De reden waarom de Heere ons het kunstwerk van hemel en aarde
laat zien, en Zich daarin te aanschouwen geeft, is dat Hij ons wil uitnodigen om
Hem te leren kennen.
Bezig te zijn met het onderzoeken van de geheimen van de natuur, zonder ooit
het oog te richten op de Schepper, is een verkeerde ijver. En van de gehele
natuur te genieten, zonder de Gever van die weldaad te erkennen, is een al te
schandelijke ondankbaarheid.
Tevergeefs redeneert men over de schepping der wereld, als men niet eerst
door de prediking van het Evangelie vernederd is, en geleerd heeft alle
scherpzinnigheid van het verstand te onderwerpen aan de dwaasheid van het kruis.
Buiten de dwaasheid van het kruis zullen wij nergens iets vinden dat ons
opvoert tot God, zolang Christus ons niet in Zijn leerschool heeft onderwezen.
Dit nu kan niet anders gebeuren dan doordat wij uit de diepte der hel worden
opgetrokken en op de wagen van Zijn kruis boven alle hemelen worden opgevoerd,
om daar door het geloof te leren verstaan, wat het oog nooit heeft gezien, noch
het oor gehoord, en wat ons hart en verstand verre te boven gaat.
Over Genesis 1 vers 11:
Uit de volgorde van de schepping (eerst het licht, daarna de lichtdragers –
eerst: “de aarde bracht voort grasscheutjes” etc., daarna de zon die de aarde
vruchtbaar maakt) kunnen wij leren dat God handelt door schepselen,
niet als hulp behoevende, maar omdat dit Hem behaagt.
Over Genesis 1 vers 28:
Alles is geschapen opdat mensen niets zou ontbreken in alle behoeften en
gebruiken van het leven. In de orde van de schepping komt de Vaderlijke zorg van
God jegens de mensen duidelijk uit, want voordat Hij hen vormde, voorzag Hij de
wereld met alle mogelijke dingen, ja zelfs met grote overvloed van schatten. Zo
was hij dus al rijk, voordat hij werd geboren. En als God zó’n zorg voor ons
had, vóór wij bestonden, zal Hij het ons dan –nu wij in de wereld zijn
geplaatst– aan voeding en overig levensonderhoud laten ontbreken?
Adam is met zijn vrouw geschapen tot voortplanting, opdat de mensen heel de
aarde zouden vervullen. God kon Zelf wel de aarde bedekken met een menigte
mensen, maar Hij wilde dat wij allen uit één bron zouden voortkomen,
opdat de lust tot onderlinge eendracht groter zou zijn, en de een de ander te
liever als zijn eigen vlees zou omhelzen. Het is van groot belang dat wij niets van Gods goederen gebruiken, zonder
dat wij weten dat het ons door Hem is toegestaan. Nooit genieten wij iets met
een goed geweten dan wanneer wij het als uit Gods hand ontvangen. En zo leert
Paulus ons dat wij in het eten en drinken altijd zondigen, als het geloof niet
aanwezig is.
Over Genesis 1 vers 29:
Door het gebruik van Gods gaven worden wij geoefend in het overdenken van
Zijn goedheid en Vaderlijke zorg. Want hierop doelen deze woorden van God in
vers 29: “Zie, uw onderhoud is door Mij reeds bereid, voordat u er was.
Erken mij daarom als Vader, Die u –toen u nog niet was geschapen– zo ijverig
heeft verzorgd.”
Over Genesis 2 vers 3:
Het zegenen van de zevende dag is niets anders dan de plechtige wijding
waarmee God de genegenheden en bezigheden van de mensen op de zevende dag Zich
toe-eigent. Dit is een heilige roeping die de mensen aan de beslommeringen der
wereld ontrukt en hen geheel aan God toewijdt. 'Wel past ons de overdenking van Gods werken gedurende ons hele leven, en
hebben wij ons er dágelijks in te oefenen om de grote goedheid van God, Zijn
rechtvaardigheid, kracht en wijsheid, in deze grote schouwplaats van hemel en
aarde op te merken, maar omdat mensen minder ijverig zijn dan terecht is, is
elke zevende dag bijzonder uitgekozen om aan te vullen wat aan de voortdurende
overdenking ontbreekt.
Over Genesis 2 vers 7:
Mozes vertelt dat de mens oorspronkelijk stof geweest is. Hij had gezegd
dat de mens naar het beeld van God was geschapen. –dit is de hoogste en
onvergelijkelijke adel– Opdat nu de mensen zich daarop niet zouden gaan
verheffen, stelt hij hun oorspronkelijke afkomst hun voor ogen. Adam is van Godswege tot bewoner van de aarde gesteld, opdat hij –terwijl
hij zijn tijdelijk leven daarop doorbracht– de hemelse heerlijkheid zou
bedenken. Hij is door de Heere met ontelbare weldaden rijkelijk begiftigd,
opdat hij door het genot daarvan Zijn Vaderlijke goedheid zou leren kennen.
Over Genesis 2 vers 9:
Mozes verhaalt dat de hof van Eden bijzonder verrijkt is geweest met
allerlei vruchtdragend geboomte. En dit is met opzet door de Heere gedaan, opdat
de begeerlijkheid van de mens des te minder verontschuldiging zou hebben, als ze
–ontevreden met zo’n bijzondere overvloed van vruchten en zo’n genot en
verscheidenheid, als hun ten deel viel– tegen het bevel van God zich in het
verderf stortten.
Met opzet verhaalt de Heilige Geest door Mozes hoe groot de gelukstaat van
Adam was, opdat het boosaardige van zijn onmatigheid des te duidelijker zou
uitkomen, omdat zo’n overvloed hem niet voldoende kon verzadigen en weerhouden,
om aan de verboden vrucht de hand te slaan. Ongetwijfeld was het een schandelijke ondankbaarheid, dat de mens in zo’n
gelukkige en gewenste staat niet kon rusten. Ook was zijn lust meer dan
dierlijk, dat zo’n grote overvloed hem niet kon verzadigen. God wilde dat de mens, zo dikwijls als hij de vrucht van die boom proefde,
zich zou herinneren van Wie hij het leven had ontvangen; dat hij zou erkennen
dat hij niet door eigen kracht, maar alleen door Gods genade leefde.
Door dit teken werd Adam opgeroepen om zich niets aan te matigen als eigen
bezit, opdat hij helemaal afhankelijk zou zijn van de Zoon van God, en nergens
dan alleen in Hem het leven zou zoeken. Laten wij dus bedenken, dat, als wij ons
van Christus afscheiden, voor ons niets dan de dood overblijft.
Over Genesis 2 vers 15 (En de HEERE God nam de mens, en zette hem in de hof van
Eden om die te bebouwen en te bewaren):
De mensen zijn geschapen om iets te doen, opdat zij niet traag en lui
zouden neerliggen. Daarom is er niets méér in strijd met de orde van de natuur,
dan ons leven door te brengen met eten, drinken en slapen, en ons intussen voor
te nemen niets te doen.
Wie een akker bezit [wij kunnen dit toepassen op de situatie waarin wij
verantwoordelijkheid dragen] moet toezien dat hij de grond door zorgeloosheid
niet uitgeput laat worden, maar hij moet er zich op toeleggen om hem zó aan de
nakomelingen over te leveren als hij hem heeft ontvangen, of nog béter verzorgd.
Zullen we spaarzaam en vlijtig zijn ten opzichte van de goederen die God
ons te genieten geeft, dan dienen we te bedenken dat we over alles wat wij
bezitten, Gods rentmeester zijn. Dan zullen we ons niet lichtzinnig gedragen of
door misbruik bederven wat God wil, dat bewaard wordt.
Over Genesis 2 vers 17 (van de boom der kennis van goed en kwaad zult gij niet
eten):
Als teken van onderwerping wordt aan de mens een wet gegeven. Het verbod
van één boom was een proef van gehoorzaamheid. Zo wilde God van het begin af het
hele menselijke geslacht doen wennen aan de eerbiediging van Zijn Majesteit.
Pas dan is ons leven juist ingericht, wanneer wij God gehoorzamen en
wanneer Zijn wil al onze hartstochten beheerst.
Zodra Adam afvallig werd van God, de Bron van het leven, werd hij
uitgeworpen uit zijn vorige staat, opdat hij zou beseffen dat zijn leven zonder
God ongelukkig en hopeloos is, en niets verschilt van de dood.
De staat van de mens na de zonde wordt niet ten onrechte dood genoemd. De
gebreken en kwalen, zowel van de ziel als van het lichaam, waarmee de mens –
zolang hij op aarde is – bezet is, zijn als een soort voorportaal van de dood,
totdat de dood zelf hem helemaal opslokt.
Over Genesis 2 vers 18 (het is niet goed, dat de mens alleen is):
Dit is een algemene regel van de roeping van de mens en elk moet het
aannemen als tot hem gesproken: dat de eenzaamheid niet goed is, tenzij God
iemand door een bijzonder voorrecht van deze regel uitzondert.
Over Genesis 2 vers 18 (Ik zal voor hem een hulp maken…):
Nu God de vrouw bestemt tot hulp voor de man, schrijft Hij niet alleen aan
vrouwen de regel van hun roeping voor, maar spreekt Hij ook uit dat het huwelijk
voor mannen werkelijk de beste steun in het leven is.
In de vele ongemakken van het huwelijk –die de vruchten zijn van onze
ontaarde natuur– blijft toch nog iets over van het goede dat God daarin heeft
gelegd, en –als in een uitgedoofd vuur- flikkeren toch tot hiertoe nog de
vonken.
Over Genesis 2 vers 22 (En de HEERE God bouwde de rib die Hij van Adam genomen
had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot Adam):
Nu verhaalt Mozes dat van Godswege het huwelijk is ingesteld, wat nuttig is
te weten. Adam nam namelijk niet uit eigen keuze voor zich een vrouw, maar hij
ontving haar van de Heere, alsof ze Hem werd aangeboden en toegevoegd.
Hierin blijkt allerduidelijkst de heiligheid van het huwelijk, omdat wij weten
dat God de Bewerker daarvan is.
Des te meer satan heeft geprobeerd het huwelijk te besmetten, des te meer
moeten wij het van alle smaad en schande bevrijden, opdat het zijn achting
behoudt.
Over Genesis 2 vers 25 (En zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw; en zij
schaamden zich niet):
Een mens kunnen wij niet naakt zien zonder schaamte, maar in de
ongeschonden natuur is niets oneerbaars geweest. Hieruit volgt dat ons
schaamtegevoel aan onze schuld is te wijten.
Over Genesis 3:
Mozes doel was met weinig woorden samen te vatten, hoeveel onze
tegenwoordige toestand verschilt van onze eerste afkomst opdat wij met een
nederige belijdenis van onze schuld ons kwaad zouden leren betreuren.
Over Genesis 3 (“waarom liet God Adam beproefd worden, terwijl de droevige
uitkomst voor Hem niet verborgen was”)
O, dat de mensen zich liever door God zouden laten oordelen, dan dat zij
zich die heiligschennende roekeloosheid zouden aanmatigen om Hem te oordelen.
Het is immers aanmatiging van het vlees, om God te onderwerpen aan ons
onderzoek.
Over Genesis 3 (het kunnen spreken van de slang):
Door iets te doen dat boven het gewone gebruik uitgaat, dwingt God ons tot
bewondering van Zijn macht. Als wij onder dit voorwendsel Gods macht bespotten,
omdat ze ons niet gewoon voorkomt, zijn wij dan niet méér dan onbeschaamd?
Als het ongelooflijk schijnt, dat op Gods bevel dieren gesproken hebben…,
vanwaar komt bij de mens de spraak anders, dan doordat God zijn tong heeft
gevormd? Kortom, iedereen die stelt dat God in de hemel de wereld bestuurt, kan
Hem ook de macht over de dieren niet ontzeggen om naar Zijn goedvinden stomme
dieren te leren spreken, zoals Hij soms sprekende mensen stom maakt.
Over Genesis 3 (Is het ook, dat God gezegd heeft…?):
Zeer gevaarlijk is de verzoeking, als men ons aanraadt, God alleen te
gehoorzamen, voor zover de reden van Zijn bevel ons duidelijk is. De ware regel
van gehoorzaamheid is, dat wij (tevreden met het bevel alleen) geloven dat al
wat Hij beveelt, recht en goed is.
Wie boven de maat wijs wil zijn, die zal de satan -omdat hij alle eerbied
voor God afgeworpen heeft- tot openlijke opstand vervoeren.
Over Genesis 3:4 (“Toen zei de slang tot de vrouw…”):
Door dit voorbeeld moeten wij leren, op onze hoede te zijn tegen satans
verleiding, opdat wij –door bijtijds hem tegen te staan– hem ver van ons
afweren, zodat de nadere toegang voor hem niet openstaat.
Over Genesis 3:5 (“…gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.”):
Aan deze kwaal lijden wij allen nog dagelijks, dat wij meer zoeken te weten
dan terecht is en de Heere toestaat,
terwijl toch het voornaamste punt van wijsheid is: een goed geregelde
bedachtzaamheid om God te gehoorzamen.
Over Genesis 3:6 (“En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze”):
Te voren had zij de boom goed kunnen aanzien, zonder dat enige verlangen
tot eten haar gemoed raakte. Het geloof toch, dat zij bezat in Gods woord, was
de allerbeste bewaker van haar hart en zinnen. Maar nu, nadat het hart van het
geloof en de gehoorzaamheid aan het woord was afgevallen, bederft het tegelijk
alle zinnen, en de verkeerdheid is verspreid door alle delen, zowel van haar
ziel als van haar lichaam.
Dit is dus het teken van de goddeloze afval, dat de vrouw de boom goed
oordeelt tot spijze, dat zij zich begerig vermaakt in zijn aanblik, dat zij zich
wijs maakt, dat hij begeerlijk was, om verstand te bekomen, terwijl zij tevoren
honderden malen met vrije en bedaarde blik hem was voorbijgegaan.
Over Genesis 3:6 (“… en hij at.”):
Nu wordt gevraagd wat van beiden de zonde is geweest. Augustinus zegt, dat
trotsheid het begin is geweest van alle kwaad, en dat het menselijke geslacht
door trotsheid te gronde is gegaan. Vollediger echter kan de bepaling van de
zonde genomen worden uit de aard van de beproeving, zoals Mozes die beschrijft:
vanwege haar ongeloof wordt de vrouw weggetrokken van Gods woord, door de
bedriegerijen van de slang.
Het begin van de verwoesting, waardoor het menselijke geslacht te gronde is
gericht, was afval van Gods heerschappij. Merk echter op, dat de mensen reeds
van God afvielen, toen zij met verlating van Zijn woord, het oor leenden aan
satans leugens.
Nu verstaan wij, dat God wil, dat Zijn woord geëerd en gevreesd wordt; en
dat alle ontzag voor Hem wordt uitgeschud, als Zijn woord wordt veracht.
Over Genesis 3 (de zondeval):
Omdat God Zich niet anders aan de mensen openbaart dan door het Woord,
daarom ook houden Zijn Majesteit en Zijn dienst onder ons niet langer in stand,
dan dat wij Zijn woord gehoorzamen.
Toen God hem in alles vrijliet en hem tot koning der wereld stelde, wilde
Hij in het onthouden van slechts één boom, zijn gehoorzaamheid op de proef
stellen. Deze voorwaarde behaagde de mens niet.
Wij weten dat voor God de zonden niet worden beoordeeld naar haar
uiterlijke schijn, maar naar de inwendige gezindheid.
Geen enkel deel in ons is ongeschonden:
- het verstand is met blindheid geslagen en met ontelbare dwalingen besmet
- alle hartstochten zijn vol van weerspannigheid en verkeerdheid
- óf slechte lusten óf andere niet geringere kwalen heersen daar
- en alle zinnen zijn vol van vele slechte dingen.
Wij zijn beroofd
- van de uitnemende gaven van de Heilige Geest
- van het licht der rede
- van gerechtigheid
- van heiligheid
- en wij zijn tot alle kwaad geneigd.
Omdat de Schrift ons overal aan onze naaktheid en ons gebrek herinnert, en
toeroept dat wij in Christus kunnen terugkrijgen wat wij in Adam verloren
hebben, laten wij daarom, met verwerping van al ons zelfvertrouwen, ons geheel
ledig aan Christus aanbieden, opdat Hij ons vervult met Zijn rijkdommen.
Over Genesis 3:7 (“Toen werden hun beider ogen geopend…”)
Het past ons allen de ogen te openen, opdat wij beschaamd over onze
schande, aan God die eer geven, die Hij verdient.
Over Genesis 3:9 (“En de HEERE God riep Adam”):
Mozes zegt dat Adam door de Heere werd geroepen.Op dezelfde wijze worden
ook wij door Gods stem verschrikt, zodra Zijn wet in onze oren klinkt; maar
spoedig zoeken wij uitvluchten, totdat Hij ons heftiger dringt om als schuldigen
voor Zijn rechtbank te komen.
Over Genesis 3:
Met recht had God ook onverhoord het vonnis kunnen vellen over Adam en Eva.
Waarom anders roept Hij hen dus tot onderzoek, dan omdat Hij hun zaligheid ter
harte neemt? Deze leer moeten wij tot ons nut aanwenden. Om ons te veroordelen
was geen aanklacht en geen plechtige vorm van proces nodig, En daarom, als God
het daarop toelegt, dat Hij ons een schuldbelijdenis ontlokt, handelt Hij meer
als geneesheer dan als rechter.
Over Genesis 3:15 (“Ik zal vijandschap zetten…”):
Zo dikwijls het zien van slangen ons schrik aanjaagt, wordt de herinnering
aan onze val hernieuwd.
Over Genesis 3:15 (“Dat zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen
vermorzelen”):
… opdat zij met grotere schrik voor de zonde vervuld zouden worden, ziende
hoezeer deze God mishaagt, en bovendien daaruit troost in hun ellende zouden
genieten, omdat zij gevoelden dat God hun nog gunstig was.
Opdat God de bezweken harten der mensen zou oprichten, en deze – door
wanhoop neergedrukt – zou doen herleven, was het nodig, dat de overwinning op
satan – door wiens listen zij waren omgekomen – in de toekomst hun werd beloofd.
Dit was toch het enige heilzame geneesmiddel, dat verlorenen kon oprichten en
doden het leven kon terugschenken.
Alle eeuwen door neemt satan kinderen der mensen gevangen naar zijn wil, en
nog heden zet hij die rampzalige triomf voort – daarom wordt hij ook overste der
wereld genoemd (Johannes 12 vers 31).
Maar omdat van de hemel de Sterkere is neergedaald, Die hem overwon, daardoor
komt het, dat de hele kerk van God hem onder haar Hoofd honend uitdaagt.
Daarop ziet ook dit woord van Paulus (Romeinen 16 vers 20: “De Heere zal
welhaast satan onder uw voeten verpletteren”). Met die woorden toont hij aan,
dat de kracht om satan te verpletteren wordt uitgestort op de gelovigen, en dat
de zegen zo aan de hele kerk toekomt.
Over Genesis 3:19 (“In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten”):
Zij die zich rustig aan de moeiten onderwerpen, bewijzen God een
welgevallige gehoorzaamheid, als tenminste met het dragen van het kruis zulk een
kennis van zonden gepaard gaat die hen leert nederig te zijn. Dus, het geloof
alleen brengt dit offer aan God.
Er is niets beter, dan –wakker geschud door de zorgen van het tegenwoordige
leven– onze zonden te betreuren
en verlichting te zoeken in de genade van Christus,die niet alleen de bitterheid
van de smart verzachtmaar ook de lijdensbeker met iets liefelijks vermengt.
Als algemene grondregel moet worden aangenomen,dat alle ellenden waaraan
het menselijke leven onderworpen is, noodzakelijke oefeningen zijn, waardoor God
ons eensdeels uitlokt tot bekering, anderdeels leert nederig te zijn, en ons
voor het vervolg meer op onze hoede doet zijn voor de verleidingen der zonde.
Over Genesis 3:22 (“Toen zei de HEERE God: zie, de mens is geworden als Onzer
een”):
Dit is een verwijt vol ironie, waardoor God het hart van de mens niet
slechts wilde treffen, maar geheel doorboren.En ja, het was een droevig en
afschrikwekkend schouwspel, dat hij, in wie nog onlangs het sieraad van het
Goddelijke beeld schitterde, zich verborg onder stinkende huiden om zijn
schaamte te bedekken, en dat in het dode dier meer sieraad was dan in de levende
mens!
Over Genesis 3:24
Van de boom des levens was de mens uitgesloten, maar een nieuw geneesmiddel
wordt hem aangeboden in de offeranden.
Over Genesis 4:3:
Gehoorzaamheid is de moeder van alle deugden.
Uit het besef en het geloof aan Zijn goedheid alleen, wordt de vrijwillige
godsvrucht geboren.
Over Genesis 4:4 (“…een offer…”):
Wij zien dat God wel de boom des levens hun ontnam, die Hij in het eerst
tot een onderpand van Zijn genade had gegeven,maar op een andere manier toont
Hij toch Zijn gunst.
In het slachten van het vee en het bloedvergieten lag iets bijzonders:zij
moesten daaruit leren zich de dood voor ogen te stellen en toch gelovig te
vertrouwen in God als met hen verzoend.
Over Genesis 4:4 (“En de HEERE zag, Abel en zijn offer aan”):
Hiermee geeft Mozes te kennen dat werken geen genade vinden in Gods ogen,
als niet de persoon die ze verricht, Hem behaagt en in Zijn gunst deelt.
Over Genesis 4:4 (“Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan”):
Hoe zou de walgelijke lucht van het verbrande vet Gods gunst kunnen winnen?
Alleen de offeranden die met de goede reuk van het geloof waren vergoten, hadden
een aangename geur voor de Heere.
Over Genesis 4:7 (“Is er niet, indien gij weldoet, verhoging?”):
Om goed te handelen komt het hoofdzakelijk hierop aan:
- of wij gelovig steunen op de Middelaar Christus, en op de door Hem verworven
verzoening;
- en dat wij oprecht, zonder bedrog, God zoeken te dienen.
Er is een onafscheidelijk verband tussen deze twee vereisten voor
gelovigen, wanneer zij voor Gods aangezicht verschijnen:
- dat alleen de genade van Christus door de uitwissing van hun zonden hen voor
God aangenaam maakt;
- en dat zij de ware reinheid van hart meebrengen.
Over Genesis 4:9 (“de HEERE zei tot Kaïn: Waar is je broer Abel?”):
Zo dikwijls de verborgen prikkeling van het geweten ons onze zonden
verwijt, hebben wij te bedenken dat God met ons spreekt.Want het geweten, dat
ons overtuigt van zonden, is een bijzondere rechtbank van God, waar Hij
rechtszitting houdt.
Over Genesis 4:10 (“er is een stem van het bloed…”):
Uit Kaïns voorbeeld leren wij dat zondaren tevergeefs voorwendsels en
uitvluchten opstapelen, wanneer zij als beschuldigden voor Gods rechterstoel
gedaagd worden.
Over Genesis 4:10 (“daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij
roept van de aardbodem”):
Eerst toont God, dat Hij kennis neemt van de daden der mensen, zelfs al
treedt niemand als aanklager of beschuldiger op. Vervolgens verklaart Hij, dat
het leven der mensen Hem te dierbaar is, dan dat Hij zou toelaten, dat
onschuldig bloed ongestraft wordt vergoten. In de derde plaats blijkt, dat de
vromen Hem ter harte gaan, niet slechts zolang zij leven, maar zelfs na hun
dood.
Aardse rechters houden zich zoveel mogelijk slapend, als geen aanklager hen
wakker schudt,
maar God wordt (ook al zwijgt de verongelijkte) door onrecht zelf tot straffen
gedrongen.
Het is voor de goeden, die onrechtvaardig gekweld worden, een wonderzoete
troost te horen dat hun lijden, dat zij zwijgend ondergaan, vanzelf voor Gods
aangezicht komt om wraak te eisen.
Abel zwijgt, omdat hij is gedood. Na zijn dood roept de stem van het bloed
harder, dan een advocaat met al zijn talent kan doen. Zo is onderdrukking en
stilzwijgen voor God geen hinderpaal om te oordelen over een zaak die de wereld
reeds als afgedaan beschouwt.
Wij putten kracht tot het grootste geduld uit het vernemen van deze
troostgrond als wij horen dat niets van ons recht voorbijgaat, als wij kalm en
rustig van gemoed het onrecht dragen, ja dat God des te meer gereed zal zijn om
ons te wreken, naar mate wij ons geduldiger onderwerpen om alles te dragen.
Het gebeurt vaak dat moordenaars zich verheugen aan de straf te zijn
ontkomen, maar ten slotte toont God, dat het onschuldig bloed niet stom is
geweest, en dat Hij niet te vergeefs gezegd heeft, dat in Zijn ogen de dood der
heiligen dierbaar is. Wat een troost is deze leer voor de gelovigen: zij hoeven
voor hun leven niet al te bezorgd te zijn, nu zij horen dat God daarover de
wacht houdt.
Over Genesis 4:12 (“gij [=Kaïn] zult zwervende en dwalende zijn op aarde”):
Veeleer is dit de droevige staat van Gods kinderen, want zij voelen
allermeest dat zij vreemdelingen zijn op de wereld. Ook Paulus klaagt, dat hij
en zijn medegenoten geen vaste woonplaats hebben, I Korinthiërs 4 vers 11.
Ik antwoord hierop dat Kaïn aan veel zwaarder straf werd onderworpen, namelijk
dat hij geen streek op aarde zou vinden, waar hij niet onrustig en angstig in
het gemoed zou zijn. Want zoals een goed geweten terecht een ijzeren muur wordt
genoemd, zoo ook zullen geen duizend muren, noch evenzovele bolwerken de
goddelozen van onrust bevrijden.
Gelovigen zijn bijwoners op aarde; toch genieten zij een rustige
gastvrijheid. Dikwijls verhuizen zij, door nood gedwongen, naar elders, maar
waarheen de storm hen ook drijft, zij dragen een kalm gemoed met zich mee.
Kortom, gedurig van woonplaats veranderende, wandelen en trekken zij zo door de
wereld, dat zij overal door de onafgebroken steun van Gods hand staande blijven.
Over Genesis 4:14 (“Zie, ik zal zwervende zijn op de aarde”):
Deze bekentenis bewijst dat er voor mensen geen vrede is, als zij niet in
Gods Voorzienigheid rusten en verzekerd zijn dat hun leven Hem ter harte gaat;
dat zij geen enkele weldaad van God rustig genieten, als ze niet geloven dat ze
onder die voorwaarde op aarde geplaatst zijn, om onder Zijn hoede het leven te
genieten.
Calvijn over Genesis 4:14 (“al wie mij vindt, zal mij doodslaan”):
Alleen Gods hand bewaart ons wonderlijk te midden van zoveel gevaren.
Calvijn over Genesis 4:20 (“Jabal is geweest een vader van hen die tenten
bewoonden”):
De uitvinding van kunsten en andere dingen die strekken tot algemeen nut en
gerief van het leven, is een lang niet te versmaden gave van God en een
lofwaardige deugd.
Laten wij de schatten van Zijn genade die God heeft uitgestort over hen (de
mensen in het algemeen), zó bewonderen, dat voor ons veel meer zou zijn de
genade van de wedergeboorte, waardoor Hij Zijn uitverkorenen voor Zich in het
bijzonder heiligt.
Calvijn over Genesis 4:21 (“Jubal was de vader van allen die harpen en orgels
handelen”):
Het genot van muziekinstrumenten moet weliswaar veroordeeld worden, als het
niet met de vreze Gods en het gemeenschappelijk nut van de menselijke
samenleving is verbonden; maar de aard van de muziekkunst is zodanig, dat ze
dienstbaar kan worden gemaakt aan de plichten van de vroomheid, en de mensen van
voordeel kan zijn.
Calvijn over Genesis 5:1 (“Ten dage dat God de mens schiep, maakte Hij hem naar
de gelijkenis van God”):
Mozes herhaalt wat hij vroeger had vermeld, dat Adam naar Gods beeld was
geformeerd, omdat niet genoeg de uitnemendheid en waarde van die genade geroemd
kan worden.
Dat aan de mens de voornaamste plaats werd gegeven onder de schepselen, was
reeds iets groots, maar veel heerlijker nog was deze waardigheid, dat hij zijn
Maker, zoals een zoon zijn vader, door gelijkenis weergaf.
Niet beter had God met hem kunnen handelen, dan door hem Zijn heerlijkheid
in te drukken, opdat hij als het ware het levende beeld van Goddelijke wijsheid
en rechtvaardigheid zou zijn.
Dit is ook van betekenis om de lasteringen van de goddelozen te weerleggen,
die graag de schuld van hun kwaad op hun Maker zouden werpen, als niet duidelijk
was uitgedrukt dat de mens geheel anders van natuur werd geschapen, dan hij nu
door het eigen kwaad van de afvalligheid geworden is.
Calvijn over Genesis 5:24 (“Henoch wandelde met God”):
Ons wordt hier aangetoond hoe we op onze hoede moeten zijn, opdat wij ons
niet laten meevoeren door de verkeerde gewoonten van hen met wie wij omgaan.
Want de algemene gewoonte is een geweldige drang, omdat wij niet alleen ons door
de menigte her- en derwaarts laten meevoeren, maar ook, omdat elk meent, dat wat
eenmaal tot gewoonte is aangenomen, goed en geoorloofd is.
Precies zoals varkens schurft krijgen van de een op de
ander. Geen ergere of gevaarlijker besmetting is er echter, dan die van kwade
voorbeelden.
Hij die zich, met terzijdestelling van Gods Woord, heeft verkocht tot
navolging van de wereld, moet beschouwd worden te leven met de duivel.
Calvijn over Genesis 5:24 (“God nam hem weg”):
Omdat in de wegneming van Henoch een teken werd gegeven van de
onsterfelijkheid, heeft God ongetwijfeld het gemoed der heiligen willen opbeuren
door een zeker vertrouwen voor de ure van hun dood.
Door de troost (van de onsterfelijkheid) heeft Hij de vrees willen
wegnemen, die ze wegens de dood konden hebben, door de wetenschap, dat elders
een beter leven voor hen was weggelegd.
Calvijn over Genesis 6:2 (“Dat Gods zonen de dochters der mensen aanzagen…”):
De zonen van God onderscheidt Mozes van de dochters der mensen, omdat zij
door aanneming zonen van God waren en Hij zelf hen voor Zich had afgezonderd.
Werpt iemand mij tegen, dat zij niet verdienden onder de zonen van God gerekend
te worden, omdat ze schandelijk waren afgeweken van het geloof en de
gehoorzaamheid aan God, dan is de oplossing niet moeilijk te vinden: Als de
Schrift spreekt van “zonen van God”, slaat dit soms op de eeuwige verkiezing,
soms op de uitwendige roeping.
Met deze zo eervolle naam (“Gods zonen”) keurt Mozes in hen de
ondankbaarheid af, dat zij de hemelse Vader hebben verlaten en ontvlucht zijn,
om zich aan ontucht over te geven.
Calvijn over Genesis 6:2 (“Gods zonen zagen de dochters der mensen aan, dat zij
schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen die zij verkozen hadden”):
Deze woorden leren ons, dat in de heilige huwelijke staat matigheid moet
worden betracht, en dat de schending daarvan geen geringe zonde voor Gods
aangezicht is.
Calvijn over Genesis 6:4 (“In die dagen waren er reuzen op de aarde; deze zijn
de geweldigen”):
Zij die weigeren God te gehoorzamen, kunnen zich onmogelijk bescheiden
jegens de mensen gedragen.
Calvijn over Genesis 6:5 (“En de HEERE zag dat de boosheid van de mens
menigvuldig was op de aarde, en dat al het verdichtsel van de gedachten van
zijn hart te allen dage alleen boos was”):
Hoewel Mozes hier spreekt over de boosheid die toen in de wereld
heerste, past het ons toch hieruit een algemene leer af te leiden. Want het
is geen verdraaiing van deze plaats, als men ze laat slaan op het hele
menselijke geslacht. Als David zegt dat allen zijn afgevallen, dat ze onnut
zijn geworden en er niemand is die zich op het goede toelegt, niet tot één
toe, dat hun keel een geopend graf is, dat er geen vreze Gods is voor hun
ogen, Psalm 5 vers 10 en 14 vers 13, beweent hij wel de goddeloosheid van
zijn tijd, maar Paulus aarzelt niet dit in Romeinen 3 vers 12 te laten slaan
op alle stervelingen van alle tijden. En terecht, want dit is niet maar
eenvoudig een klacht over enkele mensen, maar een beschrijving van het
menselijke verstand, als het, ontbloot van Gods Geest, aan zichzelf wordt
overgelaten.
Calvijn over Genesis 6:6 (“Toen berouwde het de HEERE, dat Hij de mens op de
aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart”):
Dat God geen berouw overkomt, blijkt genoeg hieruit dat er niets
onverhoeds gebeurt of onvoorziens. En God treurt niet, maar blijft in Zijn
hemelse rust altijd aan Zichzelf gelijk. Maar omdat men anders niet kan
begrijpen, hoezeer God de zonde haat en verafschuwt, richt de Geest Zich
naar onze bevatting.
Het is duidelijk waarop die woorden ‘berouw’ en ‘smart’ zien, namelijk
dat wij weten dat God de mens nadat hij zozeer bedorven is, niet meer rekent
onder Zijn schepselen; enwel alsof Hij zei: “Dit is niet Mijn werk, dit is
niet de mens die Ik naar Mijn Beeld gevormd, en met zulke uitnemende gaven
versierd heb. Ik acht het beneden Mij, dit ontaarde en nagemaakte schepsel
nog voor het Mijn te erkennen.
Over die droefheid staat aangetekend, dat de vreselijke zonden der
mensen God niet anders kwetsen dan dat zij Zijn hart met dodelijke smart
doorwonden.
Als wij dus God niet willen tergen en bedroeven, moeten wij leren een
afkeer te hebben van de zonde en ze te mijden.
Dat God, om krachtiger in onze harten door te dringen, onze
aandoeningen (namelijk ‘het berouwde’ & ‘het smartte Hem’, WP) overneemt,
moet de lust tot zondigen nog meer in ons ten onder brengen.
Calvijn over Genesis 6:8 (“Noach vond genade in de ogen des HEEREN”):
Hier wordt gezegd, dat Noach aangenaam is geweest voor God, omdat hij
deugdelijk en heilig leefde en zich onthield van de algemene besmetting der
wereld.
Maar vanwaar kreeg hij die oprechtheid, dan doordat Gods genade hem
eerst te beurt was gevallen? Het begin van Gods gunst was dus vrije
barmhartigheid. Eenmaal hem omhelsd hebbende, hield God hem in Zijn hand,
opdat hij niet met de overige wereld te gronde zou gaan.
Calvijn over Genesis 6:9 (“Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn
geslachten”):
Als wij verlangen door God rechtvaardig te worden gekeurd, moeten wij
niet alleen onze handen, en ogen en voeten richten tot de gehoorzaamheid aan
de wet, maar de reinheid van hart wordt daarbij voornamelijk geëist, en bij
de ware bepaling van rechtvaardigheid neemt zij de eerste plaats in beslag.
Laten wij bedenken dat zij rechtvaardig en onberispelijk worden
genoemd, niet die helemaal volmaakt zijn en aan wie niets ontbreekt, maar
die de rechtvaardigheid zuiver en met het hart betrachten.
Wij weten dat God met de Zijnen niet naar het uiterste recht handelt,
en hun leven niet naar de volmaakte eis der wet beoordeelt. Door Zijn
toegevendheid noemt Hij hen rechtvaardigen, als in hen geen huichelarij
heerst, maar de zuivere drang tot het goede in hen werkt en hun harten
beheerst.
Het was een bewonderenswaardig voorbeeld van standvastigheid, dat
Noach –van alle kanten door de stank der misdaden omgeven– daardoor niet
besmet werd.
Wij weten hoe groot de kracht van de gewoonte is, zodat niets
moeilijker is dan heilig te verkeren onder goddelozen, en niet door hun
slechte voorbeelden te worden meegevoerd.
Het grootste deel der mensen maakt uit het algemeen gebruik een wet;
en acht al wat algemeen is aangenomen geoorloofd.
Als tegenwoordig de zeden der mensen bedorven zijn, en de hele manier
van leven zo verkeerd is dat de rechtschapenheid aller-zeldzaamst is, toch
was de verwarring in de tijd van Noach nog afschuwelijker en
verschrikkelijker, die in het dienen van God en het betrachten der
rechtvaardigheid niet één metgezel had.
Als Noach het kon uithouden tegen het bederf van de hele wereld, en
zulke dichte en geweldige aanvallen van onbillijkheid, dan blijft er voor
ons geen enkele verontschuldiging over, als wij niet met dezelfde
zielskracht, ondanks ontelbare hinderpalen van het kwaad, de rechte weg
houden.
