit den val en de ongehoorzaamheid van Adam en Eva in
het paradijs (a), waar onze natuur alzo is verdorven, dat wij
allen in zonden ontvangen en geboren worden (b).
a
Gen. 3:6. b
Ps. 51:7.
Ef. 2:3.
Job. 14:4.
Jes. 48:8
10.
Vr. Wat is dat voor een ongehoorzaamheid geweest?
Antw. Dat zij hebben gegeten van de vrucht des booms (a),
welke God hun verboden had (b).
a
Gen. 3:6. b
Gen. 2:17
11.Vr. Gaat ons de ongehoorzaamheid van Adam aan?
Antw. Ja zij toch; want hij is ons aller vader (a), en
wij hebben allen in hem gezondigd (b).
a
Hand. 17:26. b
Rom. 5:12
12.
Vr. Zo zijn wij dan onbekwaam tot enig goed als uit
onszelven, en geneigd tot alle kwaad (a)?
Antw. Ja wij; tenzij dat wij door den Geest Gods wedergeboren
worden (b).
a
2 Kor. 3:5.
Gen. 8:21.
Jer. 4:22.
Matth. 7:18. b
Joh. 3:6,
27.
Filipp. 2:13.
13.Vr. Wil God zulke ongehoorzaamheid en verdorvenheid
ongestraft laten?
Antw.
Neen Hij; maar naar Zijn rechtvaardig oordeel wil Hij die tijdelijk
en eeuwiglijk straffen (a), gelijk geschreven staat:
Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al
hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (b).
a
Rom. 1:18.
Deut. 28:25. b
Deut. 27:26
HET TWEEDE DEEL
VAN DES MENSEN VERLOSSING
14. Vr. Hoe kunt gij deze
straffen ontgaan, en wederom tot genade komen?
Antw.
Door zulk een Middelaar, Die tegelijk waarachtig God, en een
waarachtig rechtvaardig mens is.
16.Vr. Kunnen de engelen
onze middelaars niet zijn?
Antw.
Neen zij; want zij zijn noch God noch mensen.
Ps. 104:4.
Hebr. 1:5,
6,
7.
17.Vr. Kunnen de heiligen onze middelaars niet zijn?
Antw. Neen zij; want zij hebben zelven gezondigd (a),
en zijn niet anders dan door dezen enigen Middelaar zalig geworden (b).
a
1 Joh. 1:8. b
1 Joh. 2:1,
2.
18.Vr. Zullen ook alle mensen door den Middelaar Jezus zalig
worden, gelijk zij allen door Adam zijn verdoemd geworden?
Antw. Neen zij; maar alleen die Hem met een waar geloof
aannemen; gelijk geschreven staat,
Joh. 3:16: Alzo lief heeft God de
wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een
iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven
hebbe.
Joh. 3:18.
19.Vr. Wat is een waar geloof?
Antw. Het is een stellige kennis van God, en van Zijn
beloften, ons in het Evangelie geopenbaard (a), en een
hartelijk vertrouwen, dat mij al mijn zonden om Christus' wil
vergeven zijn (b).
20.Vr. Wat is de hoofdsom van hetgeen ons God in het Evangelie
belooft, en bevolen heeft te geloven?
Antw. Dat is begrepen in de twaalf artikelen des algemenen
Christelijken geloofs, die aldus luiden:
1.
Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels
en der aarde.2. En in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon,
onzen Heere; 3. Die ontvangen is van den Heiligen Geest,
geboren uit de maagd Maria; 4. Die geleden heeft onder
Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald
ter helle; 5. ten derden dage wederom opgestaan van de doden;
6. opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des
almachtigen Vaders; 7. vanwaar Hij komen zal om te oordelen
de levenden en de doden.8. Ik geloof in den Heiligen Geest.
9. Ik geloof een heilige, algemene Christelijke Kerk, de
gemeenschap der heiligen; 10. vergeving der zonden; 11.
wederopstanding des vleses; 12. en
een eeuwig leven.
21.
Vr. Als gij belijdt te geloven in God den Vader, en den
Zoon, en den Heiligen Geest, verstaat gij daardoor drie Goden?