Omdat het bederf der zeden op aarde zo groot was, zou Noach, als hij
op mensen had gezien, in de diepe afgrond zijn meegesleurd. Daarom ziet hij
het enige redmiddel hierin, om met voorbijzien van mensen, al zijn zinnen op
God te richten, en Hem te kiezen tot Levensgezel.
Calvijn over Genesis 6:13 (“God zei tot Noach: het einde van alle vlees is
voor Mijn aangezicht gekomen; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven”):
Wij weten dat het ongestraft blijven van de kwaden voor de goeden soms
een verlokking is om ook te zondigen.
De aankondiging van de komende straf moest dus strekken tot beteugeling van
het gemoed van de heilige man (Noach), opdat hij niet door enigszins te
struikelen, eindelijk geheel tot dezelfde goddeloosheid zou vervallen als de
anderen.
God had dit voornamelijk op het oog dat hij (Noach) zich de
verschrikkelijke ondergang van de wereld voortdurend voor ogen zou stellen,
en daardoor meer en meer tot vrees en bezorgdheid zou worden aangespoord.
Noach moest aan alles wanhopen, om zijn redding door het geloof in de
ark te zoeken.
Niemand neemt ooit ernstig de toevlucht tot de barmhartigheid van God,
dan hij die getroffen werd door de bedreigingen van God, en vreest voor het
vonnis van de eeuwige dood.
Calvijn over Genesis 6:18 (“gij zult in de ark gaan”):
Noach werd aangemoedigd God te gehoorzamen, doordat hij steunend op
Zijn belofte, wist dat zijn werk niet te vergeefs zou zijn.
Eerst dán gehoorzamen wij graag de geboden van God, wanneer de belofte
die ons leert dat onze moeite niet te vergeefs zal zijn, daarbij komt.
Laten wij in het oog houden dat het alleen Gods beloften zijn die ons
levend maken en aan elk van onze leden kracht geven om God te gehoorzamen.
Calvijn over Genesis 6:22 (“En Noach deed het; naar al wat God hem geboden
had, zo deed hij”):
Het grootste eerbewijs dat God van ons vraagt is dit, dat wij Hem
toelaten voor ons wijs te zijn.
Dit is het ware bewijs van het geloof, als wij tevreden met enkel een
bevel van Hem, ons tot het werk aangorden, en niet over de afloop gaan
denken, welke hinderpaal Satan ons ook in de weg legt, maar met de vleugels
van het geloof boven de wereld uitstijgen.
Laten wij leren elk soort van hinderpalen te verbreken, en geen plaats
te geven aan verkeerde gedachten, die zich tegen Gods Woord verheffen en
waarmee Satan probeert onze zinnen te verstrikken, opdat wij niet verder
gaan, waarheen God roept.
Daaruit ontstaat allermeest een verschrikkelijke verwarring in ons
leven, dat wij ons niet onvoorwaardelijk geheel aan God kunnen overgeven,
maar dat wij na een zeker gedeelte volbracht te hebben, onze gewaarwordingen
dikwijls gaan vermengen met Zijn woord.
Calvijn over Genesis 7:1 (“… u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn
aangezicht in dit geslacht”):
Werpt iemand mij tegen dat uit deze plaats blijkt, dat God in het
behouden van mensen rekening houdt met de werken, de oplossing ligt voor de
hand, dat dit niet strijdt tegen de aanneming tot kinderen uit vrije genade,
daar Hij de gaven die Hij aan Zijn dienstknechten toevertrouwde, aanneemt.
Ten eerste moet worden opgemerkt dat Hij enkel uit genade de mensen
bemint, omdat Hij niets in hen vindt dan wat Zijn haat verdient, omdat toch
allen worden geboren als kinderen des toorns en erfgenamen der eeuwige
vervloeking. Daarom adopteert Hij hen voor Zich in Christus, en
rechtvaardigt hen enkel uit genade.
Nadat Hij hen zo (zie gisteren) met Zich heeft verzoend, wederbaart
Hij hen ook door Zijn Geest tot een nieuw leven en tot gerechtigheid.
Daaruit vloeien de goede werken voort, die noodzakelijk aan God moeten
behagen. Zo bemint Hij niet slechts de gelovigen, maar ook hun werken.
Er moet worden opgemerkt, omdat altijd enig kwaad kleeft aan onze
werken, dat zij niet kunnen worden goedgekeurd dan met toegevendheid. Daarom
is het de genade van Christus die aan de werken waarde toekent, niet hun
eigen waardigheid of verdienste.
Wij ontkennen niet dat onze werken voor God in aanmerking komen. Zo
bekroont Hij, zoals Augustinus zegt, Zijn eigen gaven.
Calvijn over Genesis 7:8-9 (“Van het reine vee … kwamen er twee en twee tot
Noach in de ark”):
Er moet worden aangenomen dat het geloof van Noach meer kracht heeft
gehad, dan alle strikken en netten om dieren te vangen, en dat het ook de
deur is geweest waardoor leeuwen en wolven en tijgers met koeien en lammeren
zich rustig in de ark begaven.
Dit is de enige manier waarop wij alle moeilijkheden
overwinnen, als wij overtuigd zijn dat, wat ons onmogelijk is, voor God
gemakkelijk is, en uit die hoop kracht putten.
Calvijn over Genesis 7:11 (“… zijn alle fonteinen van de grote afgrond
opengebroken, en de sluizen des hemels geopend”):
Met opzet plaatste Hij ons tussen twee graven, opdat wij niet
zorgeloos Zijn genade, waarvan ons leven afhangt, verachten. Want het
element van het water, dat de geleerden beschouwen als een van de beginselen
van leven, bedreigt ons van boven en van beneden, als het niet door Gods
hand wordt tegengehouden.
Calvijn over Genesis 7:23 (“… Noach alleen bleef over, en wat met hem in de
ark was”):
Zoals Noach Gods belofte opvolgde, en zich verborg met vrouw en
kinderen, om onder een zekere schijn van de dood de dood te ontvluchten, zo
past het ook ons de wereld op te geven en te sterven, opdat de Heere ons
door Zijn Woord levend zou maken, want nergens elders is de bewaring van
onze zaligheid veilig.
Calvijn over Genesis 8:1 (“En God gedacht aan Noach”):
Noach is in de hoop op het hem door God beloofde behoud niet bedrogen.
Wij weten, hoezeer wij gewoon zijn te denken dat God afwezig is, als
wij niet door duidelijke ervaring Zijn aanwezigheid gevoelen.
Hoewel hij de belofte die hij eenmaal aangenomen had, tot het uiterste
toe heeft vastgehouden, moet men toch geloven dat hij ernstig door
verschillende beproevingen geslingerd is geworden. God heeft zo, zonder
twijfel, zijn geloof en lijdzaamheid geoefend.
Laten wij uit dit voorbeeld leren te steunen op Gods Voorzienigheid,
ook al schijnt Hij zeer vergeetachtig te zijn; want ten laatste zal het uit
de betoning van Zijn hulp blijken, dat Hij ons gedachtig is geweest.
En als ons het vlees tot wantrouwen aanspoort, laten wij dan niet aan
de onrust daarvan toegeven; maar zodra deze gedachte ons besluipt, dat God
nalaat voor ons te zorgen, doordat Hij slaapt of ver weg is, laten wij het
dan terstond tegengaan / beantwoorden met dit schild: “De Heere, Die Zijn
hulp beloofd heeft aan ellendigen, zal ons op tijd nabij zijn, zodat wij
metterdaad zullen gevoelen, dat Hij voor ons gezorgd heeft.”
Calvijn over Genesis 8:1 (“En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte,
en aan al het vee dat met hem in de ark was”):
Van geen geringe betekenis is de toevoeging dat God ook aan de dieren
heeft gedacht. Want als Zijn genade zich uitstrekt tot het redelooze vee en
de wilde dieren, ter wille van het heil aan mensen beloofd, hoe liefderijk
zal Hij dan voor Zijn kinderen zijn, aan wie Hij zo vrijwillig en heilig
trouw heeft gezworen?
Calvijn over Genesis 8:15-16 (“Toen sprak God tot Noach, zeggende: ga
uit de ark”):
Het is een heilige vreesachtigheid die uit geloofsgehoorzaamheid
voortkomt. Laten wij het er dus voor houden dat Noach uit heilige
voorzichtigheid niet tot het genieten van de natuur is overgegaan, zolang
niet Gods stem hem daartoe uitnodigde.
Wij zien, dat de heilige man God met een onafgebroken geloof heeft
gehoorzaamd.
Aangezien hij op Gods bevel in de ark was gegaan, bleef hij
daarbinnen, totdat God de deur opende en hij wist, dat zijn vertrek God
aangenaam was.
Ook in kleine dingen raadt de Schrift ons deze gematigdheid aan, dat
wij niets moeten ondernemen, dan met een gerust geweten. Hoeveel te minder
is dan in ernstige zaken de lichtzinnigheid der mensen te verdragen, dat ze
zonder God te raadplegen zich veroorloven te doen, wat hun goeddunkt.
Het is niet te verwachten, dat God door buitengewone openbaringen in
bijzondere ogenblikken zal verklaren, wat er gedaan moet worden, maar toch
moeten wij aan Zijn lippen hangen, om zeker overtuigd te zijn, dat wij met
niets beginnen wat in strijd is met Zijn Woord.
Calvijn over Genesis 8:20 (“En Noach bouwde voor de HEERE een altaar”):
Er waren voortdurend tekenen voor hun ogen nodig om hen eraan te
herinneren, dat er geen omgang met God mogelijk was zonder de Middelaar.
Voor God stinken alle offers die niet met de reuk van het geloof zijn
doortrokken.
Calvijn over Genesis 8:21 (“En de HEERE rook die liefelijke reuk”):
Noach bedoelde niets anders te belijden, dan dat hij zijn leven en dat
van de dieren aan de barmhartigheid Gods alleen had te danken.
Deze vroomheid was als een goede en lieflijke reuk voor
God, zoals men vindt in Psalm 116 vers 12: “Wat zal ik de Heere vergelden
voor alles wat Hij mij heeft bewezen? Ik zal de kelk van het heil opnemen en
de Naam des Heeren aanroepen.”
Calvijn over Genesis 8:21 (“het gedichtsel van ‘s mensen hart is boos van
zijn jeugd aan”):
Niet alleen wordt het vonnis geveld over de bedorven zeden, maar de
slechtheid wordt gezegd aangeboren te zijn, zodat niets dan kwaad opwelt.
Laten de mensen erkennen dat zij, zoals ze uit Adam worden geboren,
een maaksel zijn vol boosheid, en dat zij daardoor alleen verkeerde
gedachten vormen, totdat ze een nieuw werk van Christus worden, en door Zijn
Geest tot een ander leven worden omgezet.
Er is geen twijfel aan, of de Heere bedoelt dat het verstand van de
mens zelf verkeerd en helemaal door het kwade besmet is, zodat alle
gedachten die daaruit te voorschijn komen, slecht zijn.
Calvijn over Genesis 9:2 (“uw vrees en uw verschrikking zij over al het
gedierte der aarde”):
Wij zien wel, dat woeste dieren mensen aanvallen en velen verscheuren
en verslinden (en geen wonder, want als wij brutaal opstaan tegen God,
waarom zouden de dieren niet tegen ons opstaan), maar als God hun woestheid
niet wonderlijk in toom hield, zou het meteen gedaan geweest zijn met het
menselijke geslacht.
Vanwaar komt het dat slangen ons sparen, dan omdat Hij hun giftigheid
bedwingt?
Vanwaar komt het dat tijgers, olifanten, leeuwen, beren, wolven en ontelbare
andere wilde dieren niet al wat mens is, verslinden, verscheuren en
verteren, dan doordat zij door deze onderwerping als door een teugel worden
tegengehouden ? Dat wij dus ongedeerd blijven, hebben wij te danken aan die
bijzondere bescherming en bewaring van God.
Dat ossen gewoonlijk onder het juk gaan, dat de woestheid van paarden
wordt bedwongen, zodat ze berijders toelaten, of gezadeld worden om lasten
te dragen, dat koeien melk verschaffen en zich geduldig laten melken, dat
schapen stil zijn onder de hand van de scheerder, vloeit voort uit die
heerschappij, die (hoewel voor een groot deel verminderd) toch niet geheel
is afgeschaft.
Calvijn over Genesis 9:3 (“Al het kruipende, dat leeft, zal voor u tot
spijze zijn. Ik heb alles u gegeven gelijk de groene plant” – vertaling van
Calvijn):
Wordt dit woord (I Timotheüs 4:4-5 “…alle schepsel Gods is goed, en er
is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde; want het wordt
geheiligd door het Woord van God, en het gebed”) opgeheven, dan zal niemand
met een mondvol brood zijn lichaam voeden en verkwikken, zonder tegelijk
zijn ziel te bezoedelen.
Met dit woord spreekt Hij alle nakomelingen van Noach aan, om Zijn
gunst aan alle eeuwen te bewijzen. Waartoe dient dit anders dan opdat de
gelovigen met kracht zouden opeisen wat zij weten dat van God als Gever hun
toekomt?
Calvijn over Genesis 9:5 (“Voorwaar, uw bloed zal Ik eisen…”):
Dit is een niet gering bewijs van de Goddelijke liefde jegens ons, dat
Hij de bescherming van ons leven op Zich neemt, en verklaart dat Hij onze
dood zal wreken.
Calvijn over Genesis 9:6 (“God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt”):
Mensen zijn, als alleen met hen rekening wordt gehouden, niet waardig
dat God voor hen zorgt, maar omdat zij het Beeld van God dragen, acht Hij
Zichzelf in hun persoon geschonden.
Niemand kan zijn broeders onrecht aandoen zonder God Zelf te
beledigen. En als dit nauwkeurig in ons gemoed ingeprent was, zouden wij
veel trager zijn in het aandoen van onrecht.
Calvijn over Genesis 9:9 (“Ik, zie Ik richt Mijn verbond op met u en met uw
zaad na u”):
Als wij bedenken, hoe groot de geneigdheid van het menselijke geslacht
is tot wantrouwen, zullen wij dit getuigenis niet overbodig achten.
Omdat heden de goddeloosheid niet minder overloopt dan ten tijde van
Noach, is het meer dan noodzakelijk dat door dit woord van God als door
duizend sloten en grendels, de wateren worden tegengehouden, om niet tot ons
verderf los te breken.
Een teken wordt er bij gevoegd om de belofte te verzegelen, waarin de
bewonderenswaardige toegevendheid van God schittert Die – om bij ons een
vast geloof aan Zijn Woord staande te houden – er geen bezwaar tegen heeft
zulke hulpmiddelen te gebruiken.
Vanaf het begin is het aan de sacramenten eigen geweest dat ze
strekken tot versterking van het geloof. Want in het verbond ligt immers de
belofte opgesloten waaraan het geloof moet beantwoorden.
Calvijn over Genesis 9:12 (“En God zei: dit is het teken van het verbond dat
Ik geef tussen Mij en u”):
Sommigen vinden het dwaas, dat het geloof door zulke hulpmiddelen
wordt gesteund. Maar die zo spreken, overwegen niet hoe groot de onkunde en
de stompzinnigheid van ons verstand is.
Het is alleen Gods werk het geloof te verwekken en te volmaken, en in
het bepalen van de middelen daartoe heeft Hij de vrije keus.
Calvijn over Genesis 9:14 (“als Ik wolken over de aarde breng, zal deze boog
gezien worden in de wolken”):
Dit is de zin van deze woorden “als Ik wolken over de aarde breng, zal
deze boog gezien worden in de wolken”: ‘Zo dikwijls de regen u zal
verschrikken, aanschouw dan Mijn boog. Want hoewel hij de regen schijnt te
dwingen de wereld te verzwelgen, voor u zal hij het bewijs zijn van
aanstaande droogte. Dan past het u vaster te vertrouwen dan bij een heldere
en onbewolkte lucht.’
Calvijn over Genesis 9:21 (“En hij dronk van de wijn en werd dronken; en
ontblootte zich in het midden van zijn tent”):
Uit Noachs dronkenschap hebben we te leren, wat voor slechte en
afschuwelijke zaak dronkenschap is. De heilige aartsvader – een in het oog
vallend voorbeeld van soberheid en matigheid – vergeet op een schandelijke
en schaamteloze manier zichzelf en werpt zich naakt ter aarde, zodat hij tot
een schouwspel voor allen strekt.
Met hoe grote ijver hebben wij dus de matigheid te betrachten, opdat
ons niets dergelijks of iets ergers overkomt!
Calvijn over Genesis 9:22 (“Cham zag de schaamte van zijn vader en gaf het
aan zijn beide broeders buiten te kennen”):
Liefde jegens ouders, is de moeder van alle deugden.
Acht zielen had God uitgekozen als een heilig en van alle smet
gereinigd zaad, tot vernieuwing van Zijn kerk, maar Noachs zonde toont hoe
nodig de mensen met een teugel door God moeten worden ingetoomd, hoezeer zij
ook uitmunten in deugd.
Chams goddeloosheid toont ons hoe diep de wortel van het kwaad in de
mensen ligt, zodat ze voortdurend weer uitspruit, behalve waar de kracht van
de Geest sterker is.
Als nu in de heilige schuilplaats van God (de ark) onder zo weinigen
een duivel is bewaard gebleven, laten wij er ons dan niet over verwonderen
dat nu in de kerk (waar de schare van mensen veel groter is) de slechten met
de goeden vermengd zijn.
Onbeschaamde mensen grijpen gewoonlijk ergernissen (ergerlijke zonden
in anderen) aan om daarmee (voor zichzelf) de vrijheid tot zondigen te
verdedigen.
Calvijn over Genesis 9:23 (“Toen namen Sem en Jafeth een kleed, en zij
legden het op hun schouders…”):
Als de liefde jegens onze aardse vader zo’n uitnemende en lofwaardige
deugd was, met hoeveel grotere liefdesijver moet dan de heilige Majesteit
Gods worden geëerd?
Calvijn over Genesis 9:24 (“En Noach ontwaakte van zijn wijn…”):
Hij had in stilte voor God zijn zonde moeten betreuren en ook door
schaamte voor de mensen van zijn berouw getuigenis moeten afleggen.
De Heere wilde ons vermanen dat de standvastigheid van het geloof
bewaard moet worden, zelfs als wij hen zien bezwijken die met ons verbonden
waren; en dat wij niet moeten bezwijken.
Uit de zwaarte van de straf moet men opmaken hoe afschuwelijk voor God
het verachten van onze ouders is, omdat dit de heilige orde van de natuur
omkeert en Gods Majesteit en gezag aanrandt in de persoon van hen die Hij
beval in Zijn plaats de leiding te hebben.
Calvijn over Genesis 9:25 (“En hij zei: “Vervloekt zij Kanaän…”):
Het is niet in overeenstemming met Gods rechtvaardigheid de misdaden
van ouders op hun kinderen te leggen.
Allen die Hij van Zijn Geest heeft beroofd, zijn aan Zijn toorn
onderworpen.
Laten wij bedenken dat Gods oordelen niet tevergeefs een diepe afgrond
worden genoemd en dat het beneden Gods waardigheid is (aangezien wij allen
eenmaal voor Zijn rechterstoel moeten staan) om aan onze oordelen of liever
aan onze lichtzinnigheid onderworpen te zijn.
Hij kiest uit wie Hij wil, om in hen een bewijs van genade en
vriendelijkheid te geven; anderen bestemt Hij tot het tegenovergestelde
doel, om bewijzen te zijn van Zijn toorn en strengheid.
Hoewel het menselijke verstand hier niet kan indringen, moet ieder van
ons (in het bewustzijn van zijn zwakheid) leren om liever aan God de lof van
rechtvaardigheid toe te kennen, dan zich door dwaze overmoed in een diepe
afgrond te storten.
Door de woorden van de Schrift wordt aan God niet de wet
voorgeschreven, die Hij niet mag overschrijden, als zou Hij niet vrij zijn
in het straffen van misdaden aan meer dan vier geslachten.
In het oog moet worden gehouden de verhouding tussen straffen en
genade, waaruit wij leren dat God zó een rechtvaardige Wreker van misdaden
is, dat Hij toch méér geneigd is tot goedertierenheid.
Calvijn over Genesis 9:25 (“En hij zei: “Vervloekt zij Kanaän, een knecht
der knechten zij hij voor zijn broeders”):
Gods oordelen zijn niet altijd zichtbaar voor ons, en worden door het
vleselijke verstand niet altijd verstaan.
Calvijn over Genesis 9:27 (“God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems
tenten!”):
Dit is een niet gewone steun voor ons geloof, dat de roeping
der heidenen niet slechts in de eeuwige Raad van God is besloten, maar ook
openlijk door de mond van de aartsvader is uitgesproken.
De uitdrukking ‘Japheth zal wonen in Sems tenten’ prijst ons de
onderlinge gemeenschap aan, die er tussen gelovigen moet zijn en onderhouden
moet worden.
Calvijn over Genesis 10:1 (“Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen…”):
Vreselijk is de ondankbaarheid geweest van hen die – toen zij van hun
vaders en grootvaders hoorden hoe wonderlijk in korte tijd de vernieuwing der
wereld had plaats gevonden – toch zo maar de genade van God en de behoudenis
zijn vergeten.
Omdat de goddeloze vergeetachtigheid van de mensen Gods oordeel en
barmhartigheid met een nevel bedekte, stond de deur open voor satans leugens.
Wonderlijk heeft Gods goedheid gewedijverd met de slechtheid der mensen,
dat aan zulke ondankbaren, woesten en onbeschaafden het leven nog werd verlengd.
Het zou goed zijn om in de geschiedenis van die dingen die Noach niet dan
met grote verwondering met zijn eigen ogen heeft gezien, God te aanschouwen,
Zijn kracht te bewonderen, Zijn goedheid te prijzen en Zijn hand te erkennen,
vol verborgenheden niet minder in het herstellen dan in het scheppen van de
wereld!
De kerk werd in een onaanzienlijk bedelaarskleed, als het ware over de
grond kruipende, van Godswege gespaard, totdat Hij te zijner tijd het Hoofd
openbaarde.
Calvijn over Genesis 11:4 (“En zij zeiden: laat ons een naam voor ons maken”):
Eerzucht is niet alleen onrecht voor mensen, maar ook driestheid tegen
God. Zodra stervelingen zichzelf vergeten en zich hoger verheffen dan hun past,
is het zeker, dat zij strijd voeren tegen God. Het kan niet anders, of elk die zijn perken overschrijdt, valt
rechtstreeks God aan. De opeenvolging van strijd moet ons niet ontmoedigen. De eenheid van taal had onder hen samenstemming in de liefde moeten aankweken,
maar nadat deze schare zich van de zuivere dienst van God en van de heilige
vergadering der gelovigen had vervreemd, groeit zij aan om oorlog tegen God te
verwekken.
Calvijn over Genesis 11:3 (“En zij zeiden een ieder tot zijn naaste: “Kom aan,
laat ons tichels strijken, en wel doorbranden! En de tichel was hun voor steen,
en het lijm was hun voor leem”):
Vaak houdt de moeilijkheid ons van noodzakelijke arbeid af; maar zij missen
stenen en kalk en aarzelen toch niet een gebouw te beginnen dat boven de wolken
uitsteekt.
Wij leren uit dit voorbeeld, hoever de begeerte van mensen gaat, als zij eenmaal
aan hun eerzucht toegeven.
Calvijn over Genesis 11:4 (“Zij zeiden: “Kom aan, laat ons een naam voor ons
maken”):
Dit is de voortdurende razernij van de wereld, dat terwijl men de hemel veracht,
men de onsterfelijkheid op aarde zoekt, waar alles bouwvallig en vergankelijk
is.
Uit dit voorbeeld leren wij hoezeer het ons past nederig te leven en te sterven.
Het getuigt niet van ware wijsheid, als midden in het leven de dood ons voor
ogen moet komen om ons aan matigheid te gewennen.
Als iemand verlangt groot te zijn op aarde, waar hij onder de mensen beledigend
was, zal zijn onheilige overmoed eindelijk tegen God Zelf uitbreken, zodat hij
de hemel gaat bestormen.
Calvijn over Genesis 11:6 (“Zie, zij zijn enerlei volk…”):
Hij verwaarloost de menselijke zaken niet: niet alleen waakt Hij over het heil
van de gelovigen, maar even goed let Hij op de slechtheid van de goddelozen.
Calvijn over Genesis 11:7 (“Kom aan, laat Ons nederdalen…”):
Tenzij de zegen des Heeren met ons is, waardoor alleen een goede uitslag te
verwachten is, moet al wat wij ondernemen noodzakelijk verdwijnen.
Omdat God zegt, dat Hij zich altijd zal verzetten tegen de onmatige brutaliteit
van mensen, zal alles, wat wij tegen Zijn wil ondernemen, slecht aflopen, ook al
bieden alle schepselen van boven en van beneden ons om strijd hun hulp aan.
Hoewel de wereld nog heden ten dage deze vervloeking draagt, toch blinkt te
midden van straf en schrikwekkende blijk van Gods toorn tegen de trotsheid van
de mensen de wonderlijke goedheid van God uit, dat de volken over en weer,
ondanks verschillende talen, met elkaar omgang kunnen hebben vooral hierin, dat Hij het ene evangelie in alle talen heeft bekend gemaakt
door de hele wereld, en de apostelen met de gave der talen heeft toegerust.
Daardoor is het gekomen, dat zij, die tevoren jammerlijk verdeeld waren, in
eenheid van geloof samensmolten.
In deze zin zegt Jesaja (hoofdstuk 19 vers 18) dat Kanaän onder Christus’
regering een voor allen gemeenschappelijke taal zal bezitten, omdat, al
verschillen zij in klank van de spraak, zij toch één en hetzelfde zeggen,
wanneer zij roepen: “Abba, Vader”.
Calvijn over Genesis 12:1 (“De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw
land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u
wijzen zal”):
Deze roeping van Abram is een opmerkelijk voorbeeld van de genadige
ontferming van God. Of was Abram door enige verdienste van goede werken God
voorgekomen? Was hij tot Hem gegaan? Had hij Hem gunstig gestemd?
God strekt uit eigen beweging de hand naar hem uit om de dwalende terug te
brengen.
Hij verwaardigt Zich Zijn heilige mond te openen, om de door satans listen
bedrogene de weg der zaligheid te openbaren.
Het is wonderlijk dat de diep ellendige man boven zoveel heilige dienaren
van God wordt voorgetrokken, zodat bij hem het verbond des levens bewaard
zou blijven, in hem de kerk zou worden verlevendigd, en hij gesteld zou
worden tot een vader van alle gelovigen.
… dit is opzettelijk gebeurd, opdat in zijn persoon de genade van God te
meer verheerlijkt zou worden.
Hij is een voorbeeld van de roeping van ons allen: in hem zien wij dat de dingen
die niet zijn, enkel door Gods barmhartigheid uit niets te voorschijn worden
geroepen, opdat ze iets beginnen te zijn.
Velen zien wij voor korte tijd ontvlammen, die later weer bekoelen. Hoe komt dit
anders, dan doordat zij bouwen zonder fundament? Daarom wilde God nauwkeurig
alle zinnen van Abram beproeven, opdat hij niet zo maar of ondoordacht iets zou
ondernemen, en terstond met berouw het zeil zou laten zakken en zich zou
terugtrekken.
Als wij standvastig God willen volgen, past het ons, alle lasten die ons
bijblijven, alle moeilijkheden en alle gevaren zorgvuldig te overwegen, opdat
wij niet slechts uit een plotselinge opwelling bloesems voortbrengen, maar uit
een diepe en vaste wortel vruchten van geloof gedurende ons hele leven
voortbrengen.
Waarom zou God niet meteen het land aanwijzen, dan omdat Hij, Zijn knecht in
onzekerheid latend, hem des te beter zou toetsen of hij werkelijk gehecht was
aan Zijn woord.
Hij zegt als het ware: “Ik beveel je blindelings uit te gaan, en ik verbied je
te vragen, waarheen Ik je zal leiden, totdat je – je vaderland verloochenend –
je helemaal aan Mij zult hebben overgegeven.”
Dit is het rechte bewijs van onze gehoorzaamheid, als wij niet eigenwijs zijn,
maar ons aan de Heere toevertrouwen.
Zo dikwijls Hij iets van ons eist, past het ons niet bekommerd te zijn over de
uitslag, want dan doen vrees en zorg ons vertragen.
Blindelings God als Leidsman te volgen is beter dan, steunend op eigen wijsheid,
rond te dwalen langs de kromme wegen die zij voor ons uitdenkt.
Het is voldoende dat Abram zich metterdaad gehoorzaam aan God betoond heeft,
toen hij zijn zorgen aan Gods voorzienigheid toevertrouwde, en als het ware, al
wat hem kon doen dwalen, aan Zijn boezem ontlastte.
Calvijn over Genesis 12:1 (“… naar het land dat Ik u wijzen zal”):
Abram, Izak en Jacob zijn in dat land vreemdelingen geweest, en hebben door het
geloof de Goddelijke belofte aangaande het bezit daarvan omhelsd.
Calvijn over Genesis 12:2 (“En Ik zal u tot een groot volk maken”):
Aangezien wij traag zijn om te gehoorzamen, zou God te vergeefs bevelen, tenzij
Hij ons tegelijk aanmoedigde door het onderpand van Zijn genade en zegen er bij
te voegen.
Het geloof staat niet vast, als het niet gegrond is op Gods beloften.
Alleen het geloof verwekt gehoorzaamheid.
De belofte op zichzelf zou zonder uitwerking geweest zijn, als Abram niet geheel
aan Gods lippen had gehangen.
Calvijn over Genesis 12:2 (“… en Ik zal u zegenen”):
Opdat Abram niet zou wanhopen, stelt God hem Zijn zegen voor ogen, die door een
wonder meer kan doen, dan men volgens de loop der natuur in anderen ziet
gebeuren.
“Mijn genade zal niet bij u alleen blijven dat u alleen die zult genieten, maar
zij zal zich over alle volken uitstorten.”
Calvijn over Genesis 12:3 (“En Ik zal zegenen die u zegenen, en vervloeken die u
vloekt”):
Hier komt de wonderlijke goedheid van God te voorschijn, omdat Hij
vriendschappelijk een overeenkomst aangaat met Abram, zoals mensen gewoonlijk
aangaan met bondgenoten en huns gelijken.
Dit is een onschatbaar bewijs van bijzondere liefde, dat God Zich om ons zo diep
vernedert.
Men kan dus besluiten tot de algemene leer dat God ons zo liefheeft, dat Hij
onze vrienden zal zegenen en op onze vijanden wraak zal nemen.
Hoezeer Gods kinderen ook vrede zoeken, toch zal het hun nooit aan vijanden
ontbreken.
Er is geen reden waarom de ondankbaarheid van de wereld ons zou ontmoedigen, als
velen ons van zelf vijandig zijn, en (door geen enkel onrecht daartoe uitgelokt)
ons proberen te benadelen.
Laten wij met deze ene troost tevreden zijn, dat God gemeenschappelijk met ons
de strijd aanvat.
God spoort hier de Zijnen aan om trouw en menslievendheid te betonen aan alle
goeden, en anderzijds, om zich van alle onrecht te onthouden.
Dit is geen gewone prikkel om de gelovigen te steunen, als wij hun enige dienst
bewijzen, dat God die vergoedt.
Niet minder moet het ons afschrikken dat Hij ons de oorlog verklaart, als wij
één van de Zijnen beledigen.
Calvijn over Genesis 12:3 (“…en in u zullen alle geslachten des aardrijks
gezegend worden”):
Aangezien wij allen vervloekt geboren worden sinds de eerste mens van God is
afgevallen, wordt ons hier een nieuw geneesmiddel aangeboden.
Het genadeverbond, dat God met Abram sloot, is niet vast of hecht, dan allen
in Christus.
Calvijn over Genesis 12:4 (“En Abram trok heen, zoals de HEERE tot hem
gesproken had”):
Hier wordt ons in één woord de regel voorgeschreven waarnaar wij ons hele
leven hebben in te richten, namelijk dat wij niets beginnen, dan op Gods
bevel.
Ons leven zal eerst dan goed ingericht zijn, als wij ons door Gods Woord
laten leiden, en niets ondernemen, dan op Zijn Woord.
Abrams roeping is een algemeen voorbeeld van het leven van alle gelovigen.
Wel krijgen wij niet allen het bevel om ons vaderland te verlaten, maar God
wil dat allen gemeenschappelijk zich onder Zijn Woord zullen buigen en uit
Zijn mond hun leefregel zullen ontvangen, opdat zij niet door hun eigen wil
of menselijk welgevallen omgevoerd worden.
Uit Abrams voorbeeld leren wij dus onze absolute zelfverloochening, opdat
wij alleen voor God zouden leven en sterven.
Calvijn over Genesis 12:5 (“En Abram nam … de zielen die zij verkregen
hadden in Haran”):
Dit is zeker, dat door slavernij de orde van de natuur vreselijk geweld is
aangedaan, omdat daarom de mensen geschapen waren om onderling gemeenschap
te onderhouden.
Calvijn over Genesis 12:7 (“En de HEERE verscheen aan Abram, en zei: aan uw
zaad zal Ik dit land geven”):
Op te merken is met welk soort van hulp God hem in zijn beproevingen te hulp
komt. Hij schenkt hem alleen een woord, en wel zo’n woord dat Abram kon
menen dat hij bespot werd. Hij spreekt uit, dat Hij aan zijn zaad dat land
zou geven. Maar waar was dat zaad, of hoop op zaad, aangezien hij een
kinderloze grijsaard was en een onvruchtbare vrouw had? Deze troost was dus
voor het vlees ongenietbaar.
Maar het geloof had een andere smaak, want het heeft de eigenschap om alle
zinnen der vromen gevangen te leggen onder de gehoorzaamheid aan het Woord,
opdat één belofte van God voldoende is.
Laten wij leren dat in tegenspoed dit ene geneesmiddel ons genoeg moet zijn,
dat God ons toespreekt door Zijn Woord, opdat ons verstand gevoelt dat Hij
ons gunstig is, en dat aan de onbeschaamde wensen van ons vlees niet de
vrije teugel mag worden gevierd.
Calvijn over Genesis 12:7 (“Toen bouwde hij daar een altaar voor de HEERE,
Die hem verschenen was”):
Vraagt iemand, of Abram niet zonder altaar God kon dienen, dan antwoord ik,
dat de inwendige dienst van ons hart niet genoeg is, als niet de uitwendige
belijdenis voor de mensen er bij komt.
Wij zijn geschapen met dit doel, dat wij ziel en lichaam aan God aanbieden.
God wilde dat het van het begin af voor het menselijke geslacht vast zou
staan, dat men zonder offer niet tot Hem kan naderen.
Wij weten dat God nooit door dierenbloed verzoend was. Daaruit volgt, dat
Abrams geloof op Christus gericht was.
Het bijgeloof stelt zich God voor, zoals het graag wil, maar Abrams vroomheid
wordt geprezen, dat hij die God Die aan hem was geopenbaard, door het oprichten
van een altaar diende.
Calvijn over Genesis 12:8 (“En hij brak op van daar …”):
Wanneer Christus voor ons de hemel heeft geopend, en ons daarheen dagelijks
openlijk tot Zich nodigt, moet het niet onbillijk worden geacht, als Hij wil dat
wij vreemdelingen op de wereld zijn.
Calvijn over Genesis 12:8 (“En hij bouwde daar voor de HEERE een altaar, en riep
de Naam des HEEREN aan”):
Het is waarschijnlijk dat geen geringe haat tegen hem is ontstaan, omdat er
niets is dat goddelozen meer kwelt dan een andere godsdienst, waardoor zij
wegens blindheid geheel worden veroordeeld.
Calvijn over Genesis 12:10 (“En er was honger in dat land”):
Men moet in aanmerking nemen dat Chaldaea bovenmate vruchtbaar was. Gewend aan
overvloed komt hij dus te Haran, waar men vermoedt dat hij goed heeft kunnen
leven, omdat hij daar in slaven en vermogen is toegenomen. Nu wordt hij door
hongersnood verdreven uit dat land waar hij, steunende op het woord van God,
zich een leven had voorgesteld, gelukkig en vol van alle goeds. Wat moest hij
daarvan wel denken, als hij niet goed gewapend was tegen satans aanslagen? Wel
honderdmaal zou zijn geloof zijn uitgewist.
Wij weten, zo dikwijls de zaken niet naar wens gelukken, dat plotseling deze
deun door het vlees ons wordt voorgepraat: “God heeft je bedrogen.”
Laten wij bedenken, omdat de staat van het tegenwoordige leven onstandvastig en
aan ontelbare veranderingen onderhevig is, dat, al komen hongersnood en
oorlogsgevaar en andere wisselvalligheden plotseling tegen onze verwachting op
om ons in de engte te drijven, toch het rechte pad moeten worden gehouden, en
dat, al worden onze lichamen her- en derwaarts geslingerd, toch het geloof
onbewogen moet blijven staan.
Calvijn over Genesis 12:11 (“En het geschiedde, toen hij naderde om in Egypte te
komen, dat hij zei tot Saraï, zijn vrouw: zie toch, ik weet, dat gij een vrouw
zijt, schoon van aangezicht”):
Wanneer hij over zijn leven bekommerd was geweest, wat terecht zou zijn, had hij
zijn zorg op God moeten wentelen.
Ik stem toe dat Gods voorzienigheid voor de gelovigen geen verhindering is, om
voor zichzelf te zorgen, maar dan moet dat zo gebeuren, dat zij de
voorgeschreven grenzen niet overschrijden.
Door dit voorbeeld worden wij vermaand om in ingewikkelde en twijfelachtige
zaken van de Heere de geest van verstand en wijsheid te vragen, en tegelijk om
ons kalm te houden en niet lichtzinnig iets buiten Zijn Woord te ondernemen.
Het dagelijks leven leert ons dat zij die niet tevreden zijn met een gewoon en
middelmatig uiterlijk, vaak tot hun schade moeten voelen, hoe duur onmatige
schoonheid hun te staan komt.
Calvijn over Genesis 12:12 (“En het zal geschieden, wanneer de Egyptenaars u
zullen zien, zullen zij zeggen…”):
God beveelt ons zó ons te onthouden van kwade en ongunstige oordelen, dat Hij
ons toch toestaat voor onbekende mensen op onze hoede te zijn.
Calvijn over Genesis 12:15 (“Ook zagen de vorsten van Farao haar, en prezen haar
bij Farao”):
Abram heeft gezondigd door al te zeer en ontijdig bezorgd te zijn, omdat hij
zich aan Gods genade niet had overgegeven, noch de eerbaarheid van zijn vrouw
aan Gods trouw en hoede had aanbevolen.
Calvijn over Genesis 12:17 (“Maar de HEERE plaagde Farao met grote plagen, ook
zijn huis, ter oorzake van Saraï, Abrams vrouw”):
Hier hebben wij een in het oog vallend bewijs, hoe trouw God zorgt voor Zijn
knechten, omdat Hij de bescherming op Zich neemt van een verachte en
onaanzienlijke vreemdeling tegen de machtigste koning.
Laten wij, uit zulke voorbeelden geleerd, bedenken dat wij, al zijn wij om ons
kleine aantal en zwakheid in minachting voor het oog van de wereld, toch
dierbaar zijn voor God, zodat Hij om ons de oorlog verklaart aan koningen en de
hele wereld.
Laten wij bedenken dat wij door Zijn hulp worden beschermd, zodat de wellust en
het geweld van hen die meer kunnen dan wij, ons niet kunnen onderdrukken.
De daden der mensen moeten niet altijd afgemeten worden naar ons oordeel, maar
moeten liever in de weegschaal van God worden gewogen.
Het gebeurt vaak dat de Heere iets in ons vindt, dat terecht straf verdient,
terwijl wij onszelf buiten gevaar achten, en onszelf van alle schuld
vrijpleiten.
Dat Hij Zijn knecht Abram spaarde, moet worden toegeschreven aan Zijn Vaderlijke
toegevendheid.
Calvijn over Genesis 13:2 (“En Abram was zeer rijk”):
Wij weten hoezeer zelfs matige geldmiddelen velen verhinderen, het hoofd naar de
hemel op te heffen.
Veel fanatici sluiten de rijken uit van de hoop op de zaligheid, alsof armoede
alleen de poort tot de hemel is. Maar zij brengt soms mensen in meer
moeilijkheden dan rijkdom.
Anderzijds moet men zich wachten voor een ander kwaad: dat de rijkdommen ons
geen hinderpaal in de weg werpen, of ons verhinderen onbezorgd naar het
koninkrijk der hemelen te staan.
Calvijn over Genesis 13:5-6 (“En Lot had ook schapen… En dat land droeg hen niet
om samen te wonen”):
Het gevaar bestond dat Abram zich door zijn bezittingen te veel op zijn gemak
zou voelen; zoals voorspoed de meeste mensen verblindt.
God tempert dus de zoetheid van zijn schatten als door iets zuurs en Hij staat
niet toe dat het gemoed van Zijn knecht door die zoetheid al te zeer wordt
betoverd.
Wanneer verkeerde gedachten ons aanzetten tot het najagen van overbodige
schatten, omdat wij niet voelen hoeveel nadeel zij met zich brengen, moge de
herinnering aan deze geschiedenis strekken om die onmatige liefde in ons te
verminderen.
Zo dikwijls rijken enige onaangenaamheid voelen door hun overvloed, laten zij
dan leren hun gemoed door dit geneesmiddel (de herinnering aan deze
geschiedenis) te zuiveren; opdat zij zich aan hun eigendommen niet al te zeer
hechten.
Laten we, als we in de engte worden gebracht, bedenken dat God door dit middel
de verborgen kwalen van ons vlees geneest.
Laten zij die overvloed hebben, bedenken dat zij door doornen worden omgeven, en
laten zij oppassen dat zij niet worden gestoken.
Laten zij van wie de middelen ingekrompen en zeer beperkt zijn, bedenken dat van
Godswege voor hen wordt gezorgd dat zij niet in boze en schadelijke strikken
verward raken.
Calvijn over Genesis 13:7 (“En er was twist tussen de herders van Abrams vee en
de herders van Lots vee”):
Als wij ook maar enigermate bekommert zijn om het geluk van ons en van de
broeders, moeten wij oppassen voor twisten, die satan macht geven om ons te
verderven.
Calvijn over Genesis 13:8 (“En Abram zei tegen Lot: “Laat er toch geen twist
zijn tussen mij en u, en tussen mijn herders en uw herders; want wij zijn mannen
broeders”):
Als de vreze Gods niet zoveel invloed op ons heeft als wel behoort, is het
nuttig andere hulpmiddelen bijeen te brengen om ons bij onze plicht te houden.
Wanneer we nu allen met deze bepaling tot Gods kinderen zijn aangenomen, dat wij
broeders onder elkaar zouden zijn, dan is deze heilige band bij ons geringer dan
behoort, tenzij hij genoeg is om twisten te doen bedaren.
Calvijn over Genesis 13:9 (“Is niet het hele land voor uw aangezicht? Scheid u
toch van mij; als gij de linkerhand kiest, zal ik ter rechterhand gaan; en als
gij de rechterhand kiest, zal ik ter linkerhand gaan”):
Zoals de moeder van alle twisten eerzucht is, dat is de begeerte en zucht om te
overwinnen, zo is het beste geneesmiddel om alle bitterheid weg te nemen, dat
elk vredelievend en gematigd iets van zijn recht laat vallen.
Calvijn over Genesis 13:10-11 (“En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de hele
vlakte der Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde… Zo koos Lot voor zich de
hele vlakte der Jordaan”):
Het spreekt vanzelf, dat elk die te veel bedacht is op eigen voordeel,
noodzakelijk onvriendelijk moet zijn tegenover anderen.
Calvijn over Genesis 13:13 (“De mannen van Sodom waren grote zondaars tegen de
HEERE”):
Als men rekent met de rechterstoel van God, moet alle mond gestopt worden, en
ligt de hele wereld voor God verdoemelijk.
Calvijn over Genesis 13:14 (“En de HEERE zei tot Abram, nadat Lot van hem
gescheiden was…”):
Het beste geneesmiddel om droefheid te verzachten of te genezen ligt in het
Woord van God.
God maakt op dit ogenblik Zijn belofte tot een geneesmiddel voor de aanwezige
droefheid.
Calvijn over Genesis 13:15 (“Al dit land dat gij ziet, zal Ik aan u geven, en
aan uw zaad, tot in eeuwigheid”):
De verandering die Christus heeft aangebracht, was geen afschaffing van de oude
beloften maar veeleer de bevestiging daarvan.
Calvijn over Genesis 13:16 (“Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde”):
We zien dat God hem steeds staande hield door Zijn woord en wilde, dat hij
alleen van Hem zou afhangen.
Dit recht eist de Heere voor Zich en wil Hij aan Zijn woord toegekend hebben,
dat het ons alleen voldoende is.
Calvijn over Genesis 13:17 (“Maak u op, wandel door dit land, in zijn lengte en
in zijn breedte; want Ik zal het u geven”):
Dit schijnt nog belachelijker: dat God Abram beveelt om te zwerven, totdat hij
het hele land heeft rond gereisd. Want waartoe diende dit anders, dan om beter
te verstaan dat hij een bijwoner was, en opdat hij door onophoudelijke onrust
tevergeefs uitgeput, aan een vast en bepaald bezit zou wanhopen?
Hoe kan Abram zich ervan overtuigen dat hij de heer is van dat land waar hij
amper water mag drinken, hoewel hij met grote moeite putten heeft gegraven?
Dit zijn oefeningen van het geloof, dat hij in het Woord de dingen aanschouwt
die nog ver zijn en voor de vleselijke waarneming verborgen zijn.
Het geloof is het zien van dingen die afwezig zijn, en heeft het woord als een
spiegel waarin het de genade Gods ziet besloten.
Laten wij leren, zó de aarde te doorwandelen, dat wij van alle rust verstoken
slechts een enige toevlucht overhouden in de wachttoren van het woord.
Tegenwoordig is de toestand van de vromen niet anders; want al zijn zij door
allen gehaat en gaan zij onder verachting en schande gebogen; al zwerven zij
zonder vaste woonplaats rond, terwijl zij soms hierheen en daarheen worden
gedreven en aan naaktheid en armoede lijden toch horen zij de erfenis van de wereld, die hun beloofd is, aan te nemen.
Calvijn over Genesis 14:1-10 (“En het geschiedde in de dagen van … dat zij
oorlog voerden met …”):
De hoofdinhoud van deze geschiedenis biedt ons een verschrikkelijk schouwspel
van menselijke hebzucht en trots.
Als wij tegenwoordig leiders ongewone drukte zien maken en met hun geweld een
land zien beroeren, moeten wij bedenken dat dit kwaad zeer oud is, want in alle
tijden heeft de zucht om te heersen onder de mensen al te veel de overhand
gehad.
Calvijn over Genesis 14:12 (“Ook namen zij Lot…”):
Hierin zien wij dat goeden en kwaden moeiten gemeenschappelijk hebben.
Calvijn over Genesis 14:18 (“En Melchizedek, koning van Salem, was priester van
de allerhoogste God”):
In deze onbekende man schittert Gods wonderlijke genade bijzonder heerlijk,
omdat hij te midden van het bederf der wereld, de enige was die in dat land de
zuivere en oprechte verzorger en bewaker van vroomheid was.
De slotsom is dat Christus zó de van God begunstigde Koning zou zijn, dat Hij
ook tot Priester werd gezalfd en wel tot eeuwige Priester, welke wetenschap voor
ons meer dan nuttig is, opdat wij zouden leren Christus’ koninklijke macht te
verbinden met Zijn Priesterlijke dienst.
Dezelfde dus – Die alleen en eeuwig is aangewezen tot Priester om ons met God te
verzoenen, en na volbrachte verzoening voor ons tussen te treden – heerst ook
als Koning met grote kracht, om onze zaligheid te beschermen en ons door Zijn
hulp te behoeden.
Zo kunnen wij, steunend op Zijn voorspraak, ons voor Gods aangezicht stellen,
wetend dat Hij ons genegen is. Ook kunnen wij, vertrouwend op Zijn onoverwonnen
arm, veilig roemen tegen allerhande vijanden.
Wij mogen, vertrouwend op Zijn (Christus') onoverwonnen arm, veilig roemen tegen
allerhande vijanden.
Omdat Christus door Zijn dood het priesterschap heeft vervuld, daarom volgt daar
uit, dat door die ene offerande God eens en voor altijd verzoend is, zodat de
verzoening niet elders hoeft te worden gezocht.
Calvijn over Genesis 14:22 (“Abram zei tot de koning van Sodom: Ik heb mijn hand
opgeheven tot de HEERE…”):
Dit staat vast, dat mensen nooit lichtzinnig zweren, of zij roepen Gods wraak
over hun hoofd in, en maken Hem tot hun Vijand.
Calvijn over Genesis 14:24 (“… laat die hun deel nemen”):
Het is geen geringe deugd, zo te handelen dat u anderen niet dwingt te handelen
naar uw voorbeeld, als een regel.
Laat elk toezien wat zijn roeping meebrengt, en wat zijn plicht is, opdat niet
de een de ander door zijn beslissing van te voren oordeelt.
Het is een al te heerszuchtige eigenzinnigheid, als wij anderen net zo’n wet
willen voorschrijven, wat wij zelf volgen als recht en overeenkomend met onze
plicht.
Dikwijls vernedert de Heere de Zijnen, opdat zij in voorspoed zich niet
verheffen.
maandag 16 maart 2009
Calvijn over Genesis 15:1 (“Vrees niet, Abram, Ik ben voor u een Schild, uw zeer
groot Loon”):
Als je Mij maar tot Vriend hebt, is er geen reden om te vrezen.
Wees bij uw rondtrekken op de wereld met Mijn hulp tevreden en wees liever
afhankelijk van de hemel, dan verkleefd aan de aarde.
God vermaant Abram goedsmoeds te zijn, maar waarin anders is zulke gerustheid
gegrond, dan daarin dat wij door het geloof Gods zorg voor ons leren verstaan,
en op Zijn voorzienigheid leunen?
Met de uitdrukking ‘Schild’ bedoelt Hij dat Abram onder Zijn bescherming altijd
veilig zou zijn.
Door Zich een Loon te noemen, vermaant Hij hem, dat hij aan Hem alleen genoeg
moet hebben.
God heeft eenmaal de bescherming van de gelovigen op Zich genomen, en daarom
spreekt Hij hun dagelijks toe dat Hij zorg zal dragen om hen onder Zijn hand
veilig te bewaren en met Zijn macht te beschermen.
Omdat God de taak op Zich neemt van een schild tot verdediging van onze
zaligheid, moet deze belofte voor ons zijn als een koperen muur, zodat wij in
enig gevaar niet meer dan nodig is hoeven te vrezen.
Door verschillende en ontelbare begeerlijkheden van het vlees rondgedreven
worden mensen dikwijls heen en weer geslingerd.
Mensen zijn al te zeer verkleefd aan het tegenwoordige leven, daarom volgt het
tweede lid, waarin God de gelovigen betuigt dat alleen Hij aan alle punten van
een gelukkig leven voldoet.
‘Loon’ betekent zoveel als erfenis of geluk.
Als deze gedachte in ons gemoed goed was ingeprent, dat in God alleen de hoogste
en algehele volkomenheid van alle goed voor ons is, zouden wij gemakkelijk paal
en perk kunnen stellen aan de verkeerde begeerlijkheden, die ons jammerlijk
verontrusten.
Eerst dan zijn wij gelukkig, als wij God tot Vriend hebben.
Hij overlaadt ons niet alleen met alle overvloed van weldaden, maar Hij geeft
Zichzelf aan ons te genieten.
Wat kunnen mensen nog meer verlangen, daar waar ze God genieten?
De goddeloze ondankbaarheid van mensen is zo gruwelijk, dat God hun nooit genoeg
geeft. Daarom noemt de Heere Zich niet maar eenvoudig ‘Loon’, maar ‘zeer groot’,
waarmee het ons past meer dan tevreden te zijn.
Dit is de overvloedigste stof tot vertrouwen en een hechte steun.
Elk die gelooft dat zijn leven door Gods hand wordt beschermd, dat hij onder die
bescherming nooit ongelukkig zal zijn en dat hij in al zijn zorgen en
moeilijkheden naar die haven mag vluchten, die zal het beste medicijn vinden
voor alle kwalen.
Niet dat de gelovigen geheel vrij zijn van alle vrees en zorg, zolang zij door
stormen van gevaren en moeilijkheden geslingerd worden. Maar de angst in hun
gemoed wordt gestild.
Zoals Gods hulp krachtiger is dan alle gevaren, zo overwint het geloof de vrees.
Calvijn over Genesis 15:2 (“Toen zei Abram: Heere, HEERE, wat zult Gij mij
geven, omdat ik zonder kinderen heenga”):
Wat is begeerlijker, dan opgenomen te worden in Gods bescherming, en in de
genieting van Hem gelukkig te zijn.
God laat ons toe, de zorgen waarmee wij gekweld worden en de zwarigheden
waaronder wij gebukt gaan, in Zijn boezem uit te storten.
Calvijn over Genesis 15:5 (“Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, indien
gij ze tellen kunt”):
Abrams geloof heeft door het aanschouwen van de sterren steun ontvangen.
Om de Zijnen vaster aan Zich te verbinden en met meer kracht in hun verstand
door te dringen, wekt de Heere, nadat Hij de oren heeft aangeroerd met Zijn
woord, tegelijk ook de ogen op met uitwendige tekenen, om met de oren overeen te
stemmen.
De aanblik van de sterren was niet overbodig, maar met deze gedachte wilde God
Abrams gemoed treffen: was Hij (Die alleen door Zijn woord, plotseling zo’n
talrijk leger voortbracht, om daarmee de hemel te versieren, die tevoren leeg en
woest was) niet in staat om zijn lege huis met nakomelingschap te vervullen?
Calvijn over Genesis 15:6 (“En hij geloofde in de HEERE; en Hij rekende het hem
tot gerechtigheid”):
Satan heeft alle eeuwen op geen ding zich zozeer toegelegd, als op het uitdoven
en verstikken van de leer van de rechtvaardiging door het geloof om niet, welke
hier duidelijk geleerd wordt.
In de eerste plaats wordt Abrams geloof geprezen, waarmee hij Gods belofte heeft
omhelsd.
In de tweede plaats wordt aan het geloof een lofrede toegevoegd, omdat Abram
daardoor gerechtigheid heeft verkregen voor Gods aangezicht, en dat door
toerekening.
Om de kracht en de natuur of de aard van deze rechtvaardigheid duidelijk uiteen
te zetten, voert Paulus ons mee naar Gods hemelse rechterstoel.
Wie God tot zijn Erfdeel heeft, verheugt zich niet met een gebrekkige vreugde,
maar, als in de hemel opgenomen, geniet hij de vaste vreugde van het eeuwige
leven.
Deze stelling moet worden vastgehouden, dat alle beloften van God die voor de
gelovigen zijn bestemd, uit Gods vrije liefde voortvloeien, en bewijzen zijn van
Zijn Vaderlijke liefde en vrijmachtige aanneming tot kinderen waarop hun
zaligheid is gegrond.
Abram is gerechtvaardigd, omdat hij God tot zijn Vader aannam.
Om geen andere oorzaak rechtvaardigt het geloof ons, dan omdat het ons met God
verzoent; en dat niet door zijn verdienstelijkheid, maar doordat wij de genade
aannemen die ons in de beloften aangeboden wordt, en doordat wij – in de vaste
overtuiging dat wij als kinderen door God worden bemind – niet twijfelen aan het
eeuwige leven.
Abram is hierom gerechtvaardigd omdat hij, leunende op Gods Vaderlijke liefde,
heeft vertrouwd op Zijn goedheid alleen, en niet op zichzelf of op zijn eigen
verdiensten.
De heiligen worden door het geloof gerechtvaardigd zolang zij in de wereld zijn.
Duidelijk blijkt, dat de heiligen uit genade gerechtvaardigd worden tot hun dood
toe.
Wat hier over één man gezegd wordt, wordt door Paulus op alle kinderen Gods
overgebracht.
Calvijn over Genesis 15:7 (“Voorts zei Hij tot hem: Ik ben de HEERE, Die u
uitgeleid heb uit Ur der Chaldeeën”):
Het is voor ons van het grootste belang gedurende ons hele leven God tot
Leidsman te hebben om te weten, dat wij niet zo maar de een of andere
twijfelachtige weg zijn ingeslagen.
Het is alsof Hij zei: van u verwacht Ik standvastige volharding en vast geloof
van het begin tot het einde.
Dit wordt gezegd, opdat hij Gods beloften die hij vanaf het begin van zijn
geloof aanvaardde, tot één geheel zou vormen.
Calvijn over Genesis 15:8 (“En hij zei: Heere, HEERE, waarbij zal ik weten, dat
ik het erfelijk bezitten zal?”):
De Heere geeft nu en dan aan Zijn kinderen vrijheid om tegenwerpingen te maken
die bij hen opkomen.
Goddelozen stemmen de beloften op geen enkele manier toe, omdat hun gemoed met
verkeerde gedachten vervuld is, maar vromen, die de verhinderingen in hun vlees
voelen, bestrijden deze opdat zij Gods Woord niet de weg versperren, en zij
zoeken medicijnen voor de kwalen waarvan zij zich bewust zijn.
Calvijn over Genesis 15:9 (“En Hij zei tot hem: Neem voor Mij een driejarige
vaars…”):
Dat Abram zonder tegenspraak aan Gods bevel gehoorzaamt, zonder de bedoeling
daarvan te verstaan, is een bewijs van zijn geloofsgehoorzaamheid, en daaruit
blijkt, dat hij geen andere bedoeling heeft gehad dan na wegneming van zijn
bezwaar eerbiedig te berusten in het woord des Heeren, zoals hem betaamde.
Laten wij leren de ondersteuningen die God ons tot versterking van ons geloof
aanbiedt, rustig aan te nemen, ook al beantwoorden ze niet aan onze verwachting,
en schijnen ze met ons de spot te drijven.
Calvijn over Genesis 15:10 (“En deelde ze middendoor, en hij legde elks deel
tegenover het andere”):
Abram verlangde zekerheid aangaande de beloofde erfenis van het land. Nu
verneemt hij dat God beginnen zal met te doden, dat is: dat hij en de zijnen
eerst moesten sterven, voordat zij de heerschappij van het land zouden genieten.
God beveelt de geslachte dieren in delen te snijden, omdat de Heere Abrams
geslacht heeft willen tonen, dat het niet slechts gelijk was aan een dood
lichaam, maar ook aan een vaneengescheurd en uit elkander gesneden lichaam. Want
de slavernij waarmee ze voor een tijd onderdrukt zijn, was zwaarder dan de dood.
Maar omdat het offer aan God wordt gebracht, wordt de dood onmiddellijk in een
nieuw leven veranderd.
Dat Abram de delen tegenover elkaar legt, en onderling rangschikt, ziet hierop,
dat Abrams geslacht uit de verstrooing weer bijeen vergaderd zou worden.
Hoe moeilijk de herstelling van de kerk is en met hoeveel bezwaren, toont de
vrees waarmee Abram bevangen werd.
Wij zien dat hem twee dingen aanschouwelijk zijn voorgesteld, de harde
slavernij, waardoor Abrams kinderen onderdrukt zouden worden, totdat zij
verminking en verscheuring nabij waren en vervolgens de verlossing, die een
duidelijk onderpand was van hun aanneming tot kinderen van God.
Ook wordt ons in hetzelfde gezicht de algemene toestand van de kerk vertoond,
want het is Gods gewone handelwijze haar uit niet te scheppen en uit de dood op
te halen.
Calvijn over Genesis 15:11 (“En het wild gevogelte kwam neer op het aas; maar
Abram joeg het weg”):
Nadat de gelovigen in Gods bescherming zijn opgenomen, worden zij niet zo
beschermd door Zijn hand, dat zij vrij zijn van aanvallen van alle kanten, want
satan en wereld houden niet op het hen moeilijk te maken.
Zal het offer dat wij God hebben aangeboden, niet worden geschonden, maar rein
en ongeschonden blijven, dan moeten vijandige aanvallen niet zonder moeite en
inspanning worden afgeweerd.
Calvijn over Genesis 15:13 (“Toen zei Hij tot Abram: weet voorzeker, dat uw zaad
vreemd zal zijn in een land dat het hunne niet is, en zij hen zullen dienen, en
die zullen hen verdrukken vierhonderd jaren”):
Bedacht moet worden, dat Abram voordat hij een zoon kreeg, hoorde, dat zijn zaad
geruime tijd een gevangene en slaaf zou zijn. Want zo handelt de Heere met Zijn
knechten: Hij begint altijd met de dood, om door het opwekken van doden Zijn
kracht des te beter te tonen.
Abrams geloof was van een bewonderenswaardig en bijzonder karakter, dat hij in
zo’n droevige Godspraak berustte en daaruit besloot, dat God zijn Bevrijder zou
zijn, nadat de ellenden tot de hoogste toppunt waren geklommen.
Om het geduld van de Zijnen te oefenen, stelt de Heere (de vervulling van) Zijn
belofte meer dan vier eeuwen uit.
Calvijn over Genesis 15:14 (“Maar Ik zal het volk dat zij zullen dienen, ook
rechten; en daarna zullen zij uittrekken met grote bezittingen”):
Het heil van hen die Hij liefheeft, gaat Hem ter harte, en Hij zal niet dulden
dat zij ongestrafd worden gekweld door slechte en misdadige mensen.
Zo dikwijls het ons ten deel valt, dat wij door tirannen onmenselijk worden
behandeld (wat de kerk bijna altijd ten deel valt) hebben wij deze troost: nadat
onze verdraagzaamheid genoeg door het kruis is beproefd, zal God – door Wiens
goeddunken wij zo worden vernederd – als Rechter zitten om onze vijanden de
rechtmatige vergelding te geven voor hun wreedheid, die zij nu uitoefenen.
Calvijn over Genesis 15:14 (“… en daarna zullen zij uittrekken met grote
bezittingen”):
In de uitkomst zal blijken dat onze ellende gezegend is.
Laten wij ons herinneren, dat aan Gods toorn plaats gegeven moet worden, zoals
Paulus ons vermaant, opdat wij niet hals over kop wraak zoeken.
Ook aan hoop moet plaats worden gegeven, opdat zij ons ondersteunt als wij onder
de last van het kwaad gebogen gaan en zuchten.
Calvijn over Genesis 15:15 (“Gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; gij zult in
goeden ouderdom begraven worden”):
De dood in het bijzonder maakt onderscheid tussen verworpenen en Gods kinderen,
al is in dit leven hun lot bijna hetzelfde en de situatie gelijk, behalve dat
Gods kinderen het vele malen slechter hebben.
Grijsaards worden door hun zwakheid aangespoord gedurig te bedenken dat zij
moeten verhuizen; als niet de hoop op een beter leven hen opricht, blijft er
voor hen niets over dan droevige verschrikkingen.
De gelovigen bevelen hun zielen zonder vrees en droefheid in Gods hand.
Abram ging gewillig en blij sterven, toen hij in Izaäk het zekere onderpand van
de Goddelijke zegen had, en wist dat een beter leven voor hem in de hemel was
weggelegd.
Calvijn over Genesis 15:16 (“… de ongerechtigheid der Amorieten is totnogtoe
niet volkomen”):
Als wij horen dat God in de hemel stil wacht, totdat de ongerechtigheden hun
toppunt hebben bereikt, moeten wij bedenken dat dit voor ons allerminst een tijd
is om stil te zitten, maar moet elk zich veeleer daarover bekommeren, hoe wij
het oordeel van de hemel zullen afwenden.
Dat Hij zo stilzit in de hemel neemt niet weg, dat Hij Rechter der wereld
blijft, en voor geen ogenblik Zijn plicht vergeet.
Calvijn over Genesis 15:17 (“… zie, er was een rokende oven en vurige fakkel,
die tussen die stukken doorging”):
Laten we zelfs in de dood goede hoop blijven koesteren op het leven, want ten
laatste zal de Heere over ons het licht doen opgaan, als wij ons tenminste aan
Hem ten offer wijden.
Calvijn over Genesis 16:2 (“En Saraï zei tot Abram: Zie toch, de HEERE heeft mij
toegesloten, dat ik niet baar; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik
uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Saraï”):
Beider geloof ging mank, niet in het wezen, maar om zo te zeggen in het middel
of in de manier van handelen, doordat zij het zoeken van nakomelingschap, dat
van God moest worden verwacht, buiten de wettige ordening Gods zoeken te
bespoedigen.
Wij leren dat God niet te vergeefs de Zijnen beveelt te rusten en stil te
wachten, zo vaak Hij hun wensen verschuift en uitstelt.
Welke schuld vinden wij dus in Saraï? Dat zij deze zorg in Gods schoot had
moeten werpen, en Zijn kracht niet had moeten binden aan de orde van de natuur,
of die beperken tot haar eigen inzicht.
Zodra mensen zich veroorloven wijzer te zijn dan billijk is, zijn zij geneigd om
ongeoorloofde middelen uit te proberen.
Dat Saraï, zo’n heilige vrouw, als oorblazer haar man aanzet om even als zij
zelf van ongeduld te bruisen, daaruit kunnen wij leren hoe ijverig wij de wacht
moeten houden, zal satan ons niet door heimelijk bedrog overvallen.
Satan hitst niet alleen slechten en goddelozen op om met opzet ons geloof te
bestrijden, maar om ons onvoorbereid te verpletteren valt hij ons nu en dan
heimelijk en steelsgewijze aan, door goeden en eenvoudigen.
Laat men aan alle zijden op zijn hoede zijn tegen satans hinderlagen, opdat hij
ons niet langs de ene of andere kant door loopgraven besluipt.
Uit dit voorbeeld leren wij dat er geen reden is om de moed op te geven, als
satan ons geloof schudt, als Gods waarheid maar niet wankelt in onze harten.
Calvijn over Genesis 16:2 (“En Abram hoorde naar de stem van Saraï”):
Als wij zien dat Abram (die gedurende zoveel jaren als een onoverwonnen
worstelaar krachtig had gestreden, en zulke moeilijke hindernissen had
overwonnen) nu in één ogenblik voor de verzoeking bezwijkt, wie van ons zou dan
niet vrezen voor een soortgelijk gevaar?
Al hebben wij dus lang en standvastig in het geloof gestaan, toch moeten wij
dagelijks God vragen dat Hij ons niet in verzoeking leidt.
Calvijn over Genesis 16:3 (“Zo nam Saraï haar dienstmaagd en zij gaf haar aan
Abram, haar man, hem tot een vrouw”):
Hetzelfde vindt plaats met alle verzinsels die aan Gods Woord worden aangehaakt.
Want al worden zij ook door een eervol voorwendsel bedekt, het bederf schuilt er
in, dat van de zuiverheid van het Woord afwijkt, en deze bezoedelt.
Omdat dit een zeer gewone hartstocht is, moeten de gelovigen zich gewennen aan
verdraagzaamheid, als hun soms een zo onbillijk loon voor weldaden wordt
vergolden.
Calvijn over Genesis 16:5 (“Toen zei Saraï tot Abram: mijn ongelijk is op u; ik
heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven … de HEERE rechte tussen mij en u!”):
Zo blind is de woede van de toorn, dat zij lichtzinnig op deze of gene aanvalt
en zonder onderzoek hen veroordeelt die geheel vrij van schuld zijn.
Nu toont de Heere in de moeder der gelovigen eerst hoe geweldig de gloed van de
toorn is en waartoe zij de mensen meesleept, vervolgens hoe blind zij zijn die
zich de vrije teugel geven in eigen zaken; opdat wij zouden leren op onze hoede
te zijn, zo dikwijls het gaat om ons eigen belang.
De best ingerichte huisgezinnen zijn nu en dan niet zonder twist, ja, dit kwaad
dringt tot in Gods kerk door.
Calvijn over Genesis 16:6 (“Abram zei tot Saraï: zie uw dienstmaagd is in uw
hand; doe haar, wat goed is in uw ogen”):
Zo vaak wij iets beginnen tegen het Woord van God, wankelen onze gemoederen bij
de eerste de beste aanleiding tot vrees, want de enige vastheid is God tot
Leidsman te hebben.
Zo stelt de Heere Zich tegen onze verkeerde plannen, en zo roept Hij ons bij
zorgeloosheid tot bezinning.
Calvijn over Genesis 16:9 (“Toen zei de Engel des HEEREN tot haar (= Hagar):
Keer weder tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen”):
Niets is beter dan door gehoorzaamheid en verdraagzaamheid de hardheid van hen
die boven ons staan, te doen bedaren.
Calvijn over Genesis 16:10 (“Ik zal uw (=Hagars) zaad zeer vermenigvuldigen”):
De Heere kon met het volste recht haar kortweg verplichten tot wat recht was,
maar opdat Hagar des te liever zou doen, wat zij wist dat haar plicht was, lokt
Hij haar als door zoete woorden tot gehoorzaamheid.
Hierop (zie gisteren) doelen ook de beloften waarmee de Heere ons uitnodigt tot
vrijwillige gehoorzaamheid. Want Hij wil ons niet slaafs trekken, zodat wij uit
dwang doen wat ons is bevolen.
Daarom (zie gisteren) mengt Hij vriendelijke en vaderlijke uitnodigingen
daarmee, en handelt Hij met ons vrij en niet anders dan als met Zijn kinderen.
Calvijn over Genesis 16:11 (“Ook zei des HEEREN Engel tot haar (= Hagar): zie,
gij zijt zwanger, en zult een zoon baren”):
Wij zien dat ten aanzien van het tegenwoordige leven, Zijn goedheid zich ook zal
uitstrekken tot het vleselijke zaad van Abram.
Als Hij wilde dat Ismaëls naam een eeuwig gedenkteken van Zijn tijdelijke zegen
zou zijn, zal ónze ondankbaarheid des te minder te verdragen zijn, als wij niet
tot onze dood toe Zijn hemelse en eeuwige genadegaven verheerlijken.
Calvijn over Genesis 16:11 (“… omdat de HEERE uw (= Hagars) verdrukking
aangehoord heeft”):
Laten wij, gewaarschuwd door het gevoel van onze ellenden, Hem onmiddellijk
zoeken.
Hierin ligt een niet geringe versterking van het geloof, dat onze gebeden niet
door de Heere veracht zullen worden. Hij komt nalatigen en dwazen voor met Zijn
hulp, en Hij is nabij hen die naar Hem niet vragen. Hoeveel te meer zal Hij dan
de vrome wensen van de Zijnen gunstig zijn!
Calvijn over Genesis 16:13 (“En zij noemde de Naam des HEEREN, Die tot haar
sprak: Gij, God des aanziens”):
Elk die ervan overtuigd is dat hij door God wordt gezien, moet noodzakelijk als
onder Zijn ogen leven.
Calvijn over Genesis 16:4-13
Hieruit besluiten wij hoe nuttig het is dat zij door kastijdingen bedwongen
worden, die zich niet uit eigen beweging vernederen.
Dit is ook zeker nodig voor ons, dat terwijl God ons kastijdt met Zijn hand, Hij
ons ook door Zijn Geest tot zachtzinnigheid stemt.
Ons geloof staat anders nooit vast, tenzij wij – zeker overtuigd aan Gods
bescherming alleen genoeg te hebben – veilig alles ter wereld gering achten wat
onze zaligheid in de weg staat.
God beroemt Zich niet op Zijn macht, die Hij bij Zichzelf verborgen houdt, maar
Hij verklaart die dus aan Zijn kinderen, opdat Abram daaruit stof tot vertrouwen
zou putten. Zo ligt in deze woorden een belofte opgesloten.
Niet te vergeefs heeft God uitgesproken, dat Hij de sterke God is, voorzien van
kracht om de Zijnen te helpen.
Abram moest van alle andere steunsels afgebracht worden om zich geheel aan God
alleen toe te wijden.
Niemand verbindt zich ooit aan God, behalve die, terwijl hij alle schepselen op
de juiste plaats stelt, Hem alleen hoogacht.
Gods macht moet, waar ze gekend werd, ons tot zo’n bewondering van Zijn wezen
voeren, en de eerbied voor Hem moet zo ons verstand innemen, dat niets ons
verhindert Hem te dienen.
Calvijn over Genesis 17:1 (“Wandel voor Mijn aangezicht, en wees oprecht”):
Als men met God te doen heeft, blijft er geen gelegenheid over tot huichelen.
Met deze bepaling neemt God voor Zich kinderen aan, dat Hij op zijn beurt de
plaats en de eer van een Vader zou krijgen.
Zoals Hij nu Zelf niet liegt, zo eist Hij met recht wederkerig trouw van de
Zijnen.
Laten wij dus in het oog houden, dat God Zich daarom aan de gelovigen bekend
maakt, opdat zij onder Zijn toezicht zouden leven, en Hem als Rechter niet
slechts van hun daden maar ook van hun gedachten erkennen. En daaruit besluiten
wij ook, dat er geen andere maatstaf is van een vroom en zuiver leven, dan dat
wij van God afhankelijk zijn.
Calvijn over Genesis 17:1 (“Ik ben God, de Almachtige. Wandel voor Mijn
aangezicht, en wees oprecht”):
Gods verbond met Abram is tweeledig: het eerste lid was getuigenis van Zijn
genadige liefde, waaraan de belofte van het gelukzalige leven verbonden was.