Antw. Neen ik geenszins; want er is maar één enig waarachtig
God.
Deut. 6:4.
Ef. 4:6.
1 Tim. 2:5
22.
Vr. Waarom noemt gij dan drie: den Vader, den Zoon, en
den Heiligen Geest?
Antw. Omdat God Zich alzo in Zijn Woord heeft geopenbaard,
dat deze drie onderscheiden Personen de enige en waarachtige God
zijn; gelijk wij ook gedoopt zijn in den Naam des Vaders, en des
Zoons, en des Heiligen Geestes.
Gen. 1:26.
Gen. 3:22.
Jes. 61:1.
Hagg. 2:5,
6.
Matth. 3:16,
17.
Matth. 28:19.
1 Joh. 5:7.
23.Vr. Wat gelooft gij met deze woorden: Ik geloof in God den
Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde?
Antw. Dat de eeuwige Vader van onzen Heere Jezus Christus (a),
Die hemel en aarde uit niet geschapen heeft, en nog door Zijn
voorzienigheid onderhoudt (b), om Zijns Zoons Christus' wil
mijn God en mijn Vader is (c).
a
Joh. 17:1,
5.b
Gen. 1:1.
Joh. 5:17.
Hebr. 1:1,
2,
3.c
Joh. 14:6.
Joh. 20:17.
24.Vr. Wat gelooft gij met deze woorden: En in Jezus Christus,
Zijn eniggeboren Zoon, onzen Heere?
Antw. Dat Jezus Christus de eeuwige (a) en enige (b)
Zoon des Vaders is, eenswezens met God den Vader en den Heiligen
Geest (c).
a
Spr. 8:22.
Joh. 1:1,
14.
Micha 5:1. b
Joh. 3:16. c
Joh. 14:10,
11.
Joh. 10:30.
Joh. 5:20.
25.Vr. Gelooft gij niet dat Hij ook mens geworden is?
Antw. Ja ik; want Hij is ontvangen van den Heiligen Geest
(a), en geboren uit de maagd Maria (b).
a
Luk. 1:35. b
Luk. 2:5,
6,
7.
26.Vr. Is dan Zijn Godheid veranderd in mensheid?
Antw. Neen; want de Godheid is onveranderlijk.
Jak. 1:17.
27.Vr. Hoe is Hij dan mens geworden?
Antw. Door aanneming der mensheid in enigheid Zijns Persoons.
Joh. 1:14.
Hebr. 2:14
28.
Vr. Heeft Hij dan Zijn mensheid uit den hemel gebracht?
Antw. Neen Hij; maar Hij heeft die aangenomen uit de maagd
Maria, door de werking des Heiligen Geestes; en is alzo ons, Zijn
broederen, in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde;
Hebr. 2:17
en 4:15.
29.Vr. Waarom wordt Hij Jezus, dat is Zaligmaker, genaamd?
Antw. Omdat Hij Zijn volk zalig maakt van hun zonden.
Matth. 1:21.
Luk. 2:21
30.Vr. Is er anders geen Zaligmaker?
Antw. Neen; want er is ook onder den hemel geen andere
naam, die onder de mensen gegeven is, door welken wij moeten zalig
worden, dan de Naam van Jezus;
Hand. 4:12.
Jes. 63:1,
2,
3.
31.
Vr. Waarom wordt Hij Christus, dat is Gezalfde,
genaamd (a)?
Antw. Omdat Hij met den Heiligen Geest is gezalfd (b),
en van God den Vader verordend, tot onzen groten Profeet (c),
tot onzen enigen Hogepriester (d), en tot onzen eeuwigen
Koning (e).
a
Matth. 1:16.
Matth. 16:16. b
Jes. 11:2.
Jes. 61:1.
Ps. 45:8. c
Deut. 18:18. d
Ps. 110:4. e
Ps. 2:6
32.Vr. Wat heeft dan Jezus Christus gedaan om ons zalig te maken?