Maar het andere lid was een aanmaning tot het ijverig betrachten van
rechtvaardigheid.
Calvijn over Genesis 17:2 (“Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en u”):
… alsof God gezegd had: “Zie eens, hoe welwillend Ik voor u ben; want hoewel Ik
dit rechtens kon doen, eis Ik van u toch niet op bevel oprechtheid, maar hoewel
Ik niets verplicht ben, daal Ik uit vrije genade af tot een wederkerig verbond.”
Calvijn over Genesis 17:3 (“Toen viel Abram op zijn aangezicht…”):
Het geloof, dat zich verlaat op Gods genade, niet kan gescheiden worden van een
rein geweten. Wanneer Abram zich neerbuigt, verklaart hij beide gehoorzaam aan
te nemen.
Laten wij bedenken dat in één en dezelfde geloofsomhelzing, de genadige
aanneming tot kinderen, waarin onze zaligheid met de nieuwheid van leven gelegen
is, moet aanvaard worden.
Calvijn over Genesis 17:4 (“Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u”):
Omdat ons geloof niet anders dan in Zijn eeuwige waarheid geworteld kan zijn, en
daarom moet ons voor alles duidelijk zijn, dat uit Zijn heilige mond is
voortgekomen, wat ons wordt voorgesteld.
Calvijn over Genesis 17:4 (“Gij zult tot een vader van menigte van volken
worden”):
De heidenen zouden door het geloof worden ingelijfd in Abrams geslacht, hoewel
zij niet uit hem zijn voortgekomen naar het vlees.
… zodat van alle kanten volken, die anders van elkaar vervreemd en onderling
verdeeld zijn, tot één huisgezin van Abram zouden samensmelten.
Calvijn over Genesis 17:7 (“Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen
u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te
zijn tot een God, en uw zaad na u”):
Zij die menen dat alleen de uitverkorenen hier bedoeld worden, hebben het mis.
Want de Schrift spreekt herhaaldelijk uit, dat Abrahams geslacht dat uit hem is
voortgekomen, bijzonder door God tot Zijn eigendom is aangenomen.
De leer van Paulus aangaande Abrahams natuurlijke kinderen is duidelijk: dat zij
heilige takken zijn, omdat zij uit de heilige wortel zijn voortgekomen.
Niets is zekerder dan dat God Zijn Verbond sluit met Abrahams kinderen die van
nature uit hem zouden voortkomen.
Niet zodra werd gezegd: “Ik zal uw God zijn en de God van uw zaad na u”, of de
kerk werd van de overige volken afgescheiden. Toen is het volk Israël als de
kudde van God in Zijn eigen schaapskooi opgenomen.
Als Paulus de heidenvolken buiten God en het eeuwige leven stelt, omdat zij
vreemdelingen van het verbond waren, volgt daaruit dat alle Israëlieten leden
van de kerk en kinderen van God, en erfgenamen van het eeuwige leven geweest
zijn.
Voor alle Israëlieten gemeenschappelijk was de belofte waardoor de Heere hen tot
kinderen had aangenomen. Het kan niet ontkend worden, of daarin was de eeuwige
zaligheid aan allen aangeboden.
Omdat het hele volk door een en hetzelfde woord tot de schaapskooi van God wordt
geroepen, worden in dit opzicht allen zonder uitzondering als kinderen
beschouwd, en slaat de naam van kerk op allen gemeenschappelijk.
Paulus zegt dat niet allen die uit Abraham zijn, als wettige kinderen worden
beschouwd, omdat zij geen kinderen van de beloften zijn maar alleen van het
vlees (Romeinen 9 vers 8). Want hier wordt de belofte niet in het algemeen
genomen voor het uitwendige woord, waardoor God Zijn genade zowel aan
verworpenen als aan uitverkorenen aanbiedt, maar ze moet beperkt worden tot de
krachtdadige roeping, die Hij inwendig bezegelt door Zijn Geest.
Hier ontstaat een dubbele reeks van kinderen in de kerk. Ten opzichte van het
verborgen heiligdom van God worden geen anderen als kinderen van God beschouwd,
dan zij in wie de belofte door het geloof verwerkelijkt is.
Dit onderscheid vloeit voort uit de bron van de vrijmachtige uitverkiezing,
waaruit ook het geloof zelf ontstaat.
Calvijn over Genesis 17:10 (“Dit is Mijn verbond dat gij houden zult tussen Mij
en u, en uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, besneden wordt”):
Dit hebben alle sacramenten gemeen, dat zij met het Woord van God verbonden
zijn, waarin Hij betuigt dat Hij ons gunstig is, en ons uitnodigt tot hoop op de
zaligheid.
Een sacrament is niets anders dan een zichtbaar woord, of een graveersel en
beeld van Gods genade, dat Zijn Woord meer verduidelijkt.
Als er tussen het woord en het geloof een onderlinge betrekking bestaat, volgt
daaruit, dat dit doel en dit gebruik aan de sacramenten is opgelegd, zij zij het
geloof helpen, bevorderen en versterken.
Óf God biedt Zich (in het sacrament) uit spot en bedrieglijk aan als Borg, óf
het geloof vindt daar steun om zich daarop te verlaten, en daaruit zijn
zekerheid te putten.
Calvijn over Genesis Genesis 17:11 (“Gij zult het vlees van uw voorhuid
besnijden; en dat zal tot een teken zijn van het verbond tussen Mij en u”):
Om twee redenen is het waarschijnlijk dat God bevolen heeft de voorhuid te
besnijden: toch om te tonen dat alles wat uit de mens wordt verwekt, onrein is,
vervolgens dat de zaligheid uit het gezegende zaad van Abraham zou voortkomen.
Allereerst heeft God in de besnijdenis alles veroordeeld wat de mensen uit hun
voortbrenging aankleeft, opdat Hij – nu het bederf der natuur openbaar is
geworden – hen zou leiden tot doding van het vlees. Tegelijk echter werd daarin
de zegen die beloofd was in het zaad van Abraham, aangeduid en bezegeld.
In dit teken werd de verzoening van God en mensen die in Christus werd
geopenbaard, aangewezen.
Calvijn over Genesis Genesis 17:12 (“Een zoontje van acht dagen zal besneden
worden”):
God heeft in dit teken de vernietiging van de oude mens zó voorgesteld, dat Hij
toch aantoont dat Hij de mensen tot het leven herstelt.
Calvijn over Genesis Genesis 17:12 (“Een zoontje van acht dagen zal besneden
worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: de ingeborene van het huis, en de
gekochte met geld van elke vreemde die niet is van uw zaad”):
Wij weten dat vroeger slaven ter nauwernood onder het getal der mensen gerekend
zijn. Maar toch neemt God hen uit genegenheid tot Zijn knecht als Zijn kinderen
aan.
De trots van het vlees wordt neergeworpen, omdat God zonder aanzien des persoons,
vrijen en slaven bij de kudde voegt.
In Abrahams persoon heeft Hij aan al Zijn knechten deze wet voorgeschreven, om
ernaar te streven wie ze ook maar onder zich hadden, te leiden tot dezelfde
geloofsgemeenschap.
Huisgezinnen van godzaligen moeten even zovele kerken zijn.
Als wij onze vroomheid wensen te bewijzen, moeten wij moeite doen, om elk van
ons zijn huisgezin in de gehoorzaamheid aan God geordend te hebben.
Calvijn over Genesis 17:13 (“Mijn verbond zal zijn in uw vlees, tot een eeuwig
verbond”):
Door Christus’ komst werd de besnijdenis pas bekrachtigd, opdat ze altijd zou
voortduren, en opdat dit verbond vast zou zijn, dat God eenmaal sloot.
Al is het gebruik van de besnijdenis opgehouden, toch houdt ze niet op een
eeuwig of blijvend verbond te zijn, als slechts Christus als middelpunt wordt
gesteld, Die met verandering van het teken de waarheid ervan heeft bevestigd.
Calvijn over Genesis 17:14 (“En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens
voorhuids vlees niet besneden zal worden, die ziel zal uit haar volken
uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken”):
Als God zo’n liefdevol onderpand aanbiedt van Zijn liefde en van het eeuwige
leven, waartoe anders voegt Hij dan bedreigingen daaraan toe, dan om hen die
snel moesten komen toelopen, uit traagheid op te wekken?
Omdat het de mensen niet vrij staat te scheiden wat God heeft samengevoegd, kan
niemand het teken verachten of verwaarlozen, zonder het woord te verwerpen, en
zich van de daarin aangeboden zegen te beroven.
Dezelfde regel nu geldt tegenwoordig in de doop. Al wie met verachting van de
doop waant aan de belofte alleen genoeg te hebben, versmaadt zoveel hij maar kan
Christus’ bloed, of laat althans niet toe dat het vloeit tot reiniging van zijn
kinderen.
Op de verachting van het teken volgt de rechtmatige straf, het missen van de
genade, omdat door de goddeloze mishandeling, of liever verscheuring van teken
en woord, Gods verbond wordt ontheiligd.
Gods Verbond wordt bekrachtigd, waar wij door het geloof omhelzen wat Hij
belooft.
Calvijn over Genesis 17:16 (“Ik zal u ook uit Sara een zoon geven”):
Daarin straalt des te helderder Gods vrije goedheid uit, dat Hij, al verhinderen
de mensen door hun struikelblokken Zijn komst, toch tot hen komt.
Calvijn over Genesis 17:21 (“Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten”):
Al hebben wij nu overvloed van alle genot en goed, toch is ons geluk
vergankelijk, tenzij wij in geloof doordringen tot het hemelse rijk van God,
waarin een grotere en hogere zegen voor ons is weggelegd.
Calvijn over Genesis 17:27 (“En alle mannen van zijn huis, de ingeborenen van
het huis, en de gekochten met geld, van de vreemde af, werden met hem
besneden”):
God schijnt heden een onmogelijk uitvoerbare zaak te bevelen, als Hij wil dat
overal in de hele wereld Zijn evangelie gepredikt zal worden, om haar van de
dood tot het leven terug te brengen.
We zien hoe groot de hardnekkigheid is van bijna allen, hoe vele en hoe
krachtige aanslagen satan [tegen de prediking van het evangelie] in het werk
stelt, zodat zelfs bij het begin alle wegen zijn afgesloten.
Toch past het elk deze dienst te volbrengen, en niet voor de belemmeringen uit
de weg te gaan.
Calvijn over Genesis 18:2 (“Abraham hief zijn ogen op en zag; en zie, er stonden
drie mannen tegenover hem; toen hij hen zag, liep hij hun tegemoet van de
opening der tent, en boog zich ter aarde”):
Het natuurlijke gevoel zelf schrijft ons voor, dat vreemdelingen het meest
geholpen moeten worden. Want er zijn geen mensen die meer medelijden en hulp
verdienen, dan diegenen die wij beroofd zien van vrienden en van huiselijk
comfort.
Het is vreselijke wreedheid, hen trots te verachten die, van gewone hulpmiddelen
verstoken, tot onze bijstand de toevlucht nemen.
Laten wij uit Abrahams voorbeeld vaststellen, dat zo dikwijls broeders ons
tegemoet komen, die onze hulp behoeven, deze van Godswege ons worden aangeboden.
Calvijn over Genesis 18:12 (“Sara lachte bij zichzelf”):
Zo dikwijls wij Gods beloften en werken naar eigen gevoel en naar de
natuurwetten afmeten, beledigen wij Hem.
Wij kunnen Hem niet anders de verschuldigde eer bewijzen, dan door ons aan Zijn
Woord te onderwerpen, welke hindernissen zich in hemel en op aarde daartegen ook
verzetten.
Calvijn over Genesis 18:14 (“Zou iets voor de HEERE te wonderlijk zijn?”):
Gods mogelijkheid moet niet naar menselijk begrip afgemeten worden.
God wordt door ons beroofd van Zijn kracht, zo dikwijls wij Zijn woorden
wantrouwen.
Wie niet méér van God verwacht dan de maat van zijn zinnen kan bevatten, doet
God het grootste onrecht aan.
Calvijn over Genesis 18:15 (“Hij zei: nee, maar gij hebt gelachen”):
Het is niet genoeg dat Gods oordeel wordt geëerbiedigd, tenzij wij ook onze
zonden onomwonden en zonder terughouding belijden.
Oprecht moet de belijdenis worden gedaan, opdat wij, na openlijk veroordeeld te
zijn, Zijn genade mogen inroepen.
Calvijn over Genesis 18:17 (“En de HEERE zei: zal Ik voor Abraham verbergen, wat
Ik doe?”):
God gaat steeds voort Zijn weldaden aan de gelovigen te bewijzen, ja Hij
vermeerdert die en overlaat ons plotseling met vroegere en nieuwe weldaden. En
op die wijze handelt Hij dagelijks met ons.
Wat anders is de reden dat Hij ons onophoudelijk met ontelbare gunstbewijzen
overlaadt, dan dat Hij ons eenmaal Zijn Vaderlijke liefde heeft geschonken en nu
Zichzelf niet kan verloochenen?
Laten wij bedenken, dat God, zodra Hij welwillend jegens ons begint te zijn,
nooit moe wordt, voordat Hij door de ene weldaad op de andere te laten volgen,
ons heil heeft volmaakt.
Nadat Hij ons eenmaal heeft aangenomen en ons verstand door Zijn Woord heeft
verlicht, houdt Hij ons tegelijk de brandende fakkel van datzelfde Woord voor
ogen, opdat wij de oordelen en straffen op de misdaden door het geloof zouden
beschouwen.
Hoewel de Heere luid verkondigt, dat tegenspoed een geseling is van Zijn toorn,
luistert bijna niemand, omdat wij door verkeerde inbeeldingen van ons vlees de
oorzaken ergens anders zoeken.
Calvijn over Genesis 18:19: (“… opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou
bevelen, en zij de weg des HEEREN houden”):
Gewis niet daartoe openbaart God ons Zijn wil, opdat de kennis daarvan met ons
verloren zou gaan, maar opdat wij Zijn getuigen zouden zijn voor de
nakomelingen, en dat zij deze [kennis] – van ons ontvangen hebbende van mond tot
mond (om zo te zeggen) – weer aan de kleinkinderen zouden overleveren.
Vaders moeten zich er met zorg op toeleggen, om dat wat ze van de Heere geleerd
hebben, ook aan hun kinderen bekend te maken.
Door ons moet Gods waarheid worden verbreid, opdat niet maar elk bij zichzelf
afzonderlijk wijs zou zijn, maar dat de een de ander in overeenstemming met zijn
roeping en maat van het geloof zou opbouwen.
Het lijdt geen twijfel, of de grove onwetendheid die op de wereld heerst, is de
rechtmatige straf voor de traagheid van de mensen.
Met deze woorden geeft Mozes te kennen, dat Gods gericht wordt voorgesteld niet
alleen opdat zij verschrikken die in onverschilligheid in hun ondeugden
voortleven, en zo, in de engte gebracht, tot Christus de toevlucht nemen, maar ook opdat de gelovigen zelf, die reeds met de vreze Gods begiftigd zijn,
meer en meer toenemen in het beoefenen van de godzaligheid.
Wie in dit punt nalatig zijn, verwerpen of onderdrukken Gods genade zoveel zij
kunnen.
Calvijn over Genesis 18:20: (“De HEERE zei: het geroep van Sodom en Gomorra is
groot”):
Hieruit ontstaat de vrees voor de zonde, dat wij gevoelen dat Gods toorn door 's
mensen schuld wordt uitgelokt.
Deze uitdrukking betekent, dat al onze daden waarvan wij denken dat de
herinnering reeds begraven is, voor Gods rechterstoel worden gebracht, en
vanzelf straf eisen, ook al is er niemand die aanklaagt.
Calvijn over Genesis 18:21: (“Ik nu afdalen en bezien, of zij naar hun geroep
dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het
weten”):
Terwijl Hij met een bewonderenswaardige verdraagzaamheid wacht, totdat wij tot
de hoogste trap van goddeloosheid zijn gekomen, en onze verkeerdheid zo
kwaadaardig is, dat ze niet meer gespaard kan worden, klagen wij toch nog over
Zijn al te grote haast in het optreden met gestrengheid.
Als God soms Zijn oordelen uitstelt, moeten wij niet menen, dat het nu goed met
ons er voor staat, maar laten we, voordat het geroep van onze misdaden Gods oor
heeft vermoeid, ons door Zijn bedreigingen opgeschrikt, bijtijds haasten om met
Hem in verzoende betrekking te treden.
Calvijn over Genesis 18:25: (“Zou de Rechter van de ganse aarde geen recht
doen?”):
God kan evenmin van het recht worden afgeleid, als Hij Zichzelf kan verloochenen
dat Hij geen God zou zijn.
Calvijn over Genesis 18:27: (“Zie toch; ik ben begonnen te spreken tot de Heere,
hoewel ik stof en as ben)”:
Opgemerkt moet worden, dat Abraham, hoe dichter hij tot God nadert, des te beter
gevoelt, hoe ellendig en verwerpelijk de staat van de mens is.
Het is alleen de glans van Gods heerlijkheid, die de mensen – ontdaan van hun
dwaas en verwaand vertrouwen – met schaamte verplettert en volkomen vernedert.
Wie bij zichzelf schijnt iets te zijn, laat die de ogen opslaan tot God, en
meteen zal hij bekennen dat hij niets is.
Dat de Heere gedurig zo vriendelijk Abraham antwoordt, moet ons doen inzien, dat
hij niet onbeschaamd of lastig is.
Calvijn over Genesis 18:32: (“En Hij zei: Ik zal de stad niet verderven om de
tien”):
Waar Abraham biddend voor de Sodomieten tot de zesde bede toe gunstig werd
verhoord, zal de Heere veel minder iemands beden afwijzen, die voor de kerk en
de huisgenoten des geloofs worden uitgestort.
Calvijn over Genesis 18:33: (“Toen ging de HEERE weg, toen Hij geëindigd had tot
Abraham te spreken; en Abraham keerde terug naar zijn plaats”):
Niets is gevaarlijker dan te wonen waar de vrijheid van misdaden openlijk
regeert.
Calvijn over Genesis 19:5: (“Waar zijn die mannen die deze nacht tot u gekomen
zijn? Breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen”):
God straft de goddeloosheid van de mensen, als Hij hen tot zo grote blindheid
overgeeft, dat zij in zondige wellusten gaan leven, en hun lichamen schande
aandoen.
Onze goddeloosheid is des te minder te verontschuldigen, naarmate Gods waarheid
des te helderder aan ons is geopenbaard.
Calvijn over Genesis 19:6: (“Lot ging uit tot hen aan de deur”):
Het is werkelijk een bijzondere deugd om het heil en de eer van gasten te
stellen boven zijn leven.
Deze zielegrootheid wordt geëist van Gods kinderen, dat ze zich niet ontzien,
als het gaat over plicht en geloof.
Calvijn over Genesis 19:8: (“Ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben;
ik zal hen nu tot u uitbrengen, en doe met hen, zoals het goed is in uw ogen”):
Zo zijn gewoonlijk de daden van de heiligen: niets komt zo volkomen tot stand
dat het niet ergens enigszins kreupel gaat.
Door dit voorbeeld worden wij vermaand, om als de Heere ons met de geest van
onoverwinnelijke kracht heeft toegerust, ook te vragen dat Hij ons bestuurt door
de geest van voorzichtigheid.
Laat ons hieruit leren, als wij in de uiterste engte worden gedreven, de Heere
te bidden, de een of andere uitweg te openen.
Calvijn over Genesis 19:10: (“Die mannen staken hun hand uit, en deden Lot tot
zich inkomen in het huis”):
Hier onderwijst Mozes dat de Heere, al doet Hij zich voor een tijd ook anders
voor terwijl de gelovigen in gevaar verkeren, hen toch nooit in de steek laat,
maar Zijn hand (om zo te zeggen) op het beslissende tijdstip uitstrekt.
Laten wij met een kalm gemoed ruimte geven aan Zijn voorzienigheid, en
onverschrokken onze roeping uitoefenen en doen wat Hij beveelt.
Al laat Hij ook toe dat wij gevaar lopen, toch zal Hij tonen, dat Hij ons nooit
vergeten is.
Calvijn over Genesis 19:12: (“Toen zeiden die mannen tot Lot: wie hebt gij hier
nog meer? een schoonzoon, of uw zonen, of uw dochters, en alles wat gij hebt in
deze stad, breng uit deze plaats”):
God weet heel goed, dat maar weinigen in het volle bezit zullen zijn van de
zaligheid, die Hij beveelt aan allen zonder onderscheid aan te bieden.
Calvijn over Genesis 19:13: (“Wij gaan deze plaats verderven”):
Zo is de traagheid van ons vlees dat wij altijd eerst langzaam en moeilijk te
bewegen zijn om Gods oordeel te ontvluchten, tenzij wij door ernstige vrees
ervoor worden aangespoord.
Calvijn over Genesis 19:14: (“Hij was in de ogen van zijn schoonzonen alsof hij
gekheid maakte”):
Als eerbied en vreze Gods niet aanwezig zijn, verdwijnt alles wat over straf van
zonden wordt gezegd, als ijdelheid en scherts.
Hieruit zien wij, wat voor verderfelijk kwaad valse gerustheid is, die het
verstand van goddelozen zo dronken maakt, ja betovert, dat zij menen dat God
niet meer als Rechter in de hemel zit. En zo worden zij verhard in hun kwaad,
totdat zij door een plotselinge ondergang worden getroffen, terwijl zij roepen:
“Vrede en geen gevaar.”
Calvijn over Genesis 19:15: (“Toen de dageraad opging, drongen de engelen Lot
aan”):
In de persoon van Lot stelt de Geest des Heeren ons een toonbeeld voor ogen van
onze traagheid, opdat wij alle gevoelloosheid van ons zouden afwerpen, en zodra
het hemelse woord in onze oren weerklinkt, zouden leren ons tot stipte
gehoorzaamheid aan te gorden.
Calvijn over Genesis 19:16: (“Maar hij vertoefde; zo grepen dan die mannen zijn
hand”):
Van dit kwaad van traagheid is elk bij ervaring getuige, en daarom past het de
gelovigen met des te grotere ijver zich gereed te maken om God te volgen, en ook
er op hun hoede voor te zijn, om zich niet als het ware doof te houden voor Zijn
bedreigingen.
Calvijn over Genesis 19:18: (“Lot zei tot hen: Neen toch, Heere!”):
Deze stelregel moet men vasthouden, dat onze gebeden zondig zijn, als zij niet
op het Woord zijn gegrond.
Calvijn over Genesis 19:19: (“Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw
ogen, en Gij hebt Uw weldadigheid groot gemaakt”):
Omdat Gods goedheid door het schenken nooit wordt uitgeput of vermoeid, behoren
wij, hoe inschikkelijker wij Hem bevonden hebben, naar die mate ook des te meer
genegen te zijn om goede verwachtingen van Hem te koesteren.
Dit is het eigene van het geloof, dat uit vroegere ondervonden genade de
zekerheid ontstaat voor de toekomst.
Laten wij, vertrouwende op Gods barmhartigheid, er niet aan twijfelen dat Hij
ons toestaat alles van Hem te verwachten, en te vragen, maar wat Hij Zelf
beloofd heeft.
Calvijn over Genesis 19:19: (“ik zal niet behouden kunnen worden naar het
gebergte heen…”):
Dit is waarlijk des mensen aard, dat zij liever hun behoudenis in de hel willen
zoeken dan in de hemel, zo dikwijls zij hun eigen zin volgen.
Calvijn over Genesis 19:21: (“Hij zei tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht
opgenomen ook in deze zaak”):
Het is niets nieuws, dat soms uit toegevendheid door de Heere wordt toegestaan,
wat Hij toch niet goedkeurt.
Als God zo welwillend en vriendelijk de verkeerde wensen van de Zijnen
inwilligt, wat zal er dan wel gebeuren als onze gebeden naar het zuivere
richtsnoer van Zijn Geest zijn ingericht, en uit Zijn Woord geput?
Calvijn over Genesis 19:22: (“Ik zal niets kunnen doen, totdat…”):
Hoewel de uitdrukking ogenschijnlijk wat kras is, heeft het toch niets
ongerijmds, dat God de kwaden niet kan verdelgen, zonder dat Hij Zijn
uitverkorenen redt.
Laten wij in het oog houden, dat Gods macht door een heilige band verbonden is
met Zijn genade en trouw aan de beloften.
Men kan naar waarheid en terecht zeggen, dat God niets kan dan wat Hij wil en
heeft beloofd.
Calvijn over Genesis 19:24: (“De HEERE deed zwavel en vuur over Sodom en Gomorra
regenen, van de HEERE uit de hemel”):
In Gods hand is het menselijke geslacht, zodat Hij kan overgeven ten verderve
die Hij wil, en met barmhartigheid behandelen wie Hij wil.
Al wat wij met de maat van ons oordeel niet kunnen meten, moet aan Gods
verborgen oordeel worden onderworpen.
Calvijn over Genesis 19:26: (“En zijn vrouw zag om van achter hem; en zij werd
een zoutpilaar”):
Geen groter onrecht kan God worden aangedaan, dan dat aan Zijn Woord geloof
wordt ontzegd.
Wij weten waartoe Christus ons beveelt te denken aan de vrouw van Lot, namelijk
opdat de verleidingen van de wereld ons niet afhouden van het bedenken van het
hemelse leven.
Hoewel men over haar eeuwig heil niets zekers kan zeggen, is het toch
waarschijnlijk dat God met het opleggen van tijdelijke straf, haar ziel heeft
gespaard.
Dikwijls kastijdt God de Zijnen in hun vlees, opdat de ziel behouden zou worden
van het eeuwig verderf.
Als de zwaarte van de straf ons afschrikt, laten wij dan bedenken dat zij
tegenwoordig niet lichter zondigen, die (terwijl zij niet uit Sodom, maar uit de
hel zelf gered zijn) ergens anders heenzien, dan naar de voorgestelde palm
(overwinning) van de hemelse roeping.
Calvijn over Genesis 19:29: (“En het geschiedde, toen God de steden van deze
vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden
van deze omkering”):
Men moet vasthouden dat alles wat de Heere uit genade, zonder enige andere
drijfveer dan Zijn goedheid, doet, daarom wordt toegeschreven aan de vroomheid
of gebeden van de mensen, opdat wij aangezet zouden worden tot het dienen van
God en tot het gebed.
Als nu de Heere de genade, waarmee Hij Zijn knecht Abraham heeft verwaardigd,
tot zijn neef uitstrekt, die reeds als een vreemde buiten zijn huisgezin stond,
hoeveel te meer moet dan een ieder van de gelovigen hopen, dat diezelfde genade
aan zijn huisgenoten zeker niet onthouden zal worden?
Als de Heere, waar Hij ons begunstigt, ook anderen die met ons zijn verbonden,
om wille van ons goed doet, hoeveel te meer zal Hij dan met ons rekening houden?
Calvijn over Genesis 19:32: (“Kom, laat ons aan onze vader wijn te drinken
geven, en bij hem liggen, opdat wij van onze vader zaad in het leven behouden”):
Hieruit blijkt, waartoe mensen worden meegesleept als zij hun eigen wil volgen;
niets kan namelijk zo ongerijmd of zo dierlijk zijn, dat wij er ons niet in
storten, waar wij de teugel vieren aan ons vlees.
Laat dit het begin van al onze wensen zijn, te onderzoeken wat de Heere
toestaat, opdat ons niet in de geest zou komen iets te verlangen, dan wat Hij
volgens Zijn Woord toestaat.
Calvijn over Genesis 19:35: (“En zij gaven hun vader ook die nacht wijn te
drinken”):
Voor prikkels tot het kwaad moet men op zijn hoede zijn niet anders dan voor
dodelijke onheilen, en elke vleiende uitlokking tot zondigen moet men vrezen
niet anders dan iets vergiftigs.
Door dit voorbeeld wilde de Geest ons aansporen tot waakzaamheid, omdat – als
wij het allerminst daaraan denken – door een onzichtbare vijand netten voor ons
worden gespannen.
Als wij op ons zelf acht geven, zal die waakzaamheid ons tegen alle listen van
onze vijand op onze hoede doen zijn.
Er is niemand, die niet tot zijn eigen misleiding duizenden verleidingen van
satan met zich omdraagt.
Calvijn over Genesis 20:1: (“En Abraham reisde vandaar naar het land van het
zuiden, en woonde tussen Kades en Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar”):
Het is voor vromen nuttig geen vaste woonplaats te hebben op aarde, opdat zij
niet – terwijl zij hun hart hechten aan een gelegen en rustige woonplaats – de
erfenis des hemels uit het oog verliezen.
Calvijn over Genesis 20:2: (“Abraham had van Sara, zijn vrouw, gezegd: zij is
mijn zuster”):
In deze geschiedenis stelt de Heilige Geest ons een heldere spiegel voor ogen,
van zowel de menselijke zwakheid als de Goddelijke genade.
Omdat Abraham het grote gevaar had vergeten dat hem in Egypte was overkomen,
stoot hij zich hier weer aan dezelfde steen.
In het voorbeeld van de heilige aartsvader zien wij hoe gemakkelijk de
vergeetachtigheid zowel van straffen als van Gods goedheid ons overrompelt.
Als wij ons zeer nauw doorzoeken, zal er bijna niemand worden gevonden die
ontkent dat hij meermalen op dezelfde manier zich heeft misgaan.
Als wij nauwkeurig alles overwegen, zondigde Abraham door ongeloof, omdat hij
minder eer gaf aan Gods voorzienigheid dan hij behoorde.
Daarin ligt ook voor ons de vermaning, hoe veilig het is, om niet op eigen
plannen te vertrouwen.
Calvijn over Genesis 20:3: (“God kwam tot Abimelech in een droom des nachts”):
God betoont Zich dagelijks matig tegenover ons, als Hij ons zo met Zijn roede
tuchtigt, dat toch Zijn barmhartigheid en goedheid Zijn strengheid ver
overtreffen.
Ook dit moet vlijtig worden opgemerkt, dat – hoezeer wij ook door de wereld
worden veracht – wij toch voor Hem kostbaar zijn, om wier wil Hij ook koningen
berispt.
Calvijn over Genesis 20:3: (“Zie, gij zijt dood om de vrouw die gij weggenomen
hebt, want zij is met een man getrouwd”):
Echtbrekers zullen, hoewel zij voor een korte tijd ongestraft voortleven, toch
eindelijk gevoelen, dat God een Wreker is, omdat Hij de echtverbintenissen
beschermt.
Wij zien wanneer de Heere Zijn hulp uitstelt, zodat Hij eerst op het laatste
ogenblik naar de gelovigen Zijn hand tot redding uitstrekt, Hij daardoor
duidelijker toont, hoe bewonderenswaardig Zijn voorzienigheid is.
Calvijn over Genesis 20:6: (“God zei tot hem in de droom: Ik heb geweten dat gij
dit in oprechtheid van uw hart gedaan hebt”):
Er is geen reden, waarom elk zich in zijn eigen oordeel zou vrijpleiten, maar
veel meer moeten wij leren onze daden aan Gods oordeel te toetsen.
Als nu zij die zich van geen kwaad bewust zijn, de straf niet ontvluchten, wat
zal dan met ons gebeuren, als wij door ons eigen geweten van binnen worden
gearresteerd.
God betoont Zich dagelijks voor de Zijnen een trouwe Wachter, opdat zij niet van
kleine misstappen tot misdaden vervallen.
Calvijn over Genesis 20:7: (“Als gij haar niet teruggeeft, weet, dat gij
voorzeker zult sterven”):
In alle bedreigingen is de oproep tot bekering besloten.
Als Hij ons uitnodigt tot bekering, volgt daaruit dat er hoop op vergiffenis
overblijft, als wij ons maar bekeren.
Calvijn over Genesis 20:8: (“Toen stond Abimelech des morgens vroeg op, en sprak
al deze woorden voor hun oren”):
Dit voorbeeld van zo’n stipte gehoorzaamheid, dat ons in een goddeloos koning
wordt getoond, beneemt onze traagheid alle verontschuldiging, als bij ons Gods
bedreigingen zo weinig uitwerken.
Calvijn over Genesis 20:9: (“En Abimelech zei: Wat heb ik tegen u gezondigd, dat
gij over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt?”):
Opgemerkt moet worden, dat echtbreuk hier een grote zonde wordt genoemd, die
niet slechts één enkele man, maar het hele volk als het ware aan misdaad
schuldig maakt. Zo kon Gerars koning niet spreken, indien hij de heiligheid van
het huwelijksrecht niet kende.
Calvijn over Genesis 20:10: (“Voorts zei Abimelech tot Abraham: wat hebt gij
gezien, dat gij deze zaak gedaan hebt?”):
Laten wij uit Abimelechs voorbeeld leren, wanneer ons enig onrecht is aangedaan,
zó met onze broeders te twisten, dat wij hun de gelegenheid geven om zich vrij
te kunnen verantwoorden.
Calvijn over Genesis 20:11: (“Abraham zei: ik dacht: alleen is de vreze Gods in
deze plaats niet, zodat zij mij om mijn vrouw zullen doden”):
Alleen de vreze Gods is het die onderlinge menslievendheid verplicht, bewaart
bij de zedigheid, en wreedheid intoomt, zodat wij niet net als monsters elkaar
verscheuren.
De deur voor allerlei onrecht staat open, als de liefde en vreze Gods is
verdwenen. Van deze zaak hebben wij tegenwoordig (1550) een maar al te duidelijk
bewijs in de verschrikkelijke storm van misdaden, die bijna de hele wereld
overdekt.
Waarvandaan zou zo’n grote veelsoortige verscheidenheid van misleiding en bedrog
komen, zo’n trouweloosheid en wreedheid, dan alleen doordat met God wordt gespot
en alle billijkheid wordt onderdrukt?
Zo dikwijls wij een moeilijke strijd hebben te voeren met het bederf van onze
eeuw, moet Abrahams tijd ons voor de geest komen, die hoe vol ook van
goddeloosheid en andere misdaden toch de heilige man niet wegtrok van zijn
plicht.
Calvijn over Genesis 21:1: (“En de HEERE bezocht Sara, zoals Hij gezegd had”):
Het is van het grootste belang, dat wij weten dat Gods vrije goedheid, zowel in
de oorsprong als in de voortgang van de kerk, heerschappij voert, en dat uit
niets anders kinderen Gods worden geboren, dan enkel uit Zijn barmhartigheid.
Mozes roemt de trouw van God, alsof hij zei dat God nooit met ijdele beloften de
mensen lokt, en dat Hij niet minder waarachtig is in het geven van wat Hij heeft
beloofd, dan Hij in het beloven mild en vrijgevig is.
Calvijn over Genesis 21:4: (“En Abraham besneed zijn zoon Izak, zijnde acht
dagen oud, zoals God hem geboden had”):
Er is niets hoger dan het eenvoudige Woord van God tot regel te hebben en niet
wijzer te zijn dan geoorloofd is.
Calvijn over Genesis 21:8: (“Toen maakte Abraham een grote maaltijd op de dag
dat Izak gespeend werd”):
Niets verhindert, dat heilige mensen hun vrienden uitnodigen tot
gemeenschappelijke blijdschap, om gezamenlijk God te danken en vrolijker dan
gewoonlijk te eten. Wel moet altijd ingetogenheid en matigheid in acht worden
genomen.
God handelt niet zo streng met ons, dat het niet geoorloofd is om nu en dan zijn
vrienden gul te onthalen, hetzij als er een bruiloft gevierd moet worden, hetzij
als voor ons kinderen worden geboren.
Calvijn over Genesis 21:9: (“En Sara zag de zoon van Hagar spottende”):
Niets is bitterder voor het heilig hart, dan Gods genade aan spot te zien
blootgesteld.
Calvijn over Genesis 21:14: (“Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam
brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder;
ook het kind, en zond haar weg”):
Dit is het ware bewijs van geloof en vroomheid, als de gelovigen worden
gedrongen, om zich zover te verloochenen, dat zij ook de hoogste drang der
natuur, die op zichzelf beschouwd niet slecht noch zondig is, onderwerpen aan
Gods wil.
Calvijn over Genesis 21:19: (“En God opende haar ogen, dat zij een waterput
zag”):
Als God ons van Zijn besturing berooft, en Hij Zijn genade van ons wegneemt, dan
worden ook alle hulpmiddelen, ook die voor de hand liggen, ons ontroofd, alsof
zij ver verwijderd waren.
Daarom moet men niet slechts vragen, dat Hij ons rijkelijk geeft wat ons tot nut
is, maar tegelijk, dat Hij ons de wijsheid schenkt om die te gebruiken, anders
overkomt het ons, dat wij midden tussen de bronnen met gesloten ogen wegkwijnen.
Calvijn over Genesis 21:21: (“En zijn moeder nam hem een vrouw”):
Omdat het huwelijk een voornaam deel is van het menselijke leven, past het
kinderen in het sluiten daarvan aan de ouders onderworpen te zijn, en hun raad
te volgen.