Antw. Hij heeft voor ons geleden, is gekruisigd,
en gestorven, is begraven, en nedergedaald ter
helle, dat is, Hij heeft de helse pijn geleden; en is alzo Zijn
Vader gehoorzaam geworden, opdat Hij ons van de tijdelijke en
eeuwige straffen der zonde verlossen zou.
Antw. Zijn Godheid heeft door haar kracht die aangenomen
mensheid alzo gesterkt, dat zij den last van den toorn Gods tegen de
zonde heeft kunnen verdragen, en ons daarvan verlossen.
Antw. Neen Hij; maar Hij is ten derden dage opgestaan van
de doden tot onze rechtvaardigmaking;
Rom. 4:25.
Matth. 28:6.
1 Kor. 15
36.Vr. Waar is Christus nu naar Zijn mensheid?
Antw. Hij is opgevaren ten hemel, en zit ter
rechterhand Gods des Vaders, dat is verheven in de hoogste
heerlijkheid boven alle schepselen;
Ef. 1:20,
21.
Hand. 1:9,
11.
Mark. 16:19.
Filipp. 2:9,
10,
11.
37.Vr. Waartoe is Hij daar zo hoog verheven?
Antw. Inzonderheid opdat Hij vandaar Zijn gemeente zou
regeren, en onze Voorbidder zijn bij den Vader.
38.Vr. Is Hij dan niet bij ons tot aan het einde der wereld,
gelijk Hij ons beloofd heeft?
Matth. 28:20.
Antw. Naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest, wijkt
Hij nimmermeer van ons (a); maar naar Zijn mensheid blijft
Hij in den hemel (b), totdat Hij eenmaal komen zal om te
oordelen de levenden en de doden (c).
a
1 Joh. 2:2.
Matth. 18:20.
Hand. 23:11.
Joh. 14:17,
18.
Joh. 16:13. b
Joh. 16:28.
Hand. 3:21.
Kol. 3:1. c
1 Thess. 4:16.
39.Vr. Wat gelooft gij van den Heiligen Geest?
Antw. Dat Hij tezamen met den Vader en den Zoon waarachtig,
eeuwig God is (a); en dat Hij mij van den Vader door Christus
gegeven zijnde (b), wederbaart (c), in alle waarheid
leidt (d), mij troost (e) en in eeuwigheid bij mij zal
blijven (f).
a
Gen. 1:2.
Job. 33:4.
Hand. 5:3,
4.
1 Kor. 3:16,
17.b
Joh. 14:16. c
Joh. 3:5. d
Joh. 16:13. e
Joh. 14:26. f
Joh. 14:16,
17.
40.Vr. Wat gelooft gij van de heilige, algemene Kerk?
Antw. Dat de Zone Gods uit het ganse menselijk geslacht de
uitverkorenen ten eeuwigen leven, door Zijn Geest en Woord, Zich tot
een gemeente vergadert (a); waarvan ik geloof, dat ik een
levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven (b).
a
Ez. 34:11.
Joh. 10:14,
16.
Joh. 3:29.
Hebr. 12:23.
Hand. 13:48. b
Jes. 59:21.
Ps. 1:3.
Ps. 23:6.
Ps. 27:4.
Rom. 8:35-39.
Joh. 10:28,
29.
41.Vr. Waar vergadert Hij deze Kerk?
Antw. Waar men Gods Woord recht predikt (a), en de
heilige sacramenten bedient naar de instelling van Christus (b).
a
Jes. 8:19,
20.
Jes. 59:21.
Joh. 10:27. b
Matth. 28:19.
42.Vr. Welke weldaden doet God aan deze gemeente?
Antw. Hij schenkt haar vergeving der zonden (a),
wederopstanding des vleses (b), en het eeuwige leven
(c).
a
Ps. 32:1. b
Filipp. 3:21. c
Joh. 5:24.
Joh. 10:29.
Matth. 25:46
43.Vr. Wat baat het u nu dat gij dit alles gelooft?
Antw. Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben.
Rom. 5:1.
44.Vr. Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?
Antw. Alleen door een waar geloof in Jezus Christus.
Rom. 1:17.
Rom. 3:28
45.Vr. Hoe is het te verstaan dat gij door het geloof
gerechtvaardigd zijt?
Antw. Alzo, dat alleen de volkomen genoegdoening en
gerechtigheid van Christus door God mij wordt toegerekend (a),
waardoor mij mijn zonden vergeven (b) en ik een erfgenaam des
eeuwigen levens word (c); en dat ik die niet anders dan door
het geloof kan aannemen (d).
a
Jes. 53:11.
Rom. 5:19. b
Rom. 4:6,
7,
8.
2 Kor. 5:19-21. c
Rom. 8:1.
Joh. 3:36. d
Ef. 2:8.
Rom. 3:24,
25.
Hand. 13:38,
39.
46.
Vr. Waarom kunnen onze goede werken onze gerechtigheid
voor God niet zijn, noch ook een stuk daarvan?
Antw. Daarom, dat ook onze beste werken in dit leven
onvolkomen en met zonde bevlekt zijn.
Ps. 143:2.
Ps. 130:3.
Job. 9:2,
3.
Jes. 64:6.
47.Vr. Verdienen dan onze goede werken niet, die God nochtans in
dit en in het toekomende leven wil belonen (a)?
Antw. Deze beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit
genade (b).
Antw. Door het gehoor van het gepredikte Woord;
Rom. 10:14,
17.
Hand. 8:31,
35.
Hand. 16:14.
1 Petr. 1:22,
23.
50.Vr. Hoe versterkt Hij dat geloof?
Antw. Door datzelfde gepredikte Woord (a), en het
gebruik der heilige sacramenten (b).
a
Ef. 4:11,
12,
13.
1 Petr. 2:2. b
Rom. 4:11.
Matth. 3:11.
Joh. 3:5.
51.Vr. Wat zijn sacramenten?
Antw. Heilige tekenen en zegelen, van God ingesteld, om ons
daardoor te verzekeren dat Hij ons vergeving der zonden en het
eeuwige leven uit genade schenkt, om het enige slachtoffer van
Christus, aan het kruis volbracht.
Gen. 17:11.
Rom. 4:11.
Hebr. 9:9,
10,
23,
24.
52.Vr. Hoeveel sacramenten heeft Christus in het Nieuwe
Testament ingesteld?
Antw. Twee: den Heiligen Doop en het Heilig Avondmaal.
Antw. Het water (a), waarmede wij gedoopt worden in
den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes (b).
a
Matth. 3:11.
Joh. 3:23.
Hand. 8:36.
Hand. 10:47. b
Matth. 28:19
54.Vr. Wat betekent en verzegelt dat?
Antw. De afwassing der zonden door het bloed en den Geest van
Jezus Christus.
Hand. 2:38.
Hand. 22:16.
1 Kor. 6:11.
Ef. 5:26
55.
Vr. Waar heeft ons Christus zulks toegezegd en beloofd?
Antw. In de inzetting des Doops, die aldus luidt: Gaat
heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie allen creaturen;
dezelve dopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen
Geestes; die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig
worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.
Mark. 16:15,
16.
Matth. 28:19
56.Vr. Zal men ook de jonge kinderen dopen?
Antw. Ja; want zij zijn alzowel als de volwassenen in het
verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen.
Antw. In de instelling des Heiligen Avondmaals, die door
Paulus aldus wordt beschreven,
1 Kor. 11:23-26: Ik heb van den
Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgeven heb, dat de Heere Jezus
in den nacht in welken Hij verraden werd, het brood nam, en als Hij
gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam,
dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. Desgelijks
nam Hij ook den drinkbeker na het eten des Avondmaals, en zeide:
Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed; doet dat, zo
dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis. Want zo
dikwijls als gij dit brood zult eten en dezen drinkbeker zult
drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt.
60.Vr. Wordt het brood veranderd in het lichaam van Christus, of
de wijn in Zijn bloed?
Antw. Neen; niet meer dan het water in den Doop wordt
veranderd in het bloed van Christus.
1 Kor. 11:26,
27,
28.
1 Kor. 10:16.
61.Vr. Hoe moet gij uzelven beproeven, eer gij tot het Avondmaal
des Heeren gaat?