Calvijn over Genesis 21:24: (“En Abraham zei: ik zal zweren”):
Omdat het kinderen van God past tot iedere mogelijke dienst bereid te zijn,
daarom is er niets ongerijmder dan zich lastig of traag te bewijzen, waar men
van ons eist wat billijk is.
Calvijn over Genesis 21:33: (“En Abraham riep de Naam des HEEREN, de eeuwige
God, aan”):
Abraham zegt dat hij niet was overgegaan tot het vertrouwen op een aards koning,
noch vertrouwde op het pas gesloten verbond, wat een afwijking zou geweest zijn
van de eeuwige God.
Calvijn over Genesis 22:1: (“Het geschiedde dat God Abraham verzocht”):
Als Jacobus (hoofdstuk 1 vers 13) ontkent dat iemand door God wordt verzocht,
weerlegt hij de goddeloze lasteringen van hen die om de schuld van hun kwaad van
zich af te schuiven, God proberen in plaats van zichzelf de schuld te geven.
Terecht leert Jacobus niet op een ander te moeten schuiven de zonden waarvan wij
de wortel in onze begeerlijkheden hebben.
Al druppelt Satan zijn vergif in ons hart, en al prikkelt hij door zijn
inblazingen de verkeerde begeerlijkheden in ons, toch worden wij niet door
aandrang van buiten tot zondigen gedreven, maar ons eigen vlees zet ons aan, en
uit eigen beweging gehoorzamen wij aan zijn verlokselen.
Dit is de enige manier om standvastigheid van geloof te voeden, dat wij al onze
zinnen samentrekken op het Woord van God.
Welke verzoekingen ons ook worden opgedrongen, toch weten wij dat de overwinning
in onze hand is, zolang als wij zijn toegerust met een vast geloof, anders zijn
wij werkelijk volstrekt niet in staat weerstand te bieden.
Dit is pas de ware onderworpenheid, als wij, voordat Gods wil ons bekend is,
bereid zijn die te doen.Wij zien dat allen zich beroemen op dezelfde gehoorzaamheid als Abraham, maar
waar het op de daad aankomt, ontvluchten zij het juk van God.
Calvijn over Genesis 22:2: (Neem nu uw zoon):
Alle genade die hij van God verwachten kon, lag in deze ene belofte opgesloten:
“In Izaak zal u het zaad genoemd worden.”
Hieruit [“In Izaak zal u het zaad genoemd worden”] moest hij noodzakelijk
afleiden, dat de zaligheid van hem en van het hele menselijke geslacht verloren
zou gaan, tenzij Izaak ongedeerd bleef.
Dit woord [“In Izaak zal u het zaad genoemd worden”] had hem grondig onderricht,
dat God zonder Middelaar de mensen niet genadig zou zijn. Want al was dit
(woord) van Paulus nog niet geschreven, dat ‘alle beloften van God in Christus
Ja en Amen zijn’, (II Korinthiërs 1 vers 20) toch was het in Abrahams hart
gegrift.
Ook werd hem niet alleen de dood van zijn zoon aangekondigd, maar hem werd ook
bevolen om hem met eigen hand te doden. Hij moest dus het bewijsstuk van zijn
zaligheid niet alleen wegwerpen maar ook zelf verscheuren of in 't vuur werpen,
zodat hem niets meer overbleef dan dood en hel.
Gevraagd wordt hoe hij toch door het geloof geleid kon overgaan tot tot het
uiterste, namelijk het offeren van zijn zoon, waar wat hem was voorgesteld
strijdig was met het woord van God, waarop het geloof noodzakelijk moet steunen.
Zijn geest moet hevig geslingerd en geweldig geschokt zijn geweest, toen Gods
bevel en belofte in zijn hart met elkaar botsten.
Maar nu hij zeker wist, met God te doen te hebben, Die hem niet vijandig kon
zijn, heeft hij, hoewel hij niet meteen een manier vond om de tegenstrijdigheid
weg te nemen, toch door zijn geloofsverwachting het bevel met de belofte in
overeenstemming gebracht, omdat hij, in de ontwijfelbare overtuiging dat God
getrouw was, aan Zijn voorzienigheid de uitkomst overliet, waarvan hij niets
wist.
Om aan God te gehoorzamen, was het noodzakelijk met hand en tand de belofte vast
te houden.
Het past niet dat het geloof, dat kostbaarder is dan goud en zilver, zonder
beproeving zomaar rustig blijft liggen; en de ondervinding leert, dat elk naar
de maat van zijn geloof door God beproefd wordt.
God beproeft Zijn knechten, niet alleen als Hij de lusten van het vlees ten
onder brengt, maar ook als Hij al hun verstand tot niets brengt, om hen tot
volle zelfverloochening te leiden.
Door hem zijn ‘enige’ te noemen, rijt God de pas geslagen wonde, door de
onterving van de andere (zoon) teweeggebracht, weer open.
Calvijn over Genesis 22:2: (Neem nu uw zoon, uw enige, die gij liefhebt):
Elk woord dat volgt, wordt met nadruk gezegd, om de smart te verzwaren. Hij
zegt: “Dood het voorwerp van uw enige liefde." Niet alleen zijn vaderlijke
liefde bedoelt Hij, maar die uit het geloof ontstond.
Abraham beminde zijn zoon niet slechts uit kracht der natuur, zoals vaders
gewoonlijk in zonen vermaak scheppen, maar omdat hij in hem de Vaderlijke liefde
van God aanschouwde.
Daarom schijnt God niet zozeer Zijn aanval te richten op de vaderlijke liefde
van Abraham, als wel Zijne eigen goedwilligheid jegens hem met voeten te treden.
Calvijn over Genesis 22:2: (…ga naar het land Moria, en offer hem daar tot een
brandoffer):
Door deze omstandigheid werd de bitterheid van de smart niet weinig vermeerderd.
God wil niet dat hij op staande voet het slachten van zijn zoon verricht, maar
dwingt hem drie dagen lang deze foltering in het hart te koesteren, opdat hij
door zich voor te bereiden tot het slachten van zijn zoon, zijn gevoel des te
zwaarder zou folteren.
Tot niets zijn wij meer geneigd dan boven de maat wijs te zijn. Opdat God ons
dus werkelijk leerzaam en gehoorzaam voor Zich zou maken, is het nuttig dat wij
van eigen overleg verstoken zijn en er niets overblijft dan dat wij ons aan de
leiding van Zijn wil overgeven.
Calvijn over Genesis 22:7: (Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zei:
“Mijn vader.” En hij zei: “Zie, hier ben ik, mijn zoon.” En hij zei: “Zie het
vuur en het hout, maar waar is het lam tot het brandoffer?”):
Het is niet twijfelachtig, of God heeft Izaaks tong met opzet niet alleen
geneigd tot die vriendelijke benaming, maar ook tot deze vraag geleid, opdat er
niets meer zou ontbreken aan de hoogste mate van smart.
Ook deze aanval doorstaat de heilige man met een onoverwinlijk gemoed, en zozeer
blijft hij volharden in de voorgestelde loopbaan, dat hij toont geheel aan God
verbonden te zijn, en niets toe te laten, dat óf zijn vertrouwen zou schokken óf
zijn gehoorzaamheid verhinderen.
Het is de moeite waard om op te merken hoe hij die knoop, die niet los te maken
was, ontwart: hij vlucht namelijk in de schuilplaats van de Goddelijke
voorzienigheid in de gedachte: “God zal voor Zich voorzien.”
Dit voorbeeld wordt ons ter navolging voorgesteld: zo dikwijls de Heere iets
voorschrijft, komen er plotseling vele dingen opdagen die ons aan het wankelen
brengen: de middelen ontbreken ons, van overleg zijn wij verstoken, alle
uitwegen schijnen voor ons gesloten te zijn. In zulke engten is het enige
middel, om niet te gaan wanhopen, dat wij de afloop aan God overlaten, dat Hij
door onbegaanbare streken een weg zal banen.
Evenals wij God onrecht aandoen, wanneer wij niets van Hem verwachten dan wat
ons verstand kan bevatten, zo wordt Hem door ons geen geringe eer betoond, als
wij in verwarde zaken toch in Zijn voorzienigheid berusten.
Calvijn over Genesis 22:10: (Abraham strekte zijn hand uit, en nam het mes om
zijn zoon te slachten):
Laten wij uit zijn voorbeeld leren, allerminst af te gaan op dat wat ons
vleselijk gevoel ons voorschrijft als waarschijnlijk, maar laat God door Zijn
wenk alleen ons de manier voorschrijven van ons doen en laten.
Zoals Abraham toont dat hij God vreest, door zijn eigen en eniggeboren zoon niet
te sparen, zo wordt van alle gelovigen gemeenschappelijk het bewijs van
diezelfde vreze geëist in de verloochening van zichzelf.
Calvijn over Genesis 22:13: (Abraham nam die ram en
offerde hem als brandoffer in de plaats van zijn zoon):
Dat de ram in de plaats van Izaak werd gesteld, daarin toont God ons als een
spiegel wat het doel is van onze mortificatio (het geestelijk doden van ons
zondige ik), namelijk dat wij, door de kracht van Gods Geest in ons, dood voor
onszelf, toch levende offeranden zouden zijn.
Calvijn over Genesis 22:14: (Abraham noemde de naam van die plaats: De HEERE zal
het voorzien):
In de uiterste angst had hij de toevlucht genomen tot Gods voorzienigheid. Hij
betuigt dat hij dit niet tevergeefs heeft gedaan; want hij erkent dat de ram
maar niet toevallig daar heeft gedwaald, maar van Godswege was gezonden.
Calvijn over Genesis 22:16-17: (Omdat gij uw zoon, uw enige, niet onthouden
hebt, voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen):
Wat vrijwillig wordt geschonken, wordt loon der werken genoemd om de Zijnen te
bezielen tot liefde om recht te handelen, als zij verstaan dat hun diensten Hem
zozeer behagen, dat Hij ze zelfs met loon verwaardigt.
Dubbel mild toont de Heere Zich, wanneer Hij, omdat ons wil aansporen tot vroom
leven, op onze werken overdraagt wat enkel aan goedheid te danken is.
Onterecht verdraaien de roomsen die welwillende uitnodigingen van God, waarmee
Hij onze verslapping wil verhelpen, tot het tegenovergestelde doel, dat de mens
aan zijn verdiensten zou mogen toekennen, wat enkel een geschenk is van
Goddelijke mildheid.
Calvijn over Genesis 23:3; (Daarna stond Abraham op van het aangezicht van zijn
dode):
Ambrosius overweegt zeer verstandig dat wij door dit voorbeeld onderricht
worden, dat zij verkeerd doen die zich te veel bezig houden met het treuren over
de doden.
Als Abraham toen reeds een einde heeft gemaakt aan zijn smart, en zich heeft
ingetoomd, toen de opstanding nog een duistere zaak was, verdienen zij niet de
minste verontschuldiging, die heden aan hun ongeduld de vrije teugel vieren, nu
ons in de opstanding van Christus zo’n ruime troost ter beschikking staat.
Calvijn over Genesis 23:4: (Geef mij een erfbegrafenis bij u, opdat ik mijn dode
begraaf):
Het begraven der doden was een gemeenschappelijk gebruik van allen, opdat zij
zelf bij zichzelf getuigen zouden zijn van het toekomstige leven.
Men kan niet ontkennen, dat godsdienst zorg voor het begraven meebrengt. Zeker
was het vanaf het begin van Godswege bij alle volken ingeprent om de doden te
begraven.
Ik stem toe dat het niet altijd in de geest is opgekomen bij goddeloze mensen,
dat zielen na de dood voortleven, en er hoop overblijft op de opstanding ook
voor de lichamen, en dat zij zich niet met zulke vrome overwegingen hebben bezig
gehouden, zo dikwijls zij hun doden in graven verborgen…
… maar hun onnadenkendheid neemt niet weg, dat het beeld van het toekomstige
leven hun voor ogen stond, zodat zij onverontschuldigbaar zijn.
Abraham heeft, omdat hij de hoop der opstanding diep in het hart had ingegrift,
het zichtbare teken daarvan, zoals behoorde, ijverig geëerd.
Hiertoe kocht Abraham de spelonk, om voor zich en de zijnen een heilige en reine
begraafplaats te hebben. Om een voet aarde te hebben voor het plaatsen van een
tent, daarvoor zorgde hij niet, maar wel zorgde hij voor een graf.
Vooral wilde Abraham een bijzondere en eigen begraafplaats hebben in dat land,
dat hem tot een erfenis beloofd was, om een getuigenis af te leggen voor de
nakomelingen, dat noch door zijn dood, noch door de dood van de zijnen, de
belofte Gods te niet werd gedaan, ja zelfs toen meer van kracht werd.
De doden die ontbloot waren van het licht van de zon en van de
gemeenschappelijke levensgeest, bleven toch altijd in het bezit van de beloofde
erfenis.
Terwijl zij zelf zwegen en stom bleven, verkondigde hun graf alom, dat de dood
voor hen geen hinderpaal was om in het bezit van de beloofde erfenis te geraken.
Deze gedachte nu kon niet postvatten, tenzij Abraham door het geloof had
opgezien naar de hemel.
Steeds had Abraham al zijn aandacht gericht op God, zodat hij Zijn naakte
belofte veel hoger schatte, dan het tegenwoordige bezit van het land.
Calvijn over Genesis 23:9: (… dat Efron de spelonk van Machpela mij om het volle
geld geeft):
Hoe weinigen zullen er gevonden worden die bij inkopen en andere zaken, niet hun
voordeel zullen zoeken uit het verlies van een ander? Want als de verkoper iets
tweemaal zo hoog dan het waard is, laat voorkomen, om de koper maar zoveel
mogelijk af te zetten, en de koper van zijn kant door draaierij de verkoper tot
een lage prijs zoekt te laten afdalen, komt er geen einde aan het bieden.
Hoe prachtige schijn de hebzucht ook heeft, toch maakt ze dat zij die elkaar
bekorten, de rechtschapenheid en het recht vergeten.
Calvijn over Genesis 24:1: (Abraham was oud):
De ouderdom zelf, die meestal niet ver van de dood af staat, moet er ons toe
leiden om de toestand van ons huisgezin te regelen, opdat, wanneer wij dood
zijn, een goede vrede onder de nakomelingen bewaard blijft, en de vreze des
Heeren en de goede orde van kracht blijven.
Omdat mensen amper geloven dat Gods voorzienigheid zich uitstrekt tot over
huwelijken, staat Mozes des te uitvoeriger bij dit punt stil.
Calvijn over Genesis 24:3: (… dat gij voor mijn zoon geen vrouw zult nemen van
de dochters der Kanaänieten):
Dit voorbeeld moet ons tot een algemene regel zijn, dat het aan zonen van een
gezin niet vrij staat een huwelijk te sluiten, dan met toestemming van de
ouders. Dit schrijft ook zeker het recht der natuur voor, dat in zo’n
belangrijke zaak kinderen van de wil van hun ouders afhankelijk zijn.
De vrijheid van jonge mensen moet beteugeld worden, dat ze niet zonder hun
vaders te raadplegen, lichtzinnig overgaan tot een huwelijk.
Calvijn over Genesis 24:5-6: (Die knecht zei tot hem: “Misschien zal die vrouw
mij niet willen volgen naar dit land; zal ik dan uw zoon moeten wederbrengen
naar het land waar gij uitgetrokken zijt?” En Abraham zei tot hem: “Wacht u, dat
gij mijn zoon niet daarheen terugbrengt”):
Wij zien dat het hart van de heilige man door geen beweging van zorgen in
moeilijke en verwarde zaken zich van Gods bevel heeft laten afleiden. En wij
worden door zijn voorbeeld vermaand, om ondanks alle beletselen God te volgen.
Calvijn over Genesis 24:12: (En hij zei: HEERE, God
van mijn heer Abraham, doe haar mij toch heden ontmoeten…):
Wij weten dat niemand naar behoren bidt, behalve die zijn wensen aan God
onderwerpt.
Calvijn over Genesis 24:12: (En hij zei: HEERE, God van mijn heer Abraham, doe
haar mij toch heden ontmoeten…):
Daarom is niets minder ongepast, dan met onze willekeur iets aan God voor te
schrijven.
Door Gods beleid en hand worden de zaken der mensen zo beschikt, dat er geen
toevalligheden zijn.
Calvijn over Genesis 24:15: (Het geschiedde, eer hij geëindigd had te spreken,
ziet, Rebekka kwam uit):
Nu en dan stelt Hij (het verhoren van) onze wensen wat langer uit (dan bij
Abrahams knecht), zodat wij schijnen, terwijl wij ons afmatten met bidden,
vergeefse moeite te doen.
Al ‘antwoordt’ het resultaat niet terstond, toch zijn de beden van de Zijnen
nooit vergeefs.
Calvijn over Genesis 24:21: (En de man ontzette zich over haar stilzwijgend, om
te merken of de HEERE zijn weg voorspoedig gemaakt had, of niet):
Nooit is het geloof in de heiligen zo in alle delen volkomen, of er rijzen vele
twijfelingen op.
Hoewel het geloof het gemoed van de vromen bedaard en rustig maakt, zodat ze
geduldig op God wachten, schudt het toch niet alle zorg van hen af.
Calvijn over Genesis 24:22: (Die man nam een gouden voorhoofdsiersel en twee
armringen):
Men vraagt of zulke versierselen door God worden goedgekeurd, die niet zozeer
tot versiering als wel tot weelde dienden. Ik antwoord, dat niet altijd in de
Schriften wordt verhaald, wat geschikt is te worden nagevolgd.
Wat de Heere in het algemeen voorschrijft, moet voor een onwrikbare regel worden
gehouden. Op bijzondere voorbeelden te steunen, is gevaarlijk.
Om de innerlijke hebzucht van het hart te verdrijven, veroordeelt Hij onmatige
en overtollige schittering, die de verlokkingen tot vele zonden in zich bevat.
Wel is het onze taak niet uitdrukkelijk alle sieraad te verbieden, maar toch,
omdat alles wat boven een matig gebruik gaat, door de een of andere verkeerde
ijdelheid is bedorven, moet niet slechts middelmatigheid in acht worden genomen,
maar ook onthouding, zover als dat kan.
Zij misleiden zichzelf die menen dat de voorbeelden van de heiligen hun steun
kunnen verlenen tegen de algemene wet van God.
Calvijn over Genesis 24:26: (Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad de HEERE):
Deze dankbetuiging leert ons dat wij steeds Gods voorzienigheid voor ogen hebben
te houden, om aan Hem toe te schrijven, wat ons voorspoedig gelukt.
Calvijn over Genesis 24: 40 & 48: (De HEERE, voor Wiens aangezicht ik gewandeld
heb, zal Zijn engel met u zenden, en Hij zal uw weg voorspoedig maken. En ik
neigde mijn hoofd, en aanbad de HEERE):
Dat nu Abrahams knecht, overtuigd dat de engel van God hem tot leidsman zou zijn
op zijn tocht, zijn beden noch zijn dankzegging tot hem richt, daaruit leren wij
dat de engelen niet om die reden ons tot dienaren van Gods zegen zijn gesteld,
dat ze door ons zouden worden aangeroepen of de dienst van God tot zich zouden
overbrengen.
Calvijn over Genesis 24:50: (Toen antwoordde Laban, en Bethuel, en zeiden: van
de HEERE is deze zaak voortgekomen; wij kunnen kwaad noch goed tot u spreken):
Zodra ons Gods wil duidelijk is gebleken, moeten niet alleen de tongen
stilzwijgen, maar ook alle gevoelens stil zijn, omdat het een onheilige
brutakliteit is, ook maar één gedachte toe te laten die daartegen strijdt.
Calvijn over Genesis 24:52: (Abrahams knecht boog hij zich ter aarde voor de
HEERE):
De erkenning van Gods weldaden is het offer van de lieflijkste geur, ja, de
boven alle offeranden uitmuntende dienst van God. Door ontelbare weldaden worden
de mensen onophoudelijk door God overladen. Daarom is ondankbaarheid volstrekt
onverdragelijk, als zij zich niet oefenen in het vermelden daarvan.
Calvijn over Genesis 24:65: (Toen nam zij de sluier, en bedekte zich):
Daarom is de losbandigheid van onze eeuw des te schandelijker en te minder te
verontschuldigen, nu de kleding van de bruiden met opzet wordt gericht op het
wegnemen van alle schaamtegevoel.
Calvijn over Genesis 25:7: (Dit nu zijn de dagen van de jaren van Abrahams
leven, die hij geleefd heeft, honderd vijf en zeventig jaren):
Hij verdient de lof van wonderlijke en onvergelijkelijke verdraagzaamheid, dat
hij gedurende honderd jaren ronddwalende, terwijl de Heere hem langs
verschillende wegen rondleidde, tevreden was enkel met Gods belofte, zowel in
het leven als in het sterven.
Als alleen het zien van God hem gedurende zijn hele leven ondersteunde, opdat
hij niet zou omkomen te midden van de zwaarste stormen, te midden van vele
bittere smarten, te midden van kwellende zorgen, kortom een onmetelijke
opeenhoping van kwalen, moeten ook wij leren, (opdat we nooit moe worden) om ons
op deze steunpilaar te verlaten, dat de Heere ons een gelukkig levenseinde heeft
beloofd, en wel veel duidelijker dan aan onze vader Abraham.
Calvijn over Genesis 25:8: (En Abraham gaf de geest en stierf, in goede
ouderdom):
Mozes bedoelt dat de vader der gelovigen geen uitzondering heeft gemaakt op het
gemeenschappelijke lot, opdat onze harten niet zouden treuren, dat onze
uitwendige mens verdorven wordt, maar dat wij zouden denken aan die vernieuwing
die verborgen is in de hoop, en met een kalm gemoed deze bouwvallige tent zouden
laten instorten.
Calvijn over Genesis 25:8: (En Abraham gaf de geest en stierf, in goede
ouderdom):
Er bestaat geen reden, waarom ons zwak en kwijnend lichaam, onze doffe ogen,
onze bevende handen, het verval van al onze ledematen ons de moed zou ontnemen
om op het voorbeeld van onze vader blij en opgeruimd de dood tegemoet te
snellen.
Wij zien hoevelen de begeerlijkheid van het leven verstrikt, ja dat bijna de
hele wereld kwijnt tussen walging van het tegenwoordige leven en een
onverzadigbare dorst daarnaar.
De verzadiging van het leven is een bijzonder genade van God, opdat wij bereid
zijn om eruit te verhuizen.
Calvijn over Genesis 25:21: (Izak bad de HEERE zeer in de tegenwoordigheid van
zijn vrouw, want zij was onvruchtbaar):
De kerk wordt geboren en groeit door hemelse kracht en genade, en niet door
alleen maar natuurlijke middelen.
De kerk komt niet uit menselijke vlijt voort, maar vloeit alleen vanuit Gods
genade.
Zoals Izaak ons door zijn voorbeeld aanzet tot volharding in het bidden, zo
toont ook God, dat Zijn oren nooit doof zijn voor de gebeden van de gelovigen,
al stelt Hij ze lange tijd uit.
Calvijn over Genesis 25:22: (Zij ging om de HEERE te vragen):
Zij schrijft door haar voorbeeld ons voor toe te zien dat wij in droevige zaken
niet al te zeer toegeven aan onze droefheid, of, door ondoorgrondelijke
kwellingen van binnen te voeden, onze harten verteren.
Calvijn over Genesis 25:23: (De meerdere zal de mindere dienen):
Waarom anders keert Hij de door Hem gestelde orde met opzet zó om, dan opdat wij
zouden weten, dat met voorbijzien van alle waardigheid, Jakob uit genade is
verkoren, om erfgenaam te zijn van de beloofde zegen?
God verkiest het hele zaad van Jakob zonder uitzondering, zoals de Schrift op
onderscheidene plaatsen getuigt, omdat Hij allen op gelijke wijze met dezelfde
bewijzen van Zijn genade heeft verwaardigd, namelijk met het Woord en de
sacramenten.
Maar steeds was een andere, bijzondere uitverkiezing van kracht, die in een
zeker en beperkt getal mensen wordt samengevat, zodat God, in de algemene
ondergang, bewaarde die Hij wilde.
Ezau en Jakob zijn gelijkelijk deelgenoten geweest van de uitwendige roeping.
Hieruit blijkt dat zij door Gods verborgen besluit worden gescheiden, voor wie
er een gemeenschappelijke roeping was.
Laat dit leerstuk vast blijven, dat sommigen van de mensen verloren gaan en
anderen de zaligheid verkrijgen, en dat de oorzaak afhangt van Gods verborgen
welbehagen.
Als Gods uitverkiezing de eerste oorsprong van heiligheid is, zoekt men te
vergeefs in de mensen de grond van de onderscheiding. Zij berust alleen in Gods
wil.
Calvijn over Genesis 25:28: (Izak had Ezau lief, en
Rebekka had Jakob lief):
Er is geen heiliger band van onderlinge overeenstemming dan het huwelijk.
Calvijn over Genesis 25:29: (Jakob had een kooksel gekookt; en Ezau kwam uit het
veld, en was moe):
Jacob had uit eigen beweging zijn uitgehongerde broer te hulp moeten komen.
Omdat het menselijke geslacht, van zijn oorsprong af, verloren en aan het
verderf is overgegeven, worden zij die behouden worden, alleen door vrije genade
Gods van de ondergang bevrijd.
Daarom worden niet sommigen boven anderen gesteld door eigen verdienste, maar
omdat allen gelijkelijk de genade onwaardig zijn, worden zij behouden die God
naar Zijn wil heeft uitverkoren.
Dit (woord) van Paulus moet steeds vastgehouden worden, dat niemand boven een
ander uitmunt door zijn vlijt of deugd, maar alleen door Gods genade.
Laten wij hieruit leren, dat allen die God niet verwaardigt met de genade van
Zijn Geest, dierlijk en redeloos zijn, en zo gehecht aan het bouwvallige leven,
dat zij aan het geestelijk koninkrijk van God niet denken.
Alle verworpenen blijven ondergedompeld in de bederfselen van het vlees, maar de
uitverkorenen worden door de Heilige Geest vernieuwd, om een maaksel Gods te
zijn, geschapen tot goede werken.
Er blijft niets anders over, dan dat alle vlees zwijgt voor het aangezicht des
Heeren, en de hele wereld zich met deemoedige schuldbelijdenis vernedert voor
Zijn oordeel.
Calvijn over Genesis 25:30: (Ezau zei tot Jakob:
laat mij toch slurpen van dat rode, dat rode daar):
Een aardsgezinde geest hebben wij allen, en als wij onze natuur als leider
volgen, zullen wij gemakkelijk afstand doen van de hemelse erfenis. Laat dus
onmiddellijk de aansporing van de apostel ons voor de geest komen: „Laten wij
geen onheiligen zijn, zoals Ezau.”
Calvijn over Genesis 25:34: (Zo verachtte Ezau de
eerstgeboorte):
Goddelozen, vervreemd van het hemelse leven, gevoelen niet dat hun schade wordt
aangedaan, totdat God van de hemel bliksemt. Zolang zij de wensen van het vlees
vervuld zien, verachten zij Gods toorn, en zo komt het, dat ze gevoelloos naar
hun verderf verdergaan.
Laten wij leren, als wij soms, bedrogen door de verlokselen der wereld, van de
rechte weg zijn afgeweken, snel ons zelf wakker te schudden.
Calvijn over Genesis 26:1: (En er was honger in dat
land):
Moeilijk en hard was die staat, dat de Heere wilde, dat de Zijnen in het land,
dat Hij hun beloofd had te zullen geven, gasten zouden zijn, die gedurig naar
nieuwe woonplaatsen moesten verhuizen.
Dit schijnt nog minder te verdragen, dat Hij zelfs niet toeliet daar als
vreemdeling te verkeren, en (om zo te zeggen) een onstandvastig en bewegelijk
leven te leiden, maar dat Hij ze bijna van honger deed omkomen.
Wie zou niet zeggen, dat de Heere het Zijne was vergeten, waar Hij Zijn
kinderen, die Hij in Zijn trouwe zorg opnam, zelfs niet schaars en armoedig van
levensmiddelen voorzag?
Zo oefende God de heilige vaders, opdat wij, onderricht door hun voorbeeld, in
beproevingen niet al te week en te zacht zouden zijn.
Calvijn over Genesis 26:2: (En de HEERE verscheen
hem en zei: “Trek niet naar Egypte”):
Omdat Hij met die maat de Zijnen bestuurt, dat Hij niet meteen al hun ondeugden
verbetert en volkomen reinigt, komt Hij hun zwakheden tegemoet, en voorkomt Hij
door gepaste middelen het kwaad waarin ze verstrikt zouden kunnen worden.
Zoals vast moet worden gehouden, dat welke harde en zware beproevingen ons
drukken, nooit Gods hulp ons zal ontbreken om kracht te verschaffen, zo moeten
wij op onze beurt op onze hoede zijn en ons niet lichtzinnig in gevaar storten.
Maar zijn zwakheid moet hem waarschuwen om zich zorgvuldig en voorzichtig in
acht te nemen.
Calvijn over Genesis 26:2: (Woon in het land dat Ik
u aanzeggen zal):
Hij wil dat deze eer aan Zijn woord zou worden bewezen, dat Izaäk te midden van
uitwendige verontrustingen van binnen kalm bleef.
Nooit zullen we op een betere grond steunen, dan wanneer wij ons maar
afhankelijk voelen van Gods Woord, en met terzijdestelling van de tegenwoordige
omstandigheden, door het geloof Zijn zegen die nog niet zichtbaar is, aannemen.
Hij bevestigt weer Zijn vroeger gegeven belofte, opdat Izaäk vlijtiger tot
gehoorzamen zou worden.
De Heere is gewoon de Zijnen uit traagheid wakker te schudden, opdat zij met
inspanning van alle krachten voor Hem strijden, terwijl hij hen gedurig
verzekert dat hun arbeid niet ijdel zal zijn.
Hoewel Hij van ons een vrije en passende gehoorzaamheid eist, zoals een vader
van zijn kinderen, daalt Hij toch zo laag af tot onze bevatting, dat Hij ons een
beloning voorhoudt, om ons te lokken en aan te moedigen.
Calvijn over Genesis 26:5: (Omdat Abraham Mijn stem
gehoorzaam is geweest, en Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn
wetten heeft onderhouden):
Hij prijst Abrahams gehoorzaamheid, om Izaäk tot zijn navolging te prikkelen.
De zin is dat Abraham, door zijn leven geheel naar Gods wil te richten, had
gewandeld in de zuivere dienst van God.
Calvijn over Genesis 26:7: (Toen de mannen van die
plaats hem vroegen over zijn vrouw, zei hij: “Zij is mijn zuster”, want hij
vreesde te zeggen: “Mijn vrouw”, opdat misschien, zei hij, de mannen van deze
plaats mij niet doden om Rebekka):
Hieruit blijkt hoe groot de neiging van onze natuur is tot wantrouwen, en hoe
licht wij in ingewikkelde zaken verstoken zijn van inzicht.
Omdat zoveel gevaren aan alle kanten ons omringen, moeten wij de Heere vragen,
dat Hij ons versterkt met Zijn Geest, opdat ons verstand niet door vrees en
aarzeling vergaat en vervliegt. Anders zal het gedurig gebeuren, dat wij iets
verkeerds proberen, waarvan wij onmiddellijk, en toch te laat, berouw zullen
hebben.
Calvijn over Genesis 26:8: (Het geschiedde, dat
Abimelech, de koning der Filistijnen, uit het venster keek en zag dat, zie, Izak
was jokkende [= grapjes aan het maken / liefkozen] met Rebekka zijn vrouw):
God stelt zo’n toonbeeld van Zijn welwillendheid ons voor ogen, dat de
gelovigen, als ze eens gevallen zijn, vertrouwen dat Hij barmhartig en gunstig
is voor hen.
Door dit voorbeeld worden wij onderwezen dat in het hele leven gerechtigheid
moet worden beoefend, opdat de mensen ons niet van misdadige of schandelijke
dingen kunnen verdenken.
Er is niets, dat ons beter beschermt tegen elk spoor van schande, dan het leiden
van een eerbaar en matig leven.
Mozes spreekt niet over echtelijke gemeenschap, maar over een of ander te vrij
gebaar, dat óf het bewijs was of van ongebonden dartelheid, of van
huwelijksliefde.
Tegenwoordig baant de bandeloosheid zich met zó’n geweld een weg, dat
echtgenoten gedwongen worden om buitensporige spel van hun vrouwen met anderen
stilzwijgend toe te laten.
Calvijn over Genesis 26:10: (Abimelech zei: Wat is
dit, dat gij ons gedaan hebt?):
Wij moeten ons herinneren dat wij in het licht moeten wandelen, dat God voor ons
heeft ontstoken, opdat niet zelfs ongelovigen, die door de duisternis van
onwetendheid omgeven zijn, ons van dwaasheid beschuldigen.
Deze eigenschap heeft het geloof, dat het ons binnen de door God voorgeschreven
perken houdt, zodat wij niets ondernemen dan op Zijn bevel of met Zijn
toelating.
Als God ook ongelovigen voor Zijn rechterstoel daagt, en hen de rechtmatige
veroordeling niet laat ontgaan, wat een verschrikkelijke straf staat dan ons te
wachten, als wij de kennis die God in ons geweten heeft gegrift, door onze
slechtheid proberen te vernietigen.
Calvijn over Genesis 26:14: (…zodat de Filistijnen
hem benijdden):
Laten wij allen leren, niet al te begerig naar grote rijkdom te staan.
Het is geen gewoon goed, zonder afgunst, onrust en twist te leven.
Alle moeiten waardoor God de Zijnen oefent, zijn geen enkel beletsel om bij alle
weldaden die Hij rijkelijk schenkt, het genot van Zijn Vaderlijke liefde vast te
houden.
Zo matigt Hij de gunst die Hij in deze wereld aan Zijn kinderen laat blijken,
opdat Hij hen in die tussentijd door scherpe prikkels zou aanzetten tot het
bedenken van het hemelse leven.
Calvijn over Genesis 26:23: (En de HEERE verscheen
hem in die nacht en zei…):
Bij de gelovigen heeft één woord van God meer gewicht, dan alle goede dingen bij
elkaar.
Izak heeft deze Godspraak met grotere blijdschap ontvangen, dan wanneer duizend
rivieren met nectar hadden gestroomd.
Mozes prijst met opzet deze genade dat de Heere hem heeft opgericht met Zijn
woord, opdat wij daaruit zouden leren, aan de andere weldaden van God zodanig de
hun toekomende eer te bewijzen, dat het getuigenis van Vaderlijke liefde dat Hij
ons geeft in Zijn Woord, altijd de erepalm behoudt.
Levensonderhoud, kleding, goede gezondheid, vrede en opeenvolging van andere
gelukkige omstandigheden doen ons de Goddelijke goedheid smaken, maar wanneer
Hij ons vertrouwelijk aanspreekt, en ronduit verklaart, dat Hij onze Vader is,
dan is dit waarlijk iets dat ons tot verzadiging toe geheel en al verkwikt.
Mensen moeten in Gods tegenwoordigheid vanwege hun zwakheid niet alleen vergaan,
maar zelfs geheel tot niets worden teruggebracht.
Zo dikwijls God bij de gelovigen een nieuw bewijs van Zijn genade gaf,
ondersteunde Hij hun geloof wel met nieuwe versterkingen, maar toch wilde Hij,
dat het gegrond zou blijven op het eerste verbond, waarin Hij hen voor Zich had
aangenomen.
En deze manier van doen moeten wij in het oog houden, opdat wij Gods beloften,
zoals ze ten nauwste samenhangen, leren verzamelen. En dit is altijd het
beginsel dat zich voordoet, dat God ons zo welwillend genade belooft, omdat Hij
ons genadig heeft aangenomen.
Calvijn over Genesis 26:24: (De HEERE verscheen aan
Izak in die nacht, en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want
Ik ben met u):
Ten eerste moet worden opgemerkt, dat God tot de gelovigen spreekt met als doel
om hun gemoed gerust te stellen.
Als Zijn Woord is weggenomen, moeten zij wel of helemaal verbijsterd verlamd
worden, of door onrust gekweld worden.
Van geen andere kant kan er vrede tot ons komen, dan uit de mond van de Heere,
wanneer Hij Zich maar betoont de Beschermer te zijn van ons heil.
Wij zijn niet vrij van alle vrees, maar de gerustheid van het geloof is krachtig
genoeg om de verwarringen te doen bedaren.
Calvijn over Genesis 26:24: (De HEERE verscheen aan
Izak in die nacht, en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want
Ik ben met u, en Ik zal u zegenen):
De inwendige aanroeping van God heeft geen altaar nodig.
Het is zeker dat de heiligen overal, waar zij ook leefden, God hebben vereerd.
Omdat de vroomheid bij de mensen een bewijs moet tonen, verklaart Izak, door een
altaar op te richten en te wijden, openlijk dat hij de ware en enige God
vereert, en op die manier scheidt hij zich af van de bedorven heilige
verrichtingen der heidenen.
Calvijn over Genesis 26:25: (Toen bouwde hij daar
een altaar, en riep den Naam des HEEREN aan):
Alle geloofsoefeningen die gelovigen verrichten, moeten tot dat doel zijn
gericht, dat God wordt gediend en aangeroepen.
Calvijn over Genesis Genesis 26:25: (…en Izaks
knechten groeven daar een put):
Door deze voorbeelden moeten de gelovigen zich gewennen aan verdraagzaamheid, en
als hun soms voedsel en overige levensbehoeften ontbreken, moeten zij het oog
richten op Izak, die erg dorstig in de hem van Godswege beloofde erfenis
ronddwaalt.
Calvijn over Genesis 26:26: (En Abimelech trok tot
hem van Gerar):
Laten wij leren dat de harten der mensen in Gods hand zijn, zodat Hij ze niet
alleen ombuigt tot volgzaamheid die tevoren vol woede waren, maar ook door vrees
vernedert, zo dikwijls het Hem behaagt.
Calvijn over Genesis 26:27: (En Izak zei tot hen:
Waarom zijt gij tot mij gekomen, terwijl gij mij haat, en mij van u hebt
weggezonden?):
Deze plaats leert ons, dat het de gelovigen geoorloofd is over hun tegenstanders
te klagen om hen, als het mogelijk is, terug te roepen van hun lust om kwaad te
doen, en hun geweld, hun bedrog en onrecht te verhinderen.
God eist niet van de Zijnen, dat ze alle onrecht hun aangedaan zwijgend zullen
opnemen, maar alleen, dat zij hun gemoed en hun handen afhouden van
wraakoefening.
Als toch hun gemoed rein en gehoorzaam is, zullen ook hun tongen niet venijnig
zijn, om van misdrijven een verwijt te maken, maar dit alleen zullen zij voor
ogen hebben te houden, om slechten, door schaamtegevoel, van het kwade af te
houden.
Als uit klagen geen goede verwachting is voortgekomen, is het beter met zwijgen
de vrede aan te kweken, opdat ze soms niet als hen die in kwaad doen zichzelf
behagen, onverontschuldigbaar worden.
Calvijn over Genesis 26:28: (Zij zeiden: wij hebben
merkelijk gezien, dat de HEERE met u is):
Als niet-godvrezende mensen iemand aan wie alles goed lukt, de gezegende des
Heeren noemen, getuigen zij dat God de enige Oorsprong van alle goede dingen is,
van Wie alleen alle voorspoed afdaalt.
Calvijn over Genesis 26:29: (Zoals wij bij u alleen
goed gedaan hebben…):
Zij handelen naar de gewone handelwijze van mensen, wanneer zij hun misdaden zo
kunstig en prachtig als het maar kan verbloemen.
Als wij een zonde hebben gedaan, past het veel meer openhartig onze schuld te
bekennen, dan door te ontkennen, het hart der beledigden nog meer te verwonden.
Als ons bevolen wordt de vrede na te jagen, ook als ze ons schijnt te
ontvluchten, past het ons veel minder om afstotend te zijn, als vijanden zich
eigener beweging met ons verzoenen, voornamelijk als er in de toekomst hoop
bestaat op enige verbetering, ook al komt de ware bekering nog niet te
voorschijn.
Calvijn over Genesis 26:31: (En zij stonden des
morgens vroeg op, en zwoeren de een de ander):
Dit is de wettige manier van eedzweren, als mensen zich onderling verplichten
tot het bewaren van vrede.
Calvijn over Genesis 27:2: (Ik ben oud geworden, ik
weet de dag van mijn dood niet):
Elk draagt in de kracht van het leven duizend doden met zich om, ja de dood eist
zelfs de vrucht op die nog in de moederschoot is ingesloten, en vergezelt het
door de afzonderlijke levenstijden.
Maar hoe dichter de dood de ouderen nadert, hoe meer zij hem zich gedurig voor
ogen moeten stellen, en zij mogen niet anders op de wereld verkeren, dan alsof
ze reeds het ene been in het graf hadden.
Calvijn over Genesis 27:6vv: (Toen sprak Rebekka tot
Jakob, haar zoon…):
Laten we beseffen dat niet altijd een zuivere en heldere kennis in het hart der
vromen schijnt, zodat ze in alle daden door de Heilige Geest worden bestuurd.
Maar het geringe licht dat hun de weg wijst, is gehuld in tal van nevels van
onwetendheid en dwalingen, zodat zij – terwijl zij de rechte gang houden en op
het doel aansturen – toch herhaaldelijk wankelen.
Steunend op Gods bevel, gaan wij onbevreesd, waarheen Hij ook roept.
Uit dit voorbeeld leren wij weer, dat het geloof niet altijd wordt uitgeblust
door een bijzondere zonde.
Uit dit voorbeeld leren wij dat elk bedaard en voorzichtig moet blijven binnen
de perken van zijn roeping, en niet verder mag gaan, dan de Heere in Zijn Woord
toelaat.
Hij had liever moeten wachten, totdat God van de hemel een middel aanwees, door
het hart van zijn vader Izak te veranderen en zijn tong te besturen, dan iets
ongeoorloofds te ondernemen.
Calvijn over Genesis 27:19: (Jakob zei tegen zijn
vader: ik ben Ezau, uw eerstgeborene):
Hoewel in de hoofdzaak het geloof van de heilige Jakob uitblonk, staat hij toch
in dit opzicht schuldig aan roekeloosheid, dat hij Gods voorzienigheid
wantrouwend, door bedrog tot het bezit van de zegen van zijn vader wilde
geraken.
Uit dit voorbeeld leren wij, dat als iemand eenmaal de wettige grenzen van zijn
plicht heeft overschreden, er geen grens is aan de bandeloosheid. En daarom is
er niets beters, dan dat elk zich houdt binnen de van Godswege gestelde perken
en niet door meer te ondernemen dan geoorloofd is, de deur openzet voor Satan.
Calvijn over Genesis 27:27: (Toen rook hij de reuk
van zijn klederen):
De beeldspraak die Ambrosius op deze plaats bijbrengt, mishaagt mij niet. Jacob,
de jongste in jaren, wordt onder het masker van zijn eerstgeboren broer
gezegend; de kleding die hij van zijn broer heeft genomen, verspreidt een
aangename en zoete geur voor zijn vader. Op die manier, zegt Ambrosius, worden
ook wij gezegend, als wij in Christus’ Naam voor het aangezicht van onze hemelse
Vader verschijnen, en het kleed van de gerechtigheid, dat ons met zijn reuk
aangenaam maakt, van Hem krijgen; daarna worden wij daar in Zijn plaats gesteld.
Calvijn over Genesis 27:29: (Vervloekt moet zijn die
u vervloekt; en wie u zegent, zij gezegend):
De heilige man wenst, dat God hem (= Jakob) gunstig zou zijn, in Wiens
Vaderlijke gunst een onwrikbar en eeuwig geluk voor ons vast ligt.
Dit is de belofte: wanneer God de gelovigen in Zijn bescherming opneemt, belooft
Hij een vijand te zullen zijn van hun vijanden.
Calvijn over Genesis 27:33: (Ik heb hem gezegend;
ook zal hij gezegend wezen):
Het nut van deze leer strekt zich uit tot heel de kerk: dat wij zeker weten dat
alles wat de herauten van het evangelie ons op Gods bevel beloven, krachtig en
vast zal zijn, omdat zij niet spreken als privé personen, maar als op Gods eigen
bevel.
De zwakheid van de dienaar verhindert niet dat de waarheid, de kracht en
uitwerking voor Gods Woord vaststaat.
Hij die zich aanbiedt als borg van eeuwige zegen en leven, is aan de algemene
ellende en de dood onderworpen, maar toch is de belofte van kracht.
Hij die aan ons vrijspreekt van zonden, is een zondaar, maar omdat dit ambt hem
van Godswege is opgelegd, wankelt de vastheid van deze genade die in God is
geworteld, nooit.
Calvijn over Genesis 27:34: (Toen Ezau de woorden
van zijn vader hoorde, schreeuwde hij met een grote en bittere schreeuw, gans
zeer):
Ezau bereikt niets, omdat hij niet de deur van het geloof ingaat.
Ook de ware godsvrucht perst er bij Gods kinderen geween en groot geschreeuw
uit.
Zij die nalaten God te volgen wanneer Hij roept, roepen Hem daarna tevergeefs
aan, wanneer Hij hun de rug heeft toegekeerd.
Zolang God ons toespreekt en uitnodigt, is de deur van het Koninkrijk der
hemelen enigermate geopend, en die gelegenheid moeten we te baat nemen, als we
willen ingaan.
Paulus omschrijft de welaangename tijd en de dag der zaligheid als ons door het
evangelie genade wordt voorgesteld.
Wij moeten vrezen, als wij ons doof houden voor Gods stem als die tegenwoordig
is, Hij Zelf Zich op Zijn beurt doof zal houden voor ons geroep.
Maar men vraagt, hoe met deze weigering de belofte is te rijmen: “Wanneer een
zondaar zich bekeert van al zijn zonden die hij gedaan heeft, en al Mijn
inzettingen onderhoudt, en doet recht en gerechtigheid, dan zal hij gewis leven,
hij zal niet sterven.” Vervolgens schijnt het niet met Gods barmhartigheden
overeen te komen, het zuchten te verwerpen van hen die verslagen over hun
ellende, tot Zijn genade de toevlucht nemen.
Berouw, als het maar waar en oprecht is, zal komen nooit te laat, en de zondaar,
als hij zichzelf hartelijk mishaagt, zal vergiffenis ontvangen. Omdat Ezau
zonder geloof en berouw (in tranen) uitbreekt om de zegen te begeren, is het
geen wonder, dat hij afgewezen wordt.
Het begin van bekering is, dat men smart krijgt over zijn zonde en zichzelf
mishaagt.
Calvijn over Genesis 27:37: (Izak zei tot Ezau: zie,
ik heb hem tot een heer over u gezet):
God wil, dat de gelovigen zó van Hem afhankelijk zullen zijn, dat zij zich
veilig verlaten op het woord dat hun door ’s mensen tong, op Zijn bevel, wordt
aangekondigd. Zo zegt men dat zij die slechts boden en tolken zijn van de
genadige vergiffenis, de zonden vergeven.
Calvijn over Genesis 27:38: (En Ezau hief zijn stem
op, en weende):
ongelovigen betreuren als straf hen kwelt, het geluk dat zij missen, maar
ondertussen houden zij niet op om in hun ondeugden behagen te scheppen. Ja, zo
weinig verlangen zij van harte naar de gerechtigheid Gods, dat ze liever hebben
dat Zijn Naam wordt verdelgd.
Van die aard is het gekners der tanden en het geween in de hel zelf, dat het de
verworpenen niet aanzet om God te zoeken, maar hen alleen verteert door
verborgen kwellingen.
Intussen blijft de geestelijke zegen ongeschonden in Jacobs bezit, en omdat Ezau
weigert zich bij hem te voegen, sluit hij zich uit eigen beweging uit van het
Koninkrijk Gods.
Elk die uit vrees en schaamte voor de mensen zich onthoudt van het kwaad is nog
niet ver gevorderd.
Calvijn over Genesis 27:43: (Vlucht naar Haran):
Wij leren uit dit voorbeeld, om geduldig te verdragen als de hoop op een beter
leven het kruis tot metgezel heeft, zelfs als de Heere ons met deze bepaling als
erfgenamen van Zijn Koninkrijk aanneemt, dat wij op de wereld als vreemdeling
onzeker zwerven.
Wij moeten op onze hoede zijn, dat geen gemakzucht van het vlees of verleiding
van de wereld ons wegvoeren van de koers van onze roeping.
Calvijn over Genesis 28:1: (Izak riep Jakob, en
zegende hem):
Hoewel de zegen op zich zelf krachtig was, had toch Jakobs geloof steun nodig.
Zo doet de Heere, als Hij gedurig dezelfde beloften herhaalt, Zichzelf en Zijn
Woord niets te kort, maar veeleer prijst Hij bij Zijn knechten de zekerheid
daarvan aan, opdat die in hun harten wegens de zwakheid van het vlees niet soms
zou wankelen.
Calvijn over Genesis 28:4: (Hij geve u de zegen van
Abraham, opdat gij erfelijk bezit het land van uw vreemdelingschappen):
Wij zien hierin, met wat voor standvastig geloof de heilige vaderen op het Woord
van God vertrouwden. Het was toch geen kleine verzoeking, om als gasten en
vreemdelingen rond te zwerven in een land, waarvan het bezit reeds voor honderd
jaren hun van Godswege was toegezegd.
Dit is het ware kenmerk van het geloof, dat wij, steunend op Gods Woord alleen,
hoezeer wij verontrust worden te midden van de maalstroom van de wereld, even
standvastig blijven staan, alsof reeds onze woonplaats in de hemelen was
gevestigd.
Calvijn over Genesis 28:4: (Hij geve u de zegen van
Abraham, opdat gij erfelijk bezit het land van uw vreemdelingschappen dat God
aan Abraham gegeven heeft):
Met deze woorden geeft hij hem te kennen, dat het kan zijn dat hij heel zijn
leven moet zwerven, maar dat dit niet de kracht van Gods belofte verhindert,
opdat hij met dit ene tevreden, geduldig de tijd van de openbaring afwacht.
Omdat deze kwaal ingeworteld is aan het menselijk geslacht, dat elk graag met
het een of ander voorwendsel God probeert te bedriegen, moeten wij bedenken, dat
wij niets verrichten, zolang wij ons niet beijveren de zonde bij de wortel uit
te trekken, en ons geheel aan God te wijden.
Calvijn over Genesis 28:11: (En hij nam van de
stenen van die plaats, en maakte zijn hoofdkussen, en legde zich te slapen op
die plaats):
Als we soms vinden dat wij nogal ruw behandeld worden, laat dan het voorbeeld
van deze heilige man ons voor de geest komen, zodat dit ons van onze gemakzucht
geneest.
Calvijn over Genesis 28:12: (En hij droomde; en zie,
een ladder was gesteld op de aarde, waarvan het opperste aan de hemel raakte; en
ziet, de engelen Gods klommen daarop op en neer):
Omdat mensen door de zonde van God zijn vervreemd, wordt (al vervult Hij Zelf
alles met Zijn kracht en onderhoudt Hij alles) toch door ons niets bemerkt van
deze mededeling waardoor Hij ons op zijn beurt tot Zich wil trekken.
Christus alleen is het dus, Die hemel en aarde verbindt. Hij is de enige
Middelaar, Die van de hemel tot de aarde reikt. Hij is het ook, door Wie de
volheid van alle hemelse goederen van boven tot ons neerdaalt, en door Wie wij
anderzijds tot God opklimmen.
Wij, die niet slechts aan de aarde gebonden waren, maar in de afgrond der
vervloeking en in de hel zelf waren neergedaald, klimmen op tot God.
Het is geen hinderpaal, dat Christus' lichaam begrensd is, zodat Hij hemel en
aarde in het geheel niet zou kunnen vervullen, want Zijn genade en kracht is
overal verspreid.
Gods Majesteit, die zich hier zo helder vertoont, moet vrees inboezemen, zodat
alle knie zich buigt voor Christus, en dat alle schepselen hoog tegen Hem opzien
en aanbidden, en dat voor Zijn aangezicht alle vlees zwijgt.
Maar ook wordt er een vriendelijk en liefelijk beeld van Hem geschilderd, opdat
wij zouden weten, dat door Zijn afdalen de hemel voor ons is geopend en dat de
engelen met ons bevriend zijn geworden.
Calvijn over Genesis 28:13: (En zie, de HEERE stond op de ladder en zei: Ik ben
de HEERE, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak):
Verschijningen waarbij geen woord wordt gesproken, laten koud. Het Woord des
Heeren is dus als het ware de ziel, die ze levend maakt.
De gedaante van de ladder was een aanhangsel van geringere betekenis bij deze
belofte. Zo illustreert en versiert God met uitwendige tekenen Zijn Woord, om nu
eens daaraan grotere helderheid en dan weer meer gezag te geven
Laten wij opmerken, dat God, zo dikwijls Hij Zich aan de vaderen vertoont, heeft
gesproken, zodat geen zwijgende verschijning hen in twijfel zou laten.
Met de naam Jehovah duidt God aan, dat Hij de Enige Maker van de wereld is,
opdat Jakob geen andere goden voor zichzelf zou zoeken.
Terwijl Hij Zich naar Zijn oneindige goedheid schikt naar onze bevatting, laat
Hij niets weg wat nuttig is tot onze zaligheid.
Doordat God Zich de God van Abraham en Izak noemt, roept Hij Zijn knecht Jakob
terug tot de ware oorsprong van het geloof en bewaart Hij hem bij het eeuwige
verbond.
Dit is de heilige band van godsvrucht, waardoor al Gods kinderen onderling samen
verbonden zijn, dat zij van het begin tot het einde dezelfde heilsbelofte
vernemen, en samen stemmen in één hoop.
Calvijn over Genesis 28:13: (Dit land waarop gij ligt te slapen, zal Ik aan u
geven, en aan uw zaad):
Wij lezen, dat het land aan zijn nakomelingen is gegeven. Zelf echter is hij
niet alleen tot zijn dood daarin een gast geweest, maar ook kon hij er niet eens
sterven. Daaruit besluiten wij, dat met het land als garantie en waarborg, hem
iets beters en heerlijkers was gegeven.
Abraham was de geestelijke bezitter van het land en had – tevreden met alleen de
aanschouwing daarvan – voornamelijk het oog op de hemel.
Zodra Jakobs kinderen in het land Kanaän zijn ingegaan, bleef de erfenis
voortdurend in hun bezit tot op Christus, met Wiens komst de wereld is
vernieuwd.
Intussen moest de heilige man, steunende op dit getuigenis van God, op hoop
tegen hoop leven. Want hoewel deze belofte rijk en heerlijk was, toch kon toen,
waarheen Jacob zich ook wendde, niet de minste goede verwachting hem
tegenblinken. Hij zag, dat hij als mens eenzaam en verlaten was, er bleef voor
hem niets beters over dan ballingschap, de terugkeer was onzeker en vol van
gevaar.
Maar het was nuttig, dat hij zo van alle middelen verstoken zou zijn, opdat hij
zou leren alleen van Gods Woord afhankelijk te zijn.
Zo schijnt God ook heden, al belooft Hij ons alles in ruime mate, toch geheel
met lege handen tot ons te komen, maar het past ons deze eer en hulde aan Zijn
Woord toe te brengen, dat wij door het geloof als rijk en met goederen vervuld
leven.
Uit dit voorbeeld leren wij, dat de Heere Zijn gelovigen volstrekt niet
teleurstelt, al stelt Hij de vervulling van de goederen die Hij belooft, uit tot
na hun dood.
Calvijn over Genesis 28:14:
(In u en in uw Zaad zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden):
In Jacob en zijn Zaad is de zegen te herwinnen, waarvan het hele menselijke
geslacht in de eerste stamvader was uitgevallen.
Calvijn over Genesis 28:15: (En zie, Ik ben met u,
en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij zult trekken, en Ik zal u wederbrengen
in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan zal hebben, wat Ik
tot u gesproken heb):
Deze belofte had een dubbel voordeel. Zij behield zijn gemoed bij het geloof aan
het Goddelijk verbond. Voorts diende zij om hem te doen weten, dat het niet goed
met hem was, tenzij hij in het volle bezit was van de beloofde erfenis.
Calvijn over Genesis 28:16: (Toen Jakob van zijn
slaap ontwaakte, zei hij: “Gewis is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet
geweten”):
Laten wij ons, zo dikwijls de Heere ons voorkomt en meer geeft dan ons verstand
bevatte, verwonderen dat God ons nabij is geweest.
Calvijn over Genesis 28:17: (En hij vreesde, en zei:
“Hoe vreselijk is deze plaats”):
Hoewel God Zijn knechten verblijdt, boezemt Hij hun ook vrees in, opdat zij
leren met ware nederigheid en met afzien van zichzelf Zijn genade te omhelzen.
Calvijn over Genesis 28:18-19: (Jakob nam die steen
en zette hem tot een opgericht teken. En hij noemde de naam van die plaats
Beth-el):
In deze zin wordt de prediking van het evangelie genoemd het ‘Koninkrijk der
hemelen’, en kunnen de sacramenten genoemd worden ‘poorten des hemels’, omdat
zij ons toegang geven tot het aanschouwen van God.
Door een gedenkteken op te richten, en de plaats een naam te geven, geeft hij te
kennen, dat zo’n buitengewone weldaad van God waardig is om alle eeuwen door te
worden geprezen.
Daarom beveelt de Schrift de gelovigen niet slechts onder huns gelijken Gods lof
te bezingen, maar verplicht deze hen ook hun kinderen in de plichten der
vroomheid op te voeden, en de dienst van God voort te planten bij hun
nakomelingen.
Calvijn over Genesis 28:20: (Jakob beloofde een
gelofte):
Als de lichtzinnigheid van hen verkeerd is die zonder onderscheid geloften
uitgieten, moeten wij toezien, dat wij niet aan hen gelijk worden in een ander
uiterste, door alle geloften op te heffen.
Opdat een gelofte wettig zou zijn en God zou behagen, is het in de eerste plaats
noodzakelijk, dat ze zich richt op het juiste doel; vervolgens, dat mensen niet
iets beloven, dan wat op zich door God wordt goedgekeurd, en wat Hij hun ter
beschikking gesteld heeft.
Calvijn over Genesis Genesis 29:1: (Toen hief Jakob
zijn voeten op, en ging naar het land der kinderen van het Oosten):
Zo vaak als wij in verwarde omstandigheden onzeker omzwerven, moet met het oog
des geloofs worden gelet op Gods verborgen voorzienigheid, die ons en onze
belangen bestuurt, en zo tot onverwachte uitkomsten leidt.
Calvijn over Genesis 29:14: (Toen zei Laban tot hem:
“Voorwaar, gij zijt mijn gebeente en mijn vlees”):
Onze welwillendheid moet zich juist verder uitstrekken, zodat zij zich verbreidt
over heel het menselijke geslacht.
Calvijn over Genesis 29:15: (Daarna zei Laban tot
Jakob: “Omdat gij mijn broeder zijt, zoudt gij mij dus om niet dienen?):
God heeft het oordeel over billijkheid in ’s mensen natuur ingegrift. Zelden
dwalen mensen in algemene beginselen, en daarom geven ze als uit één mond toe,
dat men ieder het zijne moet geven. Zodra zij echter aan hun eigenbelang
toekomen, verblindt een verkeerde zelfliefde hen, zodat zij naar de
tegenovergestelde kant worden meegevoerd.
Laten wij leren onszelf te beteugelen, opdat niet eigenbelang ons zó beheerst,
dat wij gerechtigheid onderdrukken.
Men moet God vragen, dat Hij onze hartstochten door de geest van een
rechtvaardig oordeel matigt en beteugelt.
Calvijn over Genesis 29:27: (Vervul de week van
deze; dan zullen wij u ook die geven, voor de dienst, die gij nog andere zeven
jaren bij mij dienen zult):
Als een echtgenote door haar echtgenoot op de één of andere manier niet wordt
hooggeacht, verdient het de voorkeur van haar te scheiden, dan een andere binnen
te brengen, en haar als het ware gevangen te houden, en van droefheid te gronde
te richten.
Calvijn over Genesis 29:30: (En hij had ook Rachel
meer lief dan Lea):
Er is geen twijfel aan, of Mozes wilde Jakobs zonden ons overleveren, opdat wij
zouden leren op onze hoede te zijn, en al onze handelingen naar de enige regel
van Gods Woord te richten.
Als de heilige aartsvader zo is uitgegleden, wie van ons zal dan veilig zijn
voor een dergelijke misstap, tenzij hij door Gods bescherming bewaard wordt?
Calvijn over Genesis 29:31: (De HEERE zag dat Lea
gehaat was):
De Heilige Geest verklaart, dat zij gehaat worden die niet genoeg bemind worden.
Daarom zal niemand voor God onschuldig zijn aan de misdaad van haat, dan die
zijn naasten liefheeft.
Niet alleen wordt een verborgen vete als haat beschouwd, maar ook het
verwaarlozen van broeders en de lauwheid in de liefde, die overal op de wereld
heerst.
Naar dat elk nauwer aan de ander verbonden is, moet men zich beijveren, om door
een heiligere band van liefde onderling samen te stemmen.
Bovendien is onder echtgenoten, ook al twisten zij niet openlijk, wanneer zij
elkaar met minder liefde dienen, afkeer niet ver van haat verwijderd.
Calvijn over Genesis 29:32: (Zij noemde zijn naam
Ruben):
Toen werden over het algemeen Gods weldaden beter afgewogen dan tegenwoordig.
Want een goddeloze ongevoeligheid neemt bijna van allen de geesten in beslag,
zodat ze net als varkens, de bewijzen die God op welke manier ook geeft van Zijn
goedheid, inslokken.
Diegenen worden door de Heere aangezien, die onrechtvaardig door de mensen
worden veracht. Dus geeft het de gelovigen een zeer nuttige troost, van wie de
ervaring toont dat ze het meest veracht zijn op de wereld.
Zo dikwijls de gelovigen hard en smadelijk worden behandeld, moeten zij tot deze
vrijplaats de toevlucht nemen dat God om deze reden ze te meer gunstig gezind
is.
Calvijn over Genesis 30:1: (Rachel benijdde haar
zuster):
Door deze kwaal (van jaloersheid) in Rachel te tonen, herinnert Mozes ons eraan,
dat deze allen is ingeprent, opdat elk van ons zich geheel eraan wijdt die
radicaal uit te roeien om zich daarvan te reinigen.
Om van afgunst te genezen, moeten wij trots en liefde tot onszelf wegdoen.
Calvijn over Genesis 30:2: (Jakobs toorn ontstak
tegen Rachel):
Jacob wordt toornig, omdat zijn vrouw niets toekende aan Gods voorzienigheid, en
dat ze – zich verbeeldende dat kinderen door toeval geboren zijn – Hem de zorg
en het bestuur over het menselijke geslacht ontneemt.
Dit was een heilige verontwaardiging, omdat Jakob aan God de rechtmatige eer
toekent.
Calvijn over Genesis 30:3: (En zij zei: zie, daar is
mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in):
Hieruit besluiten wij, dat er geen eind is aan het zondigen, waar eenmaal Gods
inzetting is verwaarloosd.
Calvijn over Genesis 30:5: (En Bilha werd zwanger,
en baarde aan Jakob een zoon):
God wedijvert door weldaden met de slechtheid van de mensen en begeleidt
onwaardigen met Zijn genade.
Calvijn over Genesis 30:6: (Toen zei Rachel: God
heeft mij gericht, en ook mijn stem verhoord, en heeft mij een zoon gegeven):
Rachel verheerlijkt niet zozeer Gods goedheid, maar juicht zichzelf toe. Laten
daarom gelovigen, door haar voorbeeld geleerd, zich ervan onthouden om Gods
heilige Naam door geveinsdheid te ontheiligen.
Calvijn over Genesis 30:8: (Toen zei Rachel: ik heb
worstelingen Gods met mijn zuster geworsteld; ook heb ik de overhand gehad):
In Rachel wordt ons de trots van onze menselijke natuur uitgetekend, want
meestal verheffen zij die God met Zijn weldaden heeft vereerd, zich zo, om
smadelijk tegen hun naasten op te staan.
Calvijn over Genesis 30:8: (Toen zei Rachel: ik heb
worstelingen Gods met mijn zuster geworsteld; ook heb ik de overhand gehad):
Als God soms onze straffen verlicht, moeten wij des te meer op onze hoede zijn
om niet – door Zijn goedheid opgezwollen – te vergaan.
Calvijn over Genesis 30:9: (Toen nu Lea zag, dat zij
ophield met baren, nam zij ook haar dienstmaagd Zilpa, en gaf die aan Jakob tot
vrouw):
Wij weten, dat allen die zich op de Heere verlaten, kalm en rustig van gemoed
zijn, zodat zij geduldig verwachten, wat Hij zal geven.
Het is een rechtmatige straf voor ons ongeloof, als iemand door al te grote
haast zich stoot. En daarom moeten wij des te meer op onze hoede zijn tegen de
aandrang van het vlees, als wij de rechte weg begeren te houden.
Calvijn over Genesis 30:14: (Ruben vond dudaïm in
het veld, en hij bracht die tot zijn moeder Lea):
De Geest vertoont hier niet een prachtig schouwspel, waarmee de Joden zouden
kunnen pralen, maar hen vernederend verheft Hij Gods genade, dat Hij Zijn Kerk
uit niet heeft te voorschijn geroepen.
Calvijn over Genesis 30:27-28: (Toen zei Laban: noem
mij uitdrukkelijk uw loon dat ik geven zal):
Hoe groter de verdraagzaamheid van de heilige man was, hoe meer willekeur Laban
tegenover hem gebruikte. Zo misbruikt de wereld de inschikkelijkheid der vromen;
en hoe meer zij zich vredelievend gedragen, des te driester de wereld hen
aanvalt.
Hoezeer wij ook, in deze wereld, als schapen aan het geweld en het onrecht der
wolven zijn blootgesteld, toch hebben wij niet te vrezen, dat zij ons zullen
verscheuren of inslikken, omdat toch de hemelse Herder ons beschermt met Zijn
hoede.
Calvijn over Genesis 30:30: (De HEERE heeft u
gezegend bij mijn voet):
Al leggen mensen zich met goed vertrouwen toe op hun taak, toch hangt het
resultaat alleen af van Gods genade.
Tweeledig is het nut van deze leer. Want wat ik ook begin, of op welk werk ik
mij ook toeleg, het is mijn plicht, van de Heere te vragen, dat Hij mijn arbeid
zegent, opdat die niet vergeefs en vruchteloos is.
Vervolgens, als ik iets heb verkregen is het mijn tweede (plicht), God lof toe
te brengen, zonder Wiens hulp de mensen vergeefs vroeg opstaan, en zich de hele
dag aftobben, en laat ter ruste gaan.
Calvijn over Genesis 30:33: (Mijn gerechtigheid zal
met mij betuigen):
Jakob verwacht alleen van zijn geloof en zijn oprechtheid een gunstige gevolg.
Vaak laat de Heere het toe dat slechten door kwade middelen rijk worden, en
staat Hij hun een overvloedige winst toe, terwijl ze door te bedriegen het goed
van anderen tot zich trekken. Toch verhindert dit niet, dat Zijn zegen de gewone
gezel is van goed geloof en billijkheid.
Calvijn over Genesis 30:36: (Hij stelde een weg van
drie dagen tussen hem en Jakob):
De goddelozen zijn gewoon anderen bij zichzelf af te meten, en vandaar komt het,
dat ze altijd wantrouwig en bang zijn.
Calvijn over Genesis 30:37: (Jakob nam roeden van
groen populierenhout, en van hazelaar, en van kastanje):
Al worden wij onjuist behandeld, toch mogen we niet (terug)vechten met gelijke
slechtheid.
Calvijn over Genesis 30:43: (En die man brak gans
zeer uit in menigte, en hij had vele kudden):
Niets is Hem meer eigen, en meer in overeenstemming met Zijn gerechtigheid dan
Zich als Beschermer / Wreker tussen te plaatsen, waar enig onrecht is geschied.
Calvijn over Genesis 31:3: (De HEERE zei tot Jakob:
keer terug naar het land van uw vaders):
Het gebeurt dikwijls, dat de gelovigen, terwijl ze tot God gaan, zich niet zo
haasten, als behoort.
Als de loomheid van het vlees ons ophoudt, moeten wij onze ijver door de
aanblazing van de Geest leren aanwakkeren.
De Heere zorgt dikwijls beter voor het heil van de Zijnen, als Hij hen
onderwerpt aan de haat, de afgunst en kwaadwilligheid van goddelozen, dan
wanneer Hij hen door vleierijen laat strelen.
Het was veel nuttiger voor de heilige Jakob, dat hij zijn schoonvader en diens
zonen tegen zich had, dan dat zij vriendelijk tegemoet kwamen aan zijn wensen,
want hun gunst zou hem van Gods zegen hebben beroofd.
Ook wij ervaren maar al te zeer, welke kracht de verlokkingen der wereld hebben
en hoe gemakkelijk die ons, wanneer die overvloeien, door een vergeten van de
hemelse goederen besluipen en overvallen.
Wij moeten het niet onaangenaam vinden, door de Heere te worden wakker geschud
wanneer wij aan tegenspoed worden blootgesteld, of de wereld ons minder genegen
is.
Hatelijkheden, bedreigingen, verwijten, vernederingen / onderwaardering brengen
ons dikwijls meer nut aan, dan als allen van alle kanten ons zouden toejuichen.
Calvijn over Genesis 31:13: (Ik ben de God van
Beth-el):
Niet daarom noemt Hij Zich de God van Bethel, omdat Hij opgesloten is in de
beperkte ruimte van één plaats, maar om Zijn knecht opnieuw aan Zijn belofte te
herinneren.
Weinig licht van de leer heerste er toen, en nog gehuld in vele donkere
schaduwen. Bijna heel de wereld was tot goden van eigen bedenksel vervallen; die
streek, ja het huis van zijn schoonvader was zelfs overvol van afgodisch
bijgeloof.
Temidden van zoveel hinderpalen was niets moeilijker voor hem, dan zijn geloof
aan de ene ware God verbonden en geboeid te houden.
Jakobs zuivere godsdienst wordt geprezen, dat hij temidden van de wanordelijke
dwalingen van de wereld, zich houdt bij de gehoorzaamheid en verering van die
God, Die hij eenmaal had leren kennen.
Met deze godsspraak wordt verklaard dat de Heere, dat Hij altijd de vromen
gedachtig is, ook terwijl zij schijnen weggeworpen en verlaten te zijn.
Calvijn over Genesis 31:19: (Rachel stal de terafim
die haar vader had):
Van deze kwaal is de wortel, dat de mensen, omdat ze vleselijk zijn, zich ook
God vleselijk voorstellen.
Calvijn over Genesis 31:23: (Laban jaagde Jakob
achterna, en kreeg hem op het gebergte van Gilead):
Hierdoor worden wij onderwezen dat de beproevingen die ons voor een tijd lastig
vallen, toch tot onze zaligheid strekken, als wij ons slechts gehoorzaam aan
Gods wil onderwerpen, Die met opzet ons zo oefent om hierdoor beter te tonen hoe
goed Hij voor ons zorgt.
Calvijn over Genesis 31:29: (Het was in de macht van
mijn hand u kwaad te doen):
Ongeloof gaat altijd gepaard met trots, zodat ongelovigen, hoewel verpletterd,
toch niet ophouden brutaal zich te verheffen tegen God.
Calvijn over Genesis 31:29: (De God van uw vader
heeft tot mij gisteren nacht gesproken, zeggende: wacht u, om met Jakob te
spreken, of goed, of kwaad):
Als God Zich aan ons heeft bekendgemaakt, moeten wij tegelijk van de hemel de
geest van zachtmoedigheid begeren, die ons tot gehoorzaamheid aan Hem overbuigt
en dringt.
Calvijn over Genesis 31:30: (Waarom hebt gij mijn
goden gestolen?):
Zo dikwijls dit [van slechtheid te worden beschuldigd] ons ten deel valt, moet
deze heerlijke belofte van God ons ondersteunen, dat de Heere op zijn tijd onze
onschuld als het morgenlicht te voorschijn zal doen komen.
Calvijn over Genesis 31:42:(Tenzij de God van mijn
vader, de God van Abraham, en de Vreze van Izak, bij mij geweest was…):
De vromen vrezen God zo, dat zij volstrekt niet schrikken voor Zijn aanblik,
zoals de verworpenen, maar bevend voor Zijn oordeel, wandelen zij voorzichtig
voor Hem.
Calvijn over Genesis 31:42: (God heeft mijn ellende,
en de arbeid van mijn handen aangezien):
Opdat God ons met Zijn gunst ondersteunt, laten wij leren onze taak tenvolle te
verrichten, ons niet aan onze wettige arbeid te onttrekken, en niet te weigeren
om ook met veel moeilijkheden vrede te kopen.
Als zij van wie wij het goede zouden verdienen, ons hard en onbillijk
behandelen, moeten wij in hoop en stilte ons kruis dragen, totdat de Heere ons
te hulp komt, want Hij zal ons niet tot het uiterste in de steek laten, zoals zo
dikwijls in de Schrift wordt uitgedrukt.
Calvijn over Genesis 31:42: (God heeft u gisteren
nacht bestraft):
Slechte en onbillijke zaken te begunstigen is strijdig met Gods natuur.