Antw. Eerst moet ik onderzoeken of ik mijzelven vanwege mijn
zonden mishaag, en mij daarom voor God verootmoedig (a); ten
tweede, of ik geloof en vertrouw dat mij al mijn zonden om Christus'
wil vergeven zijn (b); ten derde, of ik ook een ernstig?
voornemen heb om voortaan in alle goede werken te wandelen (c).
a
Matth. 5:6.
Joh. 7:37.
Luk. 15:18,
19.
Luk. 18:13,
14.b
2 Kor. 13:5. c
Ps. 116:12,
13,
14.
1 Petr. 2:11,
12.
1 Petr. 4:2,
3.
62.Vr. Zal men ook diegenen ten Avondmaal laten gaan die
ongoddelijke leer drijven of een ergerlijk leven leiden?
Antw. Neen; opdat Gods verbond niet worde ontheiligd, en Zijn
toorn over de ganse gemeente niet aangestoken worde.
1 Kor. 11:29-32.
Jes. 66:3.
Ps. 50:16,
17.
63.Vr. Hoe zal men dan met zodanigen handelen?
Antw.
Volgens de ordinantie die ons Christus daarvan heeft gegeven,
Matth. 18:15-17, welke aldus luidt:
Indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en
bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij
uw broeder gewonnen. Maar indien hij u niet hoort, zo neem nog een
of twee met u; opdat in den mond van twee of drie getuigen alle
woord besta. En indien hij denzelven geen gehoor geeft, zo zeg het
der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo
zij hij u als de heiden en de tollenaar.
HET DERDE DEEL
VAN DE DANKBAARHEID
64.Vr. Aangezien wij alleen uit genade door Christus zalig
worden, waarom moet gij nog goede werken doen?
Antw. Niet om den hemel daarmede te verdienen (hetwelk
Christus gedaan heeft), maar omdat God mij zulks heeft geboden.
Luk. 17:10.
Joh. 15:14.
Joh. 14:21,
23.
65.Vr. Waartoe dienen dan uw goede werken?
Antw. Dat ik Gode daarmede dankbaarheid voor al Zijn weldaden
bewijze, en Hij door mij geprezen worde (a); dat ik ook uit
de goede werken, als uit de vruchten, van de oprechtheid van mijn
geloof verzekerd zij (b); en dat mijn naaste daardoor
gesticht en voor Christus gewonnen worde (c).
a
Ps. 116:12,
13,
14.
Matth. 5:16.
1 Petr. 2:12. b
Matth. 7:17.
Gal. 5:6,
22.
2 Petr. 1:8,
9,
10.c
Rom. 14:19.
1 Petr. 3:1.
66.Vr. Zullen diegenen ook zalig worden die geen goede werken
doen?
Antw. Neen zij; want de Schrift zegt dat geen onkuise,
afgodendienaar, echtbreker, hoereerder, dief, gierigaard, dronkaard,
lasteraar, noch rover, noch dergelijke, het Rijk Gods beërven zal,
1 Kor. 6:9 en 10, tenzij dat zij zich tot God bekeren.
Luk. 13:3.
Ez. 18:21,
22,
24.
67.Vr. Waarin bestaat de bekering des mensen?
Antw. In een hartelijk leedwezen en vlieden van de zonden; en
in een ernstigen lust en doen van alle goede werken.
Jes. 1:16,
17.
Ps. 34:15.
Rom. 6:11,
12.
68.Vr. Wat zijn goede werken?
Antw. Alleen die uit waar geloof (a), naar de wet Gods
(b), Hem ter eer geschieden (c); en niet die op
menseninzettingen of op ons goeddunken gegrond zijn (d).
a
Rom. 14:23.
Hebr. 11:6. b
Deut. 12:32.
1 Sam. 15:22,
23.
Ef. 2:10. c
1 Kor. 10:31. d
Ez. 20:18,
19.
Matth. 15:9.
69.Vr. Kunnen degenen die tot God bekeerd zijn, de wet Gods
volkomenlijk houden?
Antw. Neen zij toch; maar ook de allerheiligsten, zolang als
zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer
gehoorzaaamheid (a); doch alzo, dat zij met een ernstig
voornemen, niet alleen naar som?mige, maar naar al de geboden Gods
beginnen te leven; gelijk zij ook den Heere geduriglijk bidden om
dagelijks daarin toe te nemen (b).
a
Pred. 7:20.
Ps. 19:13.
Rom. 7:14.
Gal. 5:17.
Filipp. 3:12.
Job. 4:17,
18,
19.b
Matth. 6:12,
13.
Ef. 3:14,
16-18.
Ps. 51:12,
13,
14.
Ps. 119.
70.Vr. Wien moeten wij hierom bidden?
Antw. Niet enige schepselen (a), maar alleen God (b),
Die ons helpen kan (c), en om Jezus Christus' wil verhoren
wil (d).
a
Ex. 20:3. b
Matth. 4:10. c
Ps. 50:15.
Jer. 2:13,
28.d
Joh. 16:27.
71.Vr. In Wiens Naam moeten wij God bidden?
Antw.
Alleen in den Naam van Christus,
Joh. 16:23,
en niet in den naam van enige heiligen.
72.Vr. Om welke dingen moeten wij dezen God bidden?
Antw. Om alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke de
Heere Christus begrepen heeft in het gebed dat Hij ons Zelf geleerd
heeft.
Matth. 7:7.
Luk. 11:13
73.Vr. Hoe luidt dat gebed?
Antw.Onze Vader, Die in de hemelen
zijt,
Uw Naam
worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. Geef ons heden ons dagelijks brood. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen
schuldenaren. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de
heerlijkheid, in der eeuwigheid. Amen.
Matth. 6:9-13.
74.Vr. Wat begeert gij
van God in dit ganse gebed?
Antw.
Ten eerste, dat al wat dient tot Gods eer, bevorderd worde (a),
daarentegen geweerd wat haar verhindert of Zijn wil wederstaat. Ten
andere, dat Hij mij met alle nooddruft naar het lichaam verzorge, en
naar de ziel mij beware voor alle kwaad dat mij aan mijn zaligheid
zou kunnen schadelijk zijn (b).
a
Matth. 6:33. b
Ps. 55:23
Als degenen die zich tot de gemeente begeven willen, deze
hoofdstukken in den grond bekend en beleden hebben, zo vraagt men
hun of zij ook ergens in, aangaande de leer, enigen twijfel hebben;
opdat men hun moge genoegdoen. Indien iemand onder hen zegt: Ja, zo
zoekt men hem uit de Schrift te voldoen; en is het dat zij allen
gerust zijn, zo vraagt men of zij ook voorgenomen hebben door Gods
genade bij deze leer te blijven, de wereld te verzaken, en een nieuw,
Christelijk leven te leiden. Ten einde vraagt men ook of zij zich
aan de Christelijke tucht willen onderwerpen. Hetwelk gedaan
hebbende, men hen vermaant tot vrede, liefde en eendrachtigheid met
alle mensen, en tot vredemaking, indien iemand van hen met zijn
naaste iets uitstaande heeft.
VRAGEN, TE STELLEN BIJ DE OPENBARE
BELIJDENIS DES GELOOFS
1.
Verklaart gij dat gij de leer van onze kerk, welke gij geleerd,
gehoord en beleden hebt, houdt voor de ware en zaligmakende leer,
overeenkomende met de Heilige Schriften?
Zij antwoorden: Ja.
2. Belooft gij dat gij door Gods genade in de belijdenis van deze
zaligmakende leer standvastig zult blijven, en in haar zult leven en
sterven?
Zij antwoorden: Ja.
3. Belooft gij dat gij overeenkomstig deze heilige leer uw leven
altijd godvruchtig, eerbaar en onberispelijk zult inrichten, en dat
gij uw belijdenis met goede werken zult versieren?
Zij antwoorden: Ja.
4. Belooft gij dat gij u aan de vermaning, terechtwijzing en
kerkelijke tucht wilt onderwerpen en onderworpen zult zijn, indien (wat
God verhoede) het mocht gebeuren, dat gij u in leer of leven kwaamt
te misgaan?
Zij antwoorden: Ja.