Calvijn over Genesis 31:43: (Laban antwoordde en zei
tegen Jakob: deze dochters zijn mijn dochters):
Uit deze plaats besluiten wij, al is het dat gierigheid en andere verkeerde
hartstochten het oordeel en het gezond verstand wegnemen, toch blijft in het
gemoed / de geest van de mensen de kennis van de waarheid ingegrift.
Calvijn over Genesis 31:44: (Kom, laat ons een
verbond maken, ik en gij, dat het tot een getuigenis zij tussen mij en u):
Het past Gods kinderen om de vrede niet alleen vurig te omhelzen, maar die zelfs
begerig te zoeken, zoals ons bevolen wordt in Psalm 34 vers 15.
Calvijn over Genesis 31:48: (Deze hoop zij heden een getuige tussen mij en u):
Deze regel moet gelden voor de sacramenten: als het woord waarmee God Zich aan
ons heeft verpand er uit wordt weggenomen, blijven er maar onnutte en dode
zinnebeelden over.
Calvijn over Genesis 31:49: (Laat de HEERE opzicht
nemen tussen mij en u, wanneer wij de een van de ander verborgen zullen zijn):
Als er enige godsdienst in ons bloeit, zal Gods aanwezigheid ons veel meer
bewegen, dan de aanblik van alle mensen.
Als het algemeen natuurlijk besef dit aan Laban heeft voorgezegd, dat de
bedriegerijen die voor de wereld verborgen zijn, in Gods gericht zullen komen,
moet het ons, die verkeren onder het licht van het evangelie, met schaamte
vervullen om ijverig schuilplaatsen te zoeken voor onze bedriegerijen.
Calvijn over Genesis 31:50: (Als gij vrouwen neemt
boven mijn dochters, niemand is bij ons; zie toe, God zal Getuige zijn tussen
mij en u):
Waar de huwelijksband, het heiligste dat er onder de mensen is, wordt verbroken,
wordt heel de menselijke samenleving tot wankelen gebracht.
Die krankzinnige mensen die heden ten dage zo graag de veelwijverij / polygamie
verdedigen, hebben geen andere rechter nodig dan Laban.
Calvijn over Genesis 31:55: (En Laban zegende zijn
zonen en zijn dochters):
Hieruit leren wij, dat er voor goddelozen geen verontschuldiging overblijft van
onwetendheid, omdat enige beginselen van godskennis blijven in hun harten.
Het gebruik van zegenen komt daarvandaan, dat de mensen vast overtuigd zijn, dat
God de enige Bron / is van alle goed.
Hoezeer ze ook trots zich alles aanmatigen, waar ze tot zichzelf komen, worden
ze gewillig of onwillig gedwongen te beseffen, dat alle goed slechts van God
alleen afkomstig is.
Calvijn over Genesis 32:1: (Jakob trok ook zijns
weegs; en de engelen van God ontmoetten hem):
Deze leer moet tot ons allen worden uitgebreid, om te leren in de duidelijke
blijken van Gods genade, Zijn onzichtbare aanwezigheid te beschouwen.
Calvijn over Genesis 32:2: (Jakob zei, met dat hij
hen zag: dit is een leger van God):
Het getal versterkt niet weinig het vertrouwen, want hoewel het genoeg is, als
ons elk een afzonderlijke bewaker wordt geschonken, handelt de Heere toch met
ons milder.
Daarom verkleinen zij Gods genade boosaardig, die menen, dat elk van ons maar
door één engel wordt beschermd. Zonder twijfel heeft de duivel met deze list ons
geloof enigszins proberen te verzwakken.
Calvijn over Genesis 32:3-5: (En Jakob zond boden
uit tot Ezau. En hij gebood hun: zo zult gij zeggen tot mijn heer, tot Ezau: ik
heb gezonden om mijn heer aan te zeggen, opdat ik genade vind in uw ogen):
Dit voorbeeld leert ons, hoe wij vrede moeten zoeken met slechte mensen. De
Heere belet ons immers niet, om ons recht te verdedigen, voor zover de
tegenstanders ons dat toestaan, maar wij moeten eerder van ons recht afstand
doen, dan dat er door onze schuld strijd ontstaat.
Calvijn over Genesis 32:6,7: (En de boden kwamen
terug tot Jakob, zeggende: wij zijn gekomen tot uw broeder, tot Ezau; en ook
trekt hij u tegemoet, en vierhonderd mannen met hem. Toen vreesde Jakob zeer, en
hij werd bang):
De Heere wilde, dat het gemoed van Zijn knecht door zodanige vrees, al was die
ook ongegrond, voor een tijd benauwd zou worden, om daardoor zijn gebedsijver te
meer aan te vuren.
Calvijn over Genesis 32:7: (Toen vreesde Jakob zeer,
en hij werd bang):
Wij weten immers, wat voor koelheid in dit opzicht ontstaat door vleselijke
gerustheid. Opdat dus het geloof niet uit gemis van enige prikkel in ons zou
verstijven, laat de Heere dikwijls ons voor vele dingen bang zijn, die niet
gevreesd hoeven te worden.
Zij die zich verbeelden, dat het geloof vrij is van alle vrees, hebben nooit
iets geproefd wat het ware geloof is.
Niet daartoe belooft de Heere ons nabij te zijn, om ons te bevrijden van alle
besef van gevaar, maar opdat de vrees niet de overhand zou krijgen en ons door
wanhoop zou overstelpen.
Calvijn over Genesis 32:9: (O, God van mijn vader
Abraham, en God van mijn vader Izak, o HEERE…):
Omdat mensen te ver van God verwijderd zijn, dan dat ze in eigen kracht tot
Zijne Majesteit zouden kunnen opklimmen, daalt Hij Zelf tot de gelovigen neer.
Calvijn over Genesis 32:9: (Gij hebt tot mij gezegd:
keer terug tot uw land, en tot uw stam, en Ik zal goed bij u doen):
En zo nodigt God, door Zich de God van Abraham en van Izaak te noemen, hun zoon
Jakob vriendelijk tot Zich. Immers omdat God de God van zijn (ouderlijk) huis
was, kon de toegang tot Hem voor de heilige man niet moeilijk vallen.
Door de God van zijn vaderen met name aan te roepen, stelt Jakob zich dus de
beloften, hem in hun personen geschonken, voor ogen, opdat hij niet met een
weifelend gemoed zou bidden maar zich veilig zou kunnen verlaten op die steun,
dat hij als erfgenaam van de beloofde zegeningen God gunstig vóór zich zou
hebben.
De gezonde regel van het gebed hebben wij in het Woord te zoeken, opdat wij niet
zomaar tot God trachten te gaan, maar tot Hem komen op die manier, als Hij Zich
aan ons openbaart.
Zeker is dit de wettige manier van bidden, dat de gelovigen antwoorden op de
roepende God. Zo toch onstaat er tussen Zijn Woord en hun wensen onderlinge
overeenstemming; zoals geen zoetere en grotere samenstemming kan worden
uitgedacht.
Dit is een heilige aanmatiging, wanneer wij, onze plicht gedaan hebbend, volgens
Gods roepstem vertrouwelijk van Hem vragen, al wat Hij heeft beloofd, omdat Hij,
door Zich vrijwillig aan ons te verbinden, als het ware uit eigen beweging onze
Schuldenaar is geworden.
Elk die, zonder te steunen op Gods bevel of belofte, zijn wensen uitspreekt,
doet niets dan lege woorden de lucht in schiet.
Calvijn over Genesis 32:10: (Ik ben geringer dan al
deze weldadigheden, en dan al deze trouw die Gij aan Uw knecht gedaan hebt):
Men moet satans list in het oog houden. Want om ons door het besef van de (aan
het gebed) eigen waardigheid af te schrikken van het bidden, brengt hij ons op
deze gedachte: wie ben je, dat je voor Gods aangezicht durft verschijnen?
Deze verzoeking snijdt Jacob bijtijds de pas af, door te zeggen, dat hij de
vorige weldaden van God onwaardig was.
Hij erkent, dat God niet gelijk is aan mensen, dat hij nooit moe wordt
onophoudelijk weldaden te geven en te vermeerderen.
Jakob put hieruit stof voor zijn geloofsvertrouwen, omdat hij Gods weldoende
hand al zo vaak ondervonden had.
Deze verbinding van barmhartigheid en trouw komt overal in de Schrift voor,
opdat wij zouden weten, dat al het goede ons toevloeit uit Gods vrije gunst…
… maar dat wij vatbaar daarvoor worden, als wij Zijn beloften door het geloof
omhelzen.
Calvijn over Genesis 32:12: (Gij hebt immers gezegd:
Ik zal u zeker goed doen, en Ik zal uw zaad stellen als het zand der zee):
Deze zonde is onder de mensen maar al te algemeen, dat zij eerst tot God bidden
en dan nog in een kring ronddraaien om voor zichzelf ijdele steun bedenken,
terwijl dit de voornaamste vrucht van het gebed is, om in stilheid en kalmte de
Heere te verwachten.
Calvijn over Genesis 32:13: (Hij nam van dat wat hem
in zijn hand kwam, een geschenk voor Ezau zijn broer):
Hoewel wij biddend onze zorgen op God terugwerpen, om ons gemoed tot vrede en
rust te brengen, toch mag die gerustheid ons niet traag maken.
De Heere wil, dat alle hulpmiddelen die Hij ons maar aanreikt, gebruikt zullen
worden.
De vromen verwachten de gunstige uitslag van hun inspanning van niets anders dan
van Gods barmhartigheid, en doen alleen daarom moeite om hulpmiddelen te zoeken,
opdat zij Gods genadegaven door hun traagheid niet verduisteren.
Hebben ze hun plicht gedaan, dan blijven ze afhankelijk van dezelfde genade van
God; zijn ze van hulpmiddelen verstoken, dan blijven ze toch rustig.
Calvijn over Genesis 32:22: (Hij stond op in die
nacht, en hij nam zijn twee vrouwen, en zijn twee dienstmaagden, en zijn elf
kinderen, en hij trok over het veer van de Jabbok):
Door dit voorbeeld worden de gelovigen onderwezen, om telkens als er zich een of
ander gevaarlijke situatie voordoet, deze volgorde aan te houden:
- in de eerste plaats dat zij rechtstreeks tot God vluchten,
- vervolgens dat zij alle middelen ten dienste van het ogenblik gebruiken, die
zich voordoen,
- ten derde dat zij op elke uitkomst voorbereid zijn, en ongeschokt verder gaan,
waarheen de Heere ook beveelt.
Calvijn over Genesis 32:24: (Maar Jakob bleef alleen
over; en een Man worstelde met hem):
Deze verschijning was voor Jakob persoonlijk bijzonder nuttig, opdat hij vooruit
zou weten, dat hem nog veel strijd te wachten stond, en opdat hij zeker zou
weten, dat hij uit die allemaal als overwinnaar te voorschijn zou treden.
Er is niet de minste twijfel, of de Heere heeft aan al de Zijnen
gemeenschappelijk in zijn persoon een toonbeeld gesteld van de verzoekingen die
er voor hen blijven, en die zij in dit bouwvallige leven moeten ondergaan.
Het hoort als het doel van de verschijning te worden gehouden, dat alle knechten
van God op deze wereld net als worstelaars zijn, omdat de Heere hen door
onderscheidene soorten van worstelingen oefent.
Er wordt gezegd, dat God Zelf met Jakob heeft geworsteld, opdat wij zouden
weten, dat ons geloof door Hem Zelf wordt beproefd, en dat wij, zo vaak als wij
beproefd worden, werkelijk met Hem te maken hebben.
Zoals alle voorspoed voortvloeit uit Zijn genade, zo is tegenspoed óf een gesel
waarmee hij onze zonden kastijdt, óf een test van geloof en geduld.
Wat eenmaal onder zichtbare gestalte aan onze vader Jakob werd vertoond, wordt
nog dagelijks in de leden van de kerk afzonderlijk vervuld, dat zij in
beproevingen met God hebben te worstelen.
Omdat Hij de enige Oorzaak is van kruis en smart, en Hij alleen (zoals bij
Jesaja wordt gezegd, hoofdstuk 45 vers 7) licht en duisternis schept, wordt Hij
gezegd ons te beproeven, voor zover Hij ons geloof op de proef stelt.
Wij krijgen in zijn persoon een les, dat wij gedurende onze hele levensloop
oorlog moeten voeren, opdat niemand soms op rust rekenend zichzelf uit eigen
beweging zou misleiden.
Calvijn over Genesis 32:25: (… zodat het gewricht
van Jakobs heup verwrongen werd):
Wij weten, dat Gods kracht in onze zwakheid wordt volbracht, opdat onze roem
voor Hem met ootmoed gepaard zou gaan.
Als onze krachten ongeschonden bleven, en geen letsel of verzwikking uit de
strijd was, zou ons vlees meteen overmoedig worden en zouden wij vergeten, dat
wij door Gods hulp hadden overwonnen.
Calvijn over Genesis 32:26: (Hij zei: ik zal U niet
laten gaan, tenzij Gij mij zegent):
Het is voor Gods kinderen veel beter om verminkt en half gebroken door God
gezegend te worden, dan te verlangen naar een vrede waarin zij verlamd raken.
Calvijn over Genesis 32:30: (Jakob noemde de naam
van die plaats ‘Pniel’: want ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en
mijn ziel is gered):
Als voor Gods gezicht de aarde begint te beven, de bergen smelten, de hemel door
nevelen wordt bedekt, wat moet dan wel met ellendige mensen gebeuren?
Waar Gods oneindige Majesteit zelfs niet door de engelen kan worden bevat,
zonder hen te verteren, moeten wij noodzakelijk, zodra ons Zijn heerlijkheid
toestraalt, geheel verdwijnen en in het niet verzinken, als Hij Zelf ons niet
ondersteunt en beschermt.
De gelovigen gevoelen, als God Zich aan hen vertoont, dat zij nietiger zijn dan
rook, kortom dat het noodzakelijk is om tot God te komen om de trots van het
vlees te verbreken.
… en toch als (deze verschijning) wordt vergeleken met de heerlijkheid van het
evangelie, ja met die van de wet, dan is ze nog maar gelijk aan een vonkje of
een eerste lichtstraal in de duisternis.
Als nu Jakob reeds zo blij is, en zich geluk wenst met die beperkte mate van
kennis, wat moeten wij dan tegenwoordig wel doen, aan wie Christus, het levende
Beeld van God, door de spiegel van het evangelie keer op keer voor ogen wordt
gesteld?
Calvijn over Genesis 33:2-3: (En hij stelde de
dienstmaagden en hun kinderen vooraan; en Lea en haar kinderen meer
achterwaarts; maar Rachel en Jozef de achterste. En hij ging voorbij hun
aangezicht heen, en hij boog zich zeven maal ter aarde, totdat hij bij zijn
broer kwam):
Elk van ons moet zich des te meer in acht nemen, en niet dáárom menen dat hij in
alle opzichten rein is, omdat hij van plan is recht te handelen. Want plotseling
vermengt zich het vlees met ons heilig voornemen en vele zonden en bederfselen
overvallen ons ongemerkt.
God handelt goedertieren met ons, als Hij ons dergelijke zonden niet toerekent.
Calvijn over Genesis 33:4: (Toen liep Ezau hem
tegemoet, en nam hem in de arm, en viel hem aan de hals, en kuste hem; en zij
weenden):
Dat Ezau boven alle verwachting, welwillend en vriendelijk zijn broer tegemoet
snelt, is door Gods bijzondere genade gekomen. De Heere heeft op deze manier
getoond, dat Hij de harten van de mensen in Zijn hand heeft, en hun hardheid
naar Zijn welgevallen verzacht, en hun woestheid beteugelt.
Als ooit de bedreigingen van vijanden ons verschrikken, laten wij dan leren tot
dit heilige anker te vluchten.
Weinigen worden beheerst door de geest der aanneming tot kinderen, zodat zij als
broeders de onderlinge liefde onder elkaar trouw beoefenen.
Wanneer hij antwoordt, dat hem zo’n talrijk nageslacht door God gegeven is,
erkent en belijdt hij, dat kinderen niet op die manier natuurlijkerwijze geboren
worden, of dit is altijd waar, dat de vrucht van de buik een beloning of een
geschenk van God is.
Het past ons, zolang wij op aarde rondwandelen, afhankelijk te zijn van het
Woord des Heeren, opdat het ons niet te zwaar valt opgesloten te worden gehouden
onder de schaduw van de dood, totdat ons leven geopenbaard zal worden.
Hoewel voor het uiterlijke onze toestand ellendig en vervloekt is, zegent de
Heere ons toch door Zijn Woord, en in dit ene woord spreekt Hij ons zalig: dat
Hij ons houdt voor Zijn kinderen.
Calvijn over Genesis 33:6: (Toen traden de
dienstmaagden toe, zij en hun kinderen, en zij bogen zich neer):
Laten wij het geduldig verdragen, dat ook in onze tijd de heerlijkheid van de
kerk door een morsig kleed is bedekt, en ten spot verstrekt aan ongelovigen.
Calvijn over Genesis 33:11: (Neem toch mijn zegen,
die u toegebracht is, omdat God het mij genadig verleend heeft):
Nauwelijks heeft één procent ‘de overtuiging, dat al zijn bezit voortvloeit uit
Gods vrije gunst, en toch is dit besef ons door de natuur ingebeiteld, maar wij
verwoesten het door onze ondankbaarheid.
Calvijn over Genesis 33:13: (Jakob zei tot Ezau:
“Mijn heer weet, dat deze kinderen teer zijn, en dat ik zogende schapen en
koeien bij mij heb. Als men die maar één dag voortdrijft, zal de hele kudde
sterven):
Laten wij door dit voorbeeld leren onze zorgen te beteugelen, opdat wij niet,
waar God voor ons zorgt, beangst zijn als in twijfelachtige omstandigheden.
Calvijn over Genesis 33:14: (… ik zal mij op mijn gemak als leidsman voegen,
naar de gang van deze kinderen, totdat ik bij mijn heer te Seïr kom):
De waarheid is voor God te kostbaar, dan dat Hij ons zou toestaan, om zelfs
zonder schade te liegen of te bedriegen. Daarom moet men op zijn hoede zijn, om
– waar enige vrees voor gevaar ons gemoed in beslag neemt – niet tot dergelijke
uitvluchten de toevlucht te nemen.
Calvijn over Genesis 33:20: (Hij richtte daar een
altaar op, en noemde het ‘De God van Israël is God’):
Hij had als doel, dat het hele gezin in éénzelfde zienswijze van het geloof God
zou dienen. Want het paste hem als een vrome vader van het gezin ijverig zorg te
dragen, dat hij geen goddeloos huis had, maar integendeel dat God daar heerste
als in een heiligdom.
Calvijn over Genesis 34:1-2: (Dina, de dochter van
Lea, ging uit om de dochters van dat land te bezien. Sichem nu, de zoon van
Hemor den Heviet, zag haar, en hij nam haar, en lag bij haar, en verkrachtte
haar):
Dina wordt geroofd tot ontucht, omdat zij haar vaderlijk huis verliet, en vrijer
dan behoorde rondzwierf.
Zij had stil thuis moeten blijven, zoals ook de apostel leert in Titus 2 vers 5
(…om de jonge vrouwen te leren kuis te zijn, het huis te bewaren); en de natuur
zelf voorschrijft.
Immers past meisjes die deugd, die een algemeen spreekwoord aan vrouwen heeft
toegekend: dat zij huisbewaarsters zijn.
Vaders van gezinnen krijgen de les, om hun dochters onder strenge tucht te
houden, als zij verlangen ze van alle onkuisheid vrij te houden.
Als ijdele nieuwsgierigheid in de dochter van de heilige Jakob zo zwaar wordt
gestraft, hangt tegenwoordig geen minder gevaar de zwakke maagden boven het
hoofd, als zij zich in het openbaar al te vermetel en te graag vertonen, en de
lust der jonge mannen uitlokken.
Ongetwijfeld legt Mozes de schuld voor een deel bij Dina zelf, wanneer hij zegt,
dat zij is uitgegaan om de dochters van de landstreek te zien, omdat ze onder de
ogen van haar moeder in de tent geborgen had moeten blijven.
Calvijn over Genesis 34:4: (Sichem sprak tot zijn
vader Hemor: “Neem voor mij deze dochter tot vrouw”):
Zijn prijzenswaardige bescheidenheid wordt aangetoond, wanneer hij zijn vader
het gezag toekent; want op eigen gezag begint hij niets wat betreft het sluiten
van een huwelijk, maar dit hij laat over aan de macht van zijn vader.
Jongelingen moeten des te meer op hun hoede zijn, dat op die gevaarlijke
leeftijd niet de wellust van het vlees hen tot tal van schanddaden aanzet.
Wij besluiten hieruit dat dit recht, dat de ouders over de kinderen hebben,
onschendbaar is, zodat zij die dit proberen te ontwrichten, hemel en aarde
vermengen.
Calvijn over Genesis 34:7vv: (En de zonen van Jakob…):
Vooral hebben wij te letten op Gods barmhartigheid, waardoor het genadeverbond
gebleven is bij Jacobs nakomelingen. Want wat is minder gepast, dan dat (met
achterstelling van de hele wereld) enkele mensen in wie zo’n oorlogszuchtige
woede en onverzoenlijke doortraptheid heerst, tot Gods volk en kinderen worden
gerekend?
Wij zien tenminste dat het niet aan hen te danken is geweest, dat zij niet
totaal van Gods Koninkrijk zijn afgesneden.
Hieruit blijkt, dat Gods gunst waarmee de Heere hen heeft verwaardigd,
vrijwillig is geweest, en niet gegrond op hun verdiensten.
Met dezelfde toegevendheid moeten wij ook behandeld worden, omdat wij gedurig
uitvallen, tenzij God onze zonden vergeeft.
Calvijn over Genesis 34:7: (En de zonen van Jakob
ontstaken zeer):
Wij moeten op onze hoede zijn, om niet, nadat wij in het veroordelen van de
misdaden van anderen als strenge rechters optraden, ondoordacht voortstormen.
Calvijn over Genesis 34:7: (En de zonen van Jakob
ontstaken zeer):
Hieruit hebben wij te leren, om zó over de zonden van anderen te toornen, dat
wij toch niets ondernemen boven onze plicht.
Calvijn over Genesis 34:24: (En zij hoorden naar
Hemor; en al wat mannelijk was, werd besneden):
Dat zij zo onbekommerd van godsdienst veranderen, openbaart bij hen een diepe
minachting van God. Zij die oprecht God dienen, zouden nooit hun bijgelovigheden
zo plotseling wegwerpen, dan alleen na overtuigd te zijn door gezond onderwijs
en door argumenten.
Calvijn over Genesis 34:25: (Het geschiedde op de
derde dag, dat de twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broeders van Dina, een
ieder zijn zwaard namen, en al wat mannelijk was, doodden):
Hieruit zien wij hoe goedertieren God met dat volk heeft gehandeld, door uit de
nakomelingen van een bloeddorstig man (Levi), en zo’n schandelijke rover, Zich
priesters te verkiezen.
Hieruit merken wij dat Mozes niet heeft gesproken uit vleselijk gevoel, maar dat
hij het instrument is van de Heilige Geest, een heraut van de hemelse Rechter.
Hij is immers een Leviet, toch spaart hij zijn stam niet: zonder aarzelen
brandmerkt hij zijn stamvader voor altijd.
Als Hij het schenden van één meisje heeft gestraft met de verschrikkelijke
ondergang van een hele stad, dan zal Hij niet oogluikend toezien of werkeloos
blijven (geen oogje dichtknijpen), als ontucht legaal wordt verklaard, en wij
elkaars slechtheid door de vingers zien.
Natuurlijk zaten Jakobs zonen fout, maar we moeten bedenken dat het in dit geval
wel Gods straf was op de hoererij.
Calvijn over Genesis 34:27: (De zonen van Jakob
kwamen over de verslagenen, en plunderden de stad):
Dit zijn de gewone vruchten van de onmatigheid van de mensen, dat wie zich
eenmaal de vrije teugel viert in het plegen van één misdaad, spoedig tot een
andere komt.
Zo worden de zonen van Jacob van moordenaars ook rovers en voegt zich aan de
wreedheid hebzucht.
Daarom moeten wij ons met des te meer zorg toeleggen op het beteugelen van onze
begeerlijkheden, opdat niet de ene begeerte de andere opwekt, en eindelijk
doordat de een de ander aansteekt, een vreselijke brand ontstaat.
Calvijn over Genesis 34:30: (Als zij zich tegen mij
verzamelen, zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis):
Wij weten dat mensen zelden en met moeite zich laten bewegen tot berouw, dan
door vrees voor straf.
Calvijn over Genesis 34:31: (En zij zeiden: zou hij dan met onze zuster als met
een hoer doen?):
Zo wordt ons geleerd, hoezeer onmatige toorn mensen van hun verstand berooft.
Calvijn over Genesis 35:1: (Daarna zei God tot Jakob:
sta op, trek op naar Beth-el, en woon daar):
Mozes verhaalt ons, dat toen Jakob in de uiterste engte was gebracht, God hem
ter rechtertijd en als het ware op het beslissende ogenblik nabij is geweest. Zo
bewijst hij in de geschiedenis van één persoon, dat God Zijn kerk, die Hij
eenmaal in liefde omhelsde, nooit heeft verlaten, maar altijd voor haar behoud
heeft gezorgd.
De gang van zaken moeten wij in het oog houden. Want niet terstond verscheen God
aan Zijn knecht, want Hij liet hem eerst gekweld worden door droefheid en
ontzaglijk grote zorgen, om hem geduld te leren, en stelde Zijn hulp uit tot de
uiterste nood.
God liet het toe, dat de heilige man in die
maalstroom van zorgen heen en weer werd geslingerd, en door kwellingen werd
benauwd, totdat Hij hem opwekte en uit zijn halfdode toestand genas.
Zo dikwijls als wij deze en dergelijke plaatsen lezen, moet ons dus te binnen
komen, dat Gods voorzienigheid, ook wanneer ze het meest schijnt te slapen, toch
waakt voor ons heil.
Calvijn over Genesis 35:1: (God zei tot Jakob: sta
op, trek op naar Beth-el, en woon daar; en maak daar een altaar voor die God,
Die aan u verscheen toen u vluchtte voor uw broer Ezau):
Hieruit leren wij, waar de beste vertroosting in onze rampen is te halen. En
tegelijk ook, dat dit de voornaamste oefening van ons leven is, om afhankelijk
te zijn van het Woord des Heeren.
… zodat wij vast overtuigd zijn, zodra God ons behoud heeft beloofd, dat Hij het
beste met ons handelt, en wij niet aarzelen midden door doodsgevaren voort te
gaan.
Omdat wij loom en traag zijn, is de ervaring alleen lang niet voldoende, om Gods
genade te bewijzen, tenzij geloof uit het Woord erbij komt.
Wanneer Hij hem herinnert, dat Hij dezelfde God is, Die vroeger hem verschenen
was, toen hij vol angst vluchtte, in die woorden is een belofte opgesloten.
Wanneer God Zijn knecht aanspoort tot dankbaarheid, leert Hij hem, dat Hij met
dat doel de gelovigen goed doet, dat zij van hun kant erkennen, dat zij alles
verschuldigd zijn aan de genade, en dat zij zich oefenen in het verheerlijken
daarvan.
Calvijn over Genesis 35:2: (Toen zei Jakob tot zijn
gezin: doe weg de vreemde goden die in het midden van u zijn):
Als wij verlangen, dat de Heere ons gunstig zal zijn, moeten alle hindernissen
worden weggenomen, die Hem ook maar enigszins van ons scheiden.
Het is nodig, dat overal waar de kennis van
de ware God uitstraalt, alles wat de mensen boven Zijn zuivere kennis
fabriceren, ver weggedaan moet worden.
Als ooit verdoving en verwaarlozing ons hebben bevangen, dan moeten Gods
Vaderlijke kastijdingen ons verlevendigen en prikkelen, zodat we ons ijverig
reinigen van alle zonde die door onze nalatigheid is opgehoopt.
De oneindige goedheid van God straalt hier door, Die Jakobs huis, verontreinigd
door afgoden, toch tot heiligdom wilde hebben.
Nauwelijks krijgt de waarheid van God ooit zo’n vaste voet onder de mensen, al
doen vrome leraren nog zozeer hun best in het bevestigen daarvan, of er blijft
in een deel van het volk enig bijgeloof hangen.
Calvijn over Genesis 35:5: (Gods verschrikking was
over de steden die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna
jaagden):
Hieruit moeten wij leren, dat de harten van de mensen in de hand van God zijn,
zodat Hij sterkte verschaft hen die in zichzelf zwak zijn; en andersom, zo vaak
het Hem goeddunkt, een ijzeren hardheid buigzaam maakt.
Zo dikwijls wij de goddelozen in woede zien uitbreken tot ons verderf, moet –
opdat wij niet van vrees bezwijken, en onze harten niet door wanhoop worden
gebroken – deze verschrikking van God ons in herinnering komen, waardoor de
woestheid van de hele wereld, al is ze nog zo heftig, gemakkelijk wordt
gebroken.
Calvijn over Genesis 35:7: (En hij bouwde daar een
altaar, en noemde die plaats El Beth-el):
De nederigheid van het geloof is loffelijk, want het verlangt niet wijs te zijn
boven wat de Heere toelaat.
Dit is de ware wijsheid, dat wij God zo
liefhebben, al naar gelang Hij Zich schikt naar onze bevatting.
Calvijn over Genesis 35:11: (God zei tot hem: “Ik
ben God de Almachtige”):
Op deze plaats vermeldt de Heere, zoals elders, Zijn kracht, opdat Jakob des te
zekerder op Zijn trouw zou steunen.
Calvijn over Genesis 35:13: (Toen voer God van hem
op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had):
Door deze trant van spreken verhoogt God voor ons de waarde van Zijn Woord,
omdat Hij hierdoor als met een bewijs van Zijn genade ons nabij is. Want omdat
er tussen ons en Zijn hemelse glorie een grote afstand is, daalt Hij door het
Woord tot ons af.
Calvijn over Genesis 35:19: (Zo stierf Rachel…):
De Heere berooft vaak de gelovigen van Zijn gaven, om hen voor het verkeerd
gebruik te kastijden. Wie dus die Gods gaven lang wenst te gebruiken, moet leren
ze niet te misbruiken, maar ze zuiver en matig te genieten.
Droefheid is niet zonder ondankbaarheid, als zij in tegenspoed onze zinnen zo
benevelt, dat de weldaden van God ons niet vrolijker stemmen; of tenminste iets
van zoetheid sprenkelen tot het verzachten van de smart.
Vervolgens wordt hieraan toegevoegd haar begrafenis. Dit gebruik kon bij de
heilige vaderen niet zo hoog staan, als het niet was vanwege de hoop op een
toekomstige opstanding.
Het begraven was geen toneel, maar een levend symbool van de toekomstige
opstanding.
Hij zorgde voor de oprichting van een grafteken, dat door alle eeuwen heen zou
getuigen, dat hij meer gehecht was aan het volgende leven.
Calvijn over Genesis 35:22: (Ruben lag bij Bilha, de
bijvrouw van zijn vader):
Deze wandaad is zozeer in strijd met de natuur, dat ze zelfs onder de heidenen
nooit werd geduld. En zeker door een wonderlijke list van satan drong zo’n
ontucht door in het heilig huisgezin, zodat Gods uitverkiezing kon schijnen
vergeefs te zijn.
Op alle mogelijke manieren probeert satan Gods genade in de uitverkorenen te
vernietigen, en als hij dit niet gedaan kan krijgen, schandvlekt hij haar of
probeert ze tenminste te verduisteren. Hierdoor komt het, dat dikwijls droevige
voorbeelden in de kerk binnensluipen.
De Heere laat ook toe dat de Zijnen zo vernederd worden, opdat zij des te
nauwlettender op hun hoede zijn, en ijveriger waken in gebeden, en leren van
Zijn barmhartigheid totaal afhankelijk te blijven.
Hierdoor kwam Gods genadige uitverkiezing nog heerlijker uit, omdat Hij Jakobs
zonen niet om hun waardigheid boven heel de wereld stelde.
Toen zij zo schandelijk gevallen waren, bleef Zijn genade niettemin haar stand
en kracht behouden. Door zulke voorbeelden gewaarschuwd moeten wij leren, om ons
te versterken tegen de verschrikkelijke ergernissen waardoor satan ons probeert
in verwarring te brengen.
Ook moet elk dit aanwenden als een bijzondere troost voor zijn geloof. Want zo
komen ook soms goeden tot een val, waardoor het schijnt dat zij van de genade
zijn uitgevallen. Noodzakelijk toch moest op zulke verwoestingen onmiddellijk
wanhoop volgen, als niet de Heere aan de andere kant hoop op genadige
vergiffenis aan de dag legde.
Toch moeten we steeds onder de hoede van vrees en waakzaamheid blijven, opdat de
verzoeking ons niet onvoorziens overvalt, en satans listen ons zo omsingelen.
Calvijn over Genesis 36:1: (Dit nu zijn de geboorten
van Ezau):
Hoewel Ezau met zijn nakomelingen uitmunt boven anderen, toch is deze
waardigheid gelijk aan een zeepbel, omdat zij onder de gedaante van de wereld
hoort, die snel vergaat.
Calvijn over Genesis 36:6: (Ezau nu … was vertrokken
naar een ander land, van het aangezicht van zijn broer Jakob):
Zo gebeurt het vaak, dat goddelozen tegen hun bedoeling de uitverkoren kinderen
van God van nut zijn.
Laten wij daarom uit deze plaats leren, om in zogenaamd toevallige zaken, zowel
als in verkeerde plannen van mensen, met ogen van geloof Gods verborgen
voorzienigheid te zien, die alle uitkomsten tot het door Hem bepaalde doel
bestuurt.
Calvijn over Genesis 36:31: (Dit zijn koningen die
geregeerd hebben in het land Edom, eer er een koning regeerde over de kinderen
van Israël):
Aan beide zonen van Izak was deze waardigheid beloofd, dat uit hen koningen
zouden voortkomen. Nu beginnen de Idumaëers het eerst te regeren, zo schijnt de
toestand van Israël de slechtste te zijn.
Maar ten slotte heeft het verloop van de tijd geleerd, hoeveel te beter het is,
om langs de grond kruipend diepe wortels te maken, dan een verkeerde
voortreffelijkheid in een ogenblik te verkrijgen, die meteen verdwijnt.
De gelovigen hebben geen reden om de kinderen van de wereld te benijden om hun
snelle vorderingen in blijdschap, terwijl zij zelf langzaam voortgaan.
Veel groter is het standvastige geluk, dat de
Heere hun belooft, zoals men leest in Psalm 102 vers 29: “De zonen van uw zonen
zullen wonen, en hun erfenis zal eeuwigdurend zijn.”
Calvijn over Genesis 37: (Dit zijn Jakobs
geschiedenissen):
Wij zullen in deze geschiedenis een prachtig voorbeeld van de Goddelijke
voorzienigheid vinden.
Er komen twee andere dingen bij, die in het bijzonder opmerking verdienen. In de
eerste plaats, dat de Heere op wonderlijke en ongewone manier Zijn werk
volvoert.
In de tweede plaats, dat Hij het heil van
Zijn kerk niet uit schitterende heerlijkheid, maar uit dood en graf te
voorschijn brengt.
Ja zelfs wordt in Jozefs persoon een levende afbeelding van Christus vertoond,
zoals nog meer uit de samenhang zal blijken.
Calvijn over Genesis 37:11: (Zijn broeders benijdden
hem):
Als wij tegenwoordig velen weerbarstig zien, die weigeren het evangelie aan te
nemen, maar brutaal daartegen opstaan, moeten wij niet ontsteld zijn als over
iets nieuws, omdat het hele menselijke geslacht lijdt aan de kwaal van trots.
Calvijn over Genesis 37:19: (Zij zeiden de een tegen
de ander: zie, daar komt die meesterdromer aan):
Gods belofte die hem tot de hemelen toe had verhoogd, brengt hem bijna in het
graf. Hetzelfde ondervinden ook wij die door de genadige adoptie tot Gods kind
in vele zorgen komen.
Want sinds Christus ons tot Zijn kudde samenbracht, laat God ons op allerlei
manieren uitwerpen, zodat wij dichter bij de hel dan bij de hemel zijn. Daarom
moet het voorbeeld van Jozef in onze harten post vatten, opdat wij niet
verschrikt worden, als uit Gods genade velerlei kruis voortkomt.
In Jozef werd afgeschaduwd, wat later vollediger werd vertoond in Christus, het
Hoofd van de kerk, opdat elk lid zich op navolging zou toeleggen.
Calvijn over Genesis 37:20: (Laten we hem doodslaan,
en wij zullen zien, wat van zijn dromen zal worden):
Als ongelovigen ons kwellen met hun spot, en zich er trots op beroemen dat ons
geloof ons niet zal baten, moet hun onbeschaamdheid ons niet ontmoedigen of
verhinderen rustig voorwaarts te gaan.
Calvijn over Genesis 37:21: (Ruben hoorde dat, en
verloste hem uit hun hand):
Misschien heeft God door dit bewijs van berouw zijn vroegere schande enigszins
willen verminderen. Daaruit leren wij, dat wij de mensen, al zijn ze nog zo
gruwelijk, niet uit één zonde mogen beoordelen, en daardoor gaan wanhopen aan
hun behoud.
Calvijn over Genesis 37:25: (Daarna zaten zij neer
om brood te eten):
Als de aartsvaders tot zo’n gevoelloosheid zijn gekomen, laten wij dan uit hun
voorbeeld leren, te vrezen, opdat niet door Gods terechte straf hetzelfde
slaapgevoel over ons komt.
Calvijn over Genesis 37:32: (Zij zonden de
veelkleurige rok, en deden hem tot hun vader brengen, en zeiden: deze hebben wij
gevonden; beken toch, of deze de rok van uw zoon is, of niet):
Dit is de geest van verkeerdheid en gevoelloosheid, om zich alleen door schaamte
voor de mensen te laten weerhouden, en de vrees voor het Goddelijke oordeel met
voeten tredend te durven wat men maar wil.
Zaterdag 22 januari
Calvijn over Genesis 37:34: (Toen scheurde Jakob zijn klederen, en legde een zak
om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen):
Waar is die onoverwinnelijke kracht, waardoor hij zelfs tegen de Engel had
overwonnen? Waar zijn die talrijke lessen van geduld, waardoor God hem
herhaaldelijk had geoefend, opdat hij nooit zou bezwijken?
Deze uitwerking van droefheid leert ons, dat niemand met zo’n heldenkracht is
toegerust, waarin niet zwakheid van het vlees achterblijft.
Calvijn over Genesis 37:35: (Jakob weigerde zich te
laten troosten):
De voornaamste tempering van droefheid is de troost van het toekomstige leven,
en elk die zich daarop richt, hoeft niet bang te zijn, dat hij door overmaat van
smart verteerd zal worden.
Calvijn over Genesis 38:1: (Het geschiedde in die
tijd, dat Juda van zijn broers wegtrok, en inkeerde tot (intrek nam bij) een man
van Adullam, wiens naam was Hira):
Hier wordt geen roemrijke afkomst verheerlijkt, maar ook van dit geslacht wordt
het meest onterende meegedeeld. Mozes verhaalt niets wat Juda’s zonen hoogmoedig
kan maken, maar veeleer wat hen van schaamte doet blozen.
Het schijnt op het eerste gezicht dat door zulke schandvlekken, de waardigheid
van Christus enigszins bevlekt wordt. Omdat hier echter ook aanschouwd wordt die
ontlediging, waarover Paulus (Filippenzen 2 vers 7) melding maakt, komt dit
veeleer Zijn glorie overvloedig ten goede, dan dat het ook maar het minste
daarvan onttrekt.
Ten eerste zijn wij tegenover Christus onrechtvaardig, als Hij alleen ons niet
genoeg is, tot het uitwissen van schandvlekken waaruit de ongelovigen ergernis
putten.
Vervolgens weten wij, dat daarin het allermeest de rijkdom van God doorstraalt,
dat Christus ons vlees aannemend, tot niets gereduceerd wilde worden.
Ten slotte, Zijn voorgeslacht behoorde door schande berucht te zijn, opdat wij
met Hem alleen tevreden, niets buiten Hem zoeken, ja, opdat wij zelfs in Hem
geen aardse glans zoeken, zoals vleselijke eerzucht altijd op haar beurt al te
zeer overhelt.
Laten wij bedenken, dat Christus niet de minste heerlijkheid heeft ontleend aan
Zijn voorouders, ja, in het vlees gerekend, niet de minste glorie bezat,
waarover Hij vooral aan het kruis het schitterendst heeft getriomfeerd.
Calvijn over Genesis 38:7: (… daarom doodde de HEERE
hem):
Wij weten, dat een lang leven gerekend wordt te behoren tot de gaven van God, en
dat terecht.
Want omdat onze schepping naar Gods Beeld een volstrekt niet te versmaden eer
is, is het zeker, dat naar mate iemand langer op de wereld onderhouden wordt, om
dagelijks Gods Vaderlijke zorg jegens zich te ervaren, hij daarin des te rijker
door de Heere bedeeld wordt.
Te midden van zoveel ellenden, waarvan het leven vol is, blinkt toch deze
goedheid van God uit, dat God ons tot Zich nodigt, en in Zijn kennis oefent.
Laten wij leren, zolang God ons op de wereld laat, Zijn weldaden te overdenken,
opdat elk voor zich des te ijveriger het leven, van Hem ontvangen, tot Zijn lof
besteedt.
Nu de eerstelingen van de opstanding in Christus zich voordoen, is de staat van
hen die spoedig uit het leven worden weggenomen daar niets minder om, omdat
Christus Zelf hun Winst is, zowel om te leven als om te sterven.
Calvijn over Genesis 38:9: (Toen Onan tot de vrouw
van zijn broer inging, verdierf hij het tegen de aarde):
Een afschuwelijke zaak is het, om vrijwillig zaad uit te storten buiten de
gemeenschap van man en vrouw. Aan de geslachtsgemeenschap zich met opzet te
onttrekken, zodat het zaad op de aarde valt, is dubbel afschuwelijk.
Calvijn over Genesis 38:11: (Toen zei Juda tot
Thamar, zijn schoondochter: “Blijf weduwe in het huis van uw vader, totdat mijn
zoon Sela groot wordt.” Want hij zei: “Dat niet misschien ook deze sterft, zoals
zijn broers!”):
Uit dit voorbeeld nu hebben wij te leren, om zo vaak ons enige tegenslag
overkomt, niet aan een ander de schuld toe te schrijven, noch overal vandaan
twijfelachtige vermoedens er bij te slepen, maar onze eigen zonden na te
speuren.
Calvijn over Genesis 38:14: (Toen legde zij de
klederen van haar weduwschap van zich af):
Wat Mozes aanroert over het weduwenkleed, hoort tot de wet van de eerbaarheid.
Want aan weduwen past geen smaakvolle kleding die de ogen van mannen aantrekt.
En daarom staat Paulus aan getrouwde vrouwen meer toe dan aan weduwen.
Calvijn over Genesis 38:15-16: (Toen Juda haar zag, hield hij haar voor een
hoer, en hij zei: “Kom toch, laat mij tot u ingaan”):
Juda wordt hij ons tot een voorbeeld gesteld, opdat wij zouden leren, hoe
gemakkelijk de wellust van het vlees uitspat, tenzij de Heere die bedwingt.
In het bewustzijn van onze zwakheid moeten wij de geest van ingetogenheid en
matigheid van de Heere vragen.
Calvijn over Genesis 38:23: (Toen zei Juda: “Laat
haar het voor zich nemen, opdat wij niet misschien tot verachting worden):
Wij zien, dat mensen die zich niet door Gods Geest laten leiden, altijd meer
bezorgd zijn voor de publieke opinie dan voor het oordeel van God.
Calvijn over Genesis 38:26: (En Juda zei: “Zij is
rechtvaardiger dan ik”):
Hierin verdient hij onze navolging, om zonder beul en foltertuig de waarheid
haar volle recht te laten wedervaren, zodat wij ons niet schamen, de zonden
waarop God ons wijst, te bekennen.
Deze geschiedenis getuigt, van hoeveel belang het is, om niemand te veroordelen,
tenzij hij eerst gehoord is. Omdat het niet alleen beter is dat schuldigen
vrijgesproken worden, dan dat de een of andere onschuldige omkomt, maar ook
omdat de verdediging vele dingen aan het licht brengt die soms dwingen tot
verandering van de vorm van proces.
Calvijn over Genesis 39:2: (En de HEERE was met
Jozef):
Ook goddelozen, op wie Hij met recht vertoornd is, verwaardigt Hij dáárom voor
een tijd met Zijn zegeningen, om hen vriendelijk uit te nodigen tot berouw.
Calvijn over Genesis 39:2: (En de HEERE was met
Jozef, … maar hij was in het huis van zijn heer, de Egyptenaar):
Laten wij leren, ook te midden van onze ellenden Gods genade te beseffen…
… en laat het ons voldoende zijn, als er iets hards gedragen moet worden, dat
dit enigszins wordt besprenkeld met zoetheid, opdat wij God niet ondankbaar
zijn, Die op deze manier te kennen geeft, dat Hij ons nabij is.
Calvijn over Genesis 39:6: (Jozef was knap van
gezicht):
Satan maakt van Gods gaven gewoonlijk strikken om zielen te vangen.
En daarom hebben wij God ernstig te bidden, dat Hij, ons te midden van zoveel
gevaren leidende door Zijn Geest, de gaven waarmee Hij ons toerust, vrij houdt
van alle smet.
Calvijn over Genesis 39:7: (En het geschiedde dat de
vrouw van zijn heer haar ogen op Jozef wierp):
Zo zien wij, dat de ogen als het ware fakkels zijn, om de hartstochten te doen
ontvlammen.
Uit dit voorbeeld leren wij, dat niets gemakkelijker plaats vindt, dan dat al
onze zinnen het hart met verkeerde begeerlijkheden vergiftigt, tenzij wij sterk
op onze hoede zijn.
Satan laat niet na, om voortdurend ons iets voor ogen te stellen, om daarmee ons
tot zondigen te prikkelen.
Onze zinnen nemen niet alleen de aangeboden gelegenheid tot zondigen spoedig in
zich op, maar ook brengen zij die graag en snel over naar het hart.
En daarom moet elk zich oprecht beijveren om zijn ogen en oren en overige
lichaamsdelen te beheersen, opdat niet, zovaak hij aan satan de deur wil openen
voor onze inwendige hartstochten (voornamelijk als het waarnemen van de ogen het
sterkst is), ongewone voorzichtigheid aangewend moet worden om deze te
beteugelen.
Calvijn over Genesis 39:7-8: (… en zij zei: “Lig bij
mij!” Maar hij weigerde het):
In Jozefs persoon wordt ons een zeer helder schouwspel van geloof en
zelfbeheersing voor ogen gesteld.
Calvijn over Genesis 39:9: (… hoe zou ik dan dit
grote kwaad doen, en zondigen tegen God?):
Om de verzoeking te overwinnen is er niets sterker geweest dan de vreze Gods.
Calvijn over Genesis 39:10: (En het geschiedde, dat
zij Jozef dag op dag aansprak, maar hij naar haar niet hoorde, om bij haar te
liggen, en bij haar te zijn):
Hier wordt Jozefs standvastigheid geprezen, waaruit blijkt, dat in zijn gemoed
de ware vreze Gods heeft geheerst.
Calvijn over Genesis 39:10: (… zij sprak Jozef dag
op dag aan…):
Omdat wij hieruit zien waartoe mensen uitbreken, waar door onmatigheid van het
vlees alle fatsoen is verstikt, moeten wij de Heere bidden, dat Hij niet
toelaat, dat het licht van Zijn Geest op deze manier wordt verduisterd.
Calvijn over Genesis 39:10: (…maar hij naar haar
niet hoorde, om bij haar te liggen):
Op die leeftijd waaraan gewoonlijk verontschuldiging wordt gegeven, als ze wat
al te zeer de perken der matigheid te buiten gaat, had hij zich meer ingehouden
dan alle grijsaards.
Als Gods Geest ons nu in deze jongeman zo’n voorbeeld voor ogen stelt…, welke
verontschuldiging blijft er dan over voor mannen en vrouwen van rijpere
leeftijd, als ze uit eigen beweging zich vernederen of voor geringe aandrang
bezwijken?
Het past ons dus te zorgen, dat ontzag voor God alleen sterk genoeg is, om alle
lusten van het vlees te beteugelen, ja dat een oprecht en zuiver geweten voor
God bij ons hoger staat, dan de toejuiching van de hele wereld.
Niemand toont dat hij de deugd met zijn hele hart betracht, dan hij die –
tevreden met God alleen als Getuige – niet aarzelt welke schande ook te
ondergaan, liever dan van zijn roeping af te wijken.
Laten de gelovigen, zoveel in hen is, ervoor zorgen, dat zij de naasten stichten
door het voorbeeld van een deugdzaam leven.
Calvijn over Genesis 39:20: (Jozefs heer nam hem en
leverde hem in de gevangenis):
Zich te verlaten op Goddelijke hulp is de enige steunpilaar die ons in rampen
het hoofd boven water houdt. Ook is onze wapenrusting die ons onoverwinnelijk
maakt dit: tot God de toevlucht nemen.
Calvijn over Genesis 39:21: (De HEERE was met Jozef,
en wendde Zijn goedertierenheid tot hem):
De Heere liet met opzet hem tot het uiterste gebracht worden, opdat Hij hem als
uit het graf zou opvoeren.
Zoals het licht van de zon in duisternis helderder wordt aanschouwd, zo
schittert Gods genade in de nevel van ellenden heerlijker, wanneer zij boven
verwachting ons te hulp komt.
Mozes zegt, dat God met Zijn knecht Jozef is geweest, omdat Hij Zijn
barmhartigheid tot hem neigde. Opdat wij weten, ook wanneer God ons van
onrechtmatig geweld bevrijdt, of wanneer Hij ons helpt in een goede zaak, dat
Hij toch door Zijn eigen goedheid er toe geleid wordt dat Hij dit doet.
Wij zijn onwaardig, dat Hij ons Zijn hulp verleent, tenzij Hij redenen neemt uit
Zichzelf omdat Hij barmhartig is.
Calvijn over Genesis 40: (En het geschiedde na deze
dingen, dat de schenker van de koning van Egypte, en de bakker, zondigden tegen
hun heer, de koning van Egypte):
Hoewel Hij de vrome man langs een rechte weg uit de gevangenis kon uitrukken,
wilde de Heere hem langs kronkelende paden omvoeren, om daardoor des te beter
zijn lijdzaamheid te beproeven, en door de uitkomst te tonen, dat Hij
wonderlijke en voor ons verborgen wegen hield.
… opdat wij leren het heil dat Hij aan ons beloofd heeft, niet naar ons eigen
gevoel af te meten, maar dat wij toestaan door Zijn hand hierheen en daarheen te
worden geleid, totdat Hij Zijn werk voltooit.
Calvijn over Genesis 40:8: (Jozef zei tegen hen:
zijn uitleggingen niet van God?):
Hij matigt zich dus niet aan, wat hij belijdt dat aan God toekomt, maar naar de
mate van zijn roeping biedt hij hun zijn diensten aan. Dit moet daarom worden
opgemerkt, opdat niemand zich toevallig meer aanmatigt, dan hij weet, dat hem
door God is vergund.
Paulus vermaant zo nauwkeurig, dat de gaven van de Geest onderscheidenlijk
worden uitgedeeld (I Korinthiërs 12 vers 14 ) en aan elk deelt hij een
bijzondere positie toe, opdat niemand zich uit begerigheid opdringt, of een
verkeerd ambt op zich neemt, maar allen zich strikt binnen de perken van hun
roeping houden. Als deze bescheidenheid niet in acht wordt genomen, moet alles
noodzakelijk verward worden.
Hij beroemt zich dus niet op zijn scherpzinnigheid of op zijn helderziendheid,
maar wil slechts als dienaar Gods erkend worden. Deze regel moeten volgen zij
die uitmunten, opdat ze niet door zichzelf méér toe te kennen, dan hun toekomt
(wat meestal gebeurt) Gods genade verduisteren.
Zo worden mensen door rampen getemperd, dat zij andere ongelukkigen niet
verachten. Zozeer verwekt gemeenschappelijk lijden sympathie.
Daarom is het volstrekt geen wonder, dat de Heere ons door tal van zorgen
oefent, omdat toch niets ons méér past, dan vriendelijkheid jegens broeders, die
overstelpt door smarten zijn blootgesteld aan verachting. Dit te leren door
ondervinding is noodzakelijk, omdat de ons aangeboren bandeloosheid door
voorspoed meer en meer wordt versterkt.
Calvijn over Genesis 40:19: (Farao zal u aan een
hout hangen, en het gevogelte zal uw vlees van boven u eten):
Hoewel de uitleg van de droom onaangenaam en hard zou zijn, toch volvoert Jozef
in goede trouw de hem van God opgelegde taak, door zonder opsmuk te verklaren,
wat hem geopenbaard was. Deze vrijheid moeten profeten en leraars hoog houden,
om zonder aarzelen met hun leer diegenen te wonden, aan wie God de dood
aankondigt.
Calvijn over Genesis 40:23: (Maar de overste der
schenkers dacht aan Jozef niet, maar vergat hem):
Doordat hij twee jaren lang in onzekerheid bleef, verdween niet alleen de hoop,
maar drukte een grotere wanhoop dan vroeger op hem. In zijn persoon worden wij
dus allen onderwezen, dat niets verkeerder is, dan aan God de tijd voor te
schrijven voor Zijn hulp, Die met opzet de Zijnen lang in gespannen verwachting
houdt, opdat zij bij ondervinding zouden leren verstaan, wat het is te hópen.
Calvijn over Genesis 41:8: (Hij riep al de tovenaars
van Egypte, maar er was niemand, die de droom aan Farao uitlegde):
Uit dit voorbeeld worden wij onderwezen, hoe uitnemend voor ons gezorgd wordt,
wanneer de Heere ons, die bedrogen willen worden, de gelegenheden tot dwalingen
ontneemt.
Calvijn over Genesis 41:14: (Toen zond Farao en riep
Jozef…):
Pharao’s trots moest eerst bedwongen worden. Dezelfde voorbereiding hebben de
uitverkorenen ook nodig, omdat zij nooit werkelijk leerzaam zijn, als niet de
trots van het vlees ten onder wordt gebracht.
Calvijn over Genesis 41:16: (Jozef antwoordde Farao:
“Het is buiten mij! God zal Farao’s welstand aanzeggen”):
Laten wij uit het voorbeeld van Jozef leren, om zelfs bij ongelovigen Gods
genade te verheerlijken.
Dit is de eerste trap van wijsheid: zich niets aanmatigen, maar bescheiden te
erkennen, dat wat lofwaardig is, voortvloeit uit de bron van Gods genade.
Dit is vooral opmerkenswaardig, dat aan wie de geest van kennis van de hemel is
gegeven, zal een geschikt en trouw uitlegger van God zijn.
Calvijn over Genesis 41:25: (Toen zei Jozef tot
Farao: “Wat God is doende, heeft Hij Farao te kennen gegeven”):
Hieruit besluiten wij dat God geen ledig Aanschouwer is van de toevallige loop
der dingen, zoals de meeste wijsgeren leuteren, maar dat Hij door Zijn wil
bepaalt, wat gebeuren zal.
Het is dienstig te bedenken, zo dikwijls de aarde onvruchtbaar is, hetzij door
vorst, hetzij door brandkoren, hetzij door hagel, hetzij iets anders de oorzaak
is, dat dit alles door Gods Raad wordt bestuurd.
Calvijn over Genesis 41:32: (En aangaande, dat die
droom aan Farao voor de tweede maal is herhaald, is, omdat de zaak door God
vastbesloten is):
Jozef bedoelt niet, dat iets veranderlijk zou zijn wat God slechts eenmaal heeft
geopenbaard, maar dat in Pharao’s geest het geloof aan de geopenbaarde zaak niet
zou wankelen.
Omdat Hij niets verkondigt, dan uit Zijn vastbepaalde Raad, is het voldoende als
Hij eenmaal spreekt.
Onze traagheid en onstandvastigheid dringt Hem, om meermalen hetzelfde te
herhalen, opdat zich in onze harten zou wortelen, wat zeker bij Hem besloten is.
Calvijn over Genesis 41:34: (Laat Farao opzieners
over het land aanstellen…):
Wij weten, dat de ware en wettige profeten van God niet maar eenvoudig
voorspellen wat toekomstig is, maar ook de redmiddelen aanwijzen tegen dreigende
rampen.
Calvijn over Genesis 41:38: (Farao zei tot zijn knechten: Zouden wij wel een man
vinden als deze in wie Gods Geest is?):
Nooit laat God de mensen zozeer verdierlijken, of zij kunnen in het duister Zijn
kracht nog tasten. Hoezeer een goddeloze afval hen doet afdwalen, toch blijft
het besef van een godheid over.
Calvijn over Genesis 41:42: (Farao nam zijn ring van
zijn hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen klederen
aantrekken, en legde hem een gouden ketting om zijn hals):
Als aan Gods knechten de keuze wordt gelaten, is niets veiliger dan alle
mogelijke weelderigheid te vermijden.
Calvijn over Genesis 41:51: (Jozef noemde de naam
van de eerstgeborene Manasse. “Want”, zei hij “God heeft mij doen vergeten al
mijn moeite, en het ganse huis van mijn vader”):
Men hoeft zich niet druk te maken met het verontschuldigen van Jozefs zonde.
Veeleer meen ik, dat wij er op gewezen worden, hoezeer men zich moet wachten
voor de verlokkingen van de wereld, dat deze niet meer dan behoorlijk onze
zinnen strelen.
Immers, zie naar Jozef: hoe zuiver hij ook God dient, toch is zijn geest
verduisterd, doordat de zoetheid van de eer hem bekoorde, zodat hij zonder te
denken aan zijn vaderlijk huis, zich naar zijn genoegen in Egypte bevindt.
Dit stond bijna gelijk met zich af te scheiden van Gods kudde.
Wel is dit een lofwaardige bescheidenheid, dat hij uit begeerte om de Goddelijke
goedheid jegens hem te verkondigen, zich niet schaamt in de namen van zijn zonen
een gedenkteken op te richten van zijn droevig lot.
Calvijn over Genesis 42:1: (Toen Jakob zag, dat er
koren in Egypte was…):
Gods voorzienigheid is op zichzelf beschouwd een doolhof. Zodra wij echter de
uitkomst van de dingen met het begin verbinden, straalt ons die verwonderlijke
manier van doen schitterend tegen.
Onze eigen traagheid verhindert ons, om met de ogen van het geloof te zien, dat
God de wereld bestuurt.
Omdat er haast geen duidelijker schilderij van de Goddelijke voorzienigheid
bestaat dan deze geschiedenis, moeten godvruchtige lezers zich in de overdenking
daarvan trouw oefenen, om te weten dat schijnbaar toevallige dingen door Gods
hand worden bestuurd.
Calvijn over Genesis 42:7: (Toen Jozef zijn broers
zag, kende hij hen, maar hij hield zich vreemd jegens hen, en sprak hard met
hen):
Men vraagt of zijn ‘doen alsof’ niet zondig is, die gepaard ging met leugen. Wij
weten immers, hoezeer oprechtheid God behaagt, en hoe streng Hij de Zijnen
weerhoudt van valse schijn en bedriegerij.
Soms doen ook de gelovigen enkele dingen godvruchtig die men toch niet tot
voorbeeld mag stellen. En volgens een algemeen bevel van God, moet door ons de
oprechtheid in praktijk worden gebracht.
Ik acht, dat men niet veel Zeer hoeft te zweten, om Jozef te verontschuldigen,
omdat het waarschijnlijker is, dat er iets menselijks in zijn gevoel was, dat
God hem heeft vergeven.
Calvijn over Genesis 42:9: (Toen dacht Jozef aan de
dromen die hij over hen gedroomd had):
Al heeft Gods Woord een plaats in onze harten, toch gebeurt het gedurig, dat het
zó wordt onderdrukt, dat het als uitgedoofd schijnt, voornamelijk als het geloof
door een nevel van rampen wordt onderdrukt.
Calvijn over Genesis 42:15: ([Zo waar als Farao
leeft…!]):
De natuur schrijft voor, dat men deze eer aan God alleen mag toekennen, zodat de
mensen Hem het oordeel toekennen, en Hem als de hoogste Scheidsrechter en
Getuige voor trouw en waarheid houden.
Wie bij God zweert, wil dat Hij tussenbeiden komt, om meinedigen te straffen
Wanneer Mozes hemel en aarde tot getuige roept (Deuteronomium 32 vers 1 ),
verklaart hij dat er geen oord der wereld zou zijn, dat niet bij Gods troon zou
getuigen van de ondankbaarheid van het volk, als het de leer van de zaligheid
versmaadde.
Ook toont de herhaling (van Jozelfs woorden), dat als iemand eenmaal aan het
kwade gewoon is, niets gemakkelijker is, dan herhaaldelijk te zondigen.
Daarom moet des te grotere voorzichtigheid in acht worden genomen, dat niet een
dergelijke toegevendheid ons in een kwade gewoonte verhardt.
Calvijn over Genesis 42:17: (En hij zette hen samen
drie dagen in bewaring):
Uit zijn manier van doen, mag men geen regel afleiden om streng en hard te
handelen, omdat het twijfelachtig is of hij goed heeft gehandeld of niet.
Het staat te vrezen, dat zij die van zijn voorbeeld een voorwendsel maken, ver
af zijn van zijn zachtmoedigheid, zodat zij niet zozeer ware navolgers zullen
zijn als wel na-apers.
Calvijn over Genesis 42:18: (En op de derde dag zei
Jozef tegen hen: “… ik vrees God”):
De bron van een goed en zuiver geweten, zodat wij tegenover de mensen trouw en
billijkheid bewaren, is de vrees voor God.
Daarom moeten wij ons moeite geven, als wij graag van trouweloosheid, list,
wreedheid en alle slechte lust tot kwaaddoen rein blijven, om onder elkaar de
godsdienst te bewaren.
Calvijn over Genesis 42:18: (En op de derde dag zei
Jozef tegen hen: “… ik vrees God”):
Zo vaak wij onderling minder oprecht of vriendschappelijk handelen, komt de
goddeloosheid openlijk te voorschijn.
Calvijn over Genesis 42:21: (Toen zeiden zij de een
tot de ander: “Voorwaar, wij zijn schuldig aan onze broer wiens benauwdheid van
ziel wij zagen, toen hij ons om genade bad, maar wij hoorden niet! Daarom komt
deze benauwdheid over ons”):
Nog niet had Christus met Zijn mond deze mening uitgesproken: “Met welke maat
gij meet, zullen anderen u meten” (Mattheüs 7 vers 2) maar natuurlijk stond het
vast, dat zij die wreed zijn geweest, medelijden onwaardig zijn.
Vreselijk is die uitspraak, dat hij die zijn oor verhardde voor het geroep van
de arme, op zijn beurt zelf zal roepen, en niet verhoord zal worden. (Spreuken
21 vers 13).
Laten wij leren vriendelijk te zijn, meelijden met ellendigen, en naar
smekelingen onze hand tot hulp uit te strekken.
Als het ons soms overkomt, dat wij wat al te hard door de mensen behandeld
worden en onze beden trots versmaad worden, laat dan ons tenminste te binnen
komen als wij te weinig barmhartig gehandeld hebben.
Hoewel het beter is, voor de tijd wijs te wezen, is er toch enig voordeel aan
verbonden, om zo vaak anderen ons trots verachten, te overwegen, of niet zij met
wie wij te doen hadden, niet van ons dezelfde hardheid hebben ervaren.
Met deze woorden verklaren zij, dat de harten van mensen door God worden
bestuurd, zodat zij óf tot billijkheid geneigd worden, óf tot onbuigzame
hardheid verharden.
Gods goedheid is over hemel en aarde verspreid, en Zijn weldadigheid verzadigt
niet alleen de mensen, maar wordt ook aan het redeloze dier betoond, daarom
strijdt niets méér tegen Zijn natuur, dan hen die onze hulp inroepen, trots af
te stoten.
Calvijn over Genesis 42:24: (Hij nam Simeon en bond
hem voor hun ogen):
Men moet toezien, dat een zondaar niet door droefheid wordt verteerd, wanneer
wij niet zacht en gewillig zijn om vergeving te schenken.
Calvijn over Genesis 42:28: (Toen ontging hun het
hart [= toen ontzonk hun de moed], en zij verschrikten):
Wij moeten God te vragen, dat Hij in hachelijke en verwarde omstandigheden, niet
alleen kracht, maar ook rijkelijk besluitvaardigheid schenkt.
Calvijn over Genesis 42:28: (Zij zeiden de een tegen
de ander: Wat is dit, dat God ons heeft gedaan?):
Dit is een niet alledaagse en gewoonlijk ook nuttige wijsheid, om zo vaak enige
tegenspoed ons overkomt, ons te gewennen aan het overdenken van Gods oordelen.
Elk, die zich heeft geoefend in het overdenken van zijn zonden, stelt zich –
zodra hij gekweld wordt – God als Rechter voor ogen, en vernedert zich voor Zijn
aangezicht, en met hoop op vergiffenis schikt hij zich tot geduld.
Al zijn de mensen van wie de hand ons kastijdt, vaak onrechtvaardig, toch brengt
Hij op een onbegrijpelijke manier door hen Zijn oordelen ten uitvoer, waartegen
men zich niet mag verzetten, en niet mag morren.
Goddelozen, al erkennen zij, dat zij door Gods hand worden geslagen, houden soms
niet op over Hem te klagen.
Calvijn over Genesis 43:1: (De honger nu werd zwaar
in dat land):
Een sterke twijfel kan hem omverwerpen wat die heerlijke belofte voor hem wil:
“Ik ben God, de Almachtige, wees vruchtbaar en vermenigvuldig u; Ik zal u
zegenen.”
Het is nuttig voor ons, om deze strijd van de vrome vaderen te kennen, opdat wij
door dezelfde wapens waarmee zij strijdende hebben overwonnen, ook onoverwonnen
standhouden, hoezeer God ons ook zonder Zijn ogenblikkelijke hulp laat.
Calvijn over Genesis 43:14: (Mij aangaande, als ik
van kinderen beroofd ben, dan ben ik beroofd!):
Wij moeten uit het voorbeeld van Jakob verdraagzaamheid leren, als de Heere ons
vaak als het ware de duimschroeven aandoet en ons dwingt om vele dingen tegen
onze zin te doen.
Wij hebben, waar mensen tegen ons onrechtvaardig zijn, van de Heere een
verandering ten goede te hopen en te vragen. Dit moet echter vastgehouden
worden, dat het niet buiten Gods Raad omgaat, dat zij zich al te hard jegens ons
gedragen.
Calvijn over Genesis 43:32: (Egyptenaars mogen
[=kunnen] geen brood eten met de Hebreeën, omdat dit voor Egyptenaren een gruwel
is):
Wij hebben ons te beijveren, om ons van het vuil der wereld rein te bewaren voor
de Heere, maar deze ijver moet zo worden beperkt, dat wij meer van de zonden,
dan van de mensen afkerig zijn.
Dáárom heiligt God Zijn kinderen, met als doel dat zij zich wachten van de
zonden van ongelovigen, in wier midden zij verkeren, maar toch allen die nog te
genezen zijn, tot deelneming aan hun godsvrucht winnen.
Op twee dingen hebben wij te letten
- dat de waarheid van ons geloof bij onszelf goed vaststaat
- daarna dat niet onze overvloedige traagheid in het voortbrengen van vruchten
velen van de Heere geheel vervreemdt, die anders gewonnen konden worden.
Calvijn over Genesis 43:34: (Benjamins gerecht was
vijfmaal groter, dan de gerechten van hen allen. En zij dronken, en zij werden
dronken met hem):
Hoezeer voedingsmiddelen ook tot ondersteuning zijn van onze nooddruft, toch
gaat het wettige gebruik daarvan verder. Want niet zonder reden is behalve de
levenskracht ook smaak in de spijzen gelegd, opdat de hemelse Vader ons met Zijn
genietingen zou verkwikken.
Hoe vriendelijker Hij genadig zorg voor ons draagt, des te meer past het ons, om
ons zorgvuldig te beperken tot een matig gebruik.
Wij weten hoe teugelloos de hevige verlangens van het vlees zijn. En daardoor
komt het dat het bij overvloed bijna altijd losbandig is, maar in armoede
ongeduldig is.
Wij hebben vast te houden aan de regel van Paulus (Filippenzen 4 vers 12 ) dat
wij moeten weten honger te lijden en overvloed te hebben.
Wij hebben zorgvuldig toe te zien, als grotere overvloed rijkelijk voorhanden
is, dat deze ons niet tot overdaad wegsleurt, en aan de andere kant moeten we er
op letten dat wij armoede met een kalm gemoed dragen.
Misschien zal de een of ander zeggen, dat ons vlees maar al te zeer geneigd is
om overdaad te verbloemen, en men het daarom niets meer moet geven dan de
noodzaak verlangt. En zeker, ik stem toe, dat men met zorg moet waarnemen wat
Paulus voorschrijft (Romeinen 13 vers 14 ) opdat wij niet het vlees verzorgen
tot begeerlijkheden.
Maar omdat het van zeer groot belang is voor alle vromen, om met een berust
geweten uit Gods hand hun voedsel te ontvangen, moet men zich houden tot hoe ver
het geoorloofd gebruik van brood en wijn zich uitstrekt.
Calvijn over Genesis 44:2: (Mijn beker, de zilveren
beker, zult gij leggen in de mond van de zak van de jongste):
Omdat het een zeldzame en ook moeilijke deugd is hierin maat te houden, moeten
wij oppassen, dat wij niet in die harde handelwijze het voorbeeld van Jozef
nadoen, tenzij alle wraak is afgelegd, en wij van alle haat rein en vrij zijn.
Wij worden vermaand, dat het niet genoeg is als iemand voor een tijd zich tegen
een tevoorschijnkomende ondeugd verzet, tenzij er standvastigheid bijkomt in de
tegenstand, hoezeer deze ook opborrelt.
Calvijn over Genesis 44:16: (God heeft de
ongerechtigheid van uw knechten gevonden):
O, dat zij hiertoe de toevlucht namen die door Gods gesel geslagen worden, de
oorzaak daarvan niet meteen vatten: wanneer zij voelen dat mensen zonder oorzaak
vijandig tegen hen zijn, dat zij de verborgen oordelen van God zich te binnen
roepen waarmee Hij ons moet vernederen.
Calvijn over Genesis 45:1: (Toen kon zich Jozef niet
bedwingen voor allen die bij hem stonden):
Dwaas zeggen de stoïcijnen, dat het heldenmoed is, om niet door medelijden te
worden bewogen.
Nu openbaart zich in zijn geweldige gemoedsbeweging zowel zijn heldhaftige
zielengrootheid als zijn Goddelijke matigheid, omdat hij over toorn en haat
overwinnaar was, zodat hij hen zo vurig liefhad die misdadig tot zijn ondergang
hadden samengespannen, zonder door enig onrecht geprikkeld te zijn.
Calvijn over Genesis 45:1: (Hij riep: “Doe alle man
van mij uitgaan!” En er stond niemand bij hem, toen Jozef zich aan zijn broers
bekend maakte):
Hij beveelt allen om weg te gaan, omdat hij rekening houdt met hun eergevoel,
opdat die afschuwelijke misdaad niet aan vele getuigen bekend wordt. En was dit
niet het bewijs van de hoogste zachtzinnigheid, dat hij wilde, dat hun schande
bedekt bleef?
Hoewel hij met hen apart was, onthield hij zich van alle bittere woorden, en
verwaardigde hen uit eigen beweging met een vriendelijke vertroosting.
Calvijn over Genesis 45:3: (En Jozef zei tegen zijn
broers: “Ik ben Jozef. Leeft mijn vader nog?”):
Uit dit voorbeeld leren wij, dat wij moeten oppassen, dat zij niet door
droefheid worden overstelpt die waarlijk en met oprecht schaamtegevoel zijn
vernederd.
Zolang de zondaar doof is voor berispingen, of rustig zichzelf vleit, of brutaal
en hardnekkig de vermaningen afwijst, of door toneelspel zich verontschuldigt,
moet grotere strengheid worden aangewend.
De hardheid moet een einde nemen, zodra hij verpletterd neer ligt, en hij door
de kennis van zonde siddert. Dan moet althans gematigdheid volgen, die door de
hoop op vergiffenis de uitgeworpene opricht.
Calvijn over Genesis 45:8: (Gij hebt mij niet
hierheen gezonden, maar God Zelf):
Deze schriftplaats is opmerkelijk, want wij leren daaruit dat nooit de rechte
ordening der mensen door verkeerdheid en kwaadwilligheid zo wordt verstoord, of
God richt hun verwarde en onstuimige grillen tot een goed einde.
Ook leren wij hoe en tot welk gebruik wij Gods voorzienigheid moeten beschouwen.
Als nieuwsgierige mensen over Gods voorzienigheid redeneren, vermengen en
verdraaien zij niet alleen alles, door het doel voorbij te zien, maar verzinnen
zij ook allerlei dwaze dingen, om Gods rechtvaardigheid te beledigen.
En deze onbeschaamdheid maakt, dat enkele vrome en bescheiden mensen verlangen,
dat dit deel van de leer begraven blijft.
Want zodra dit in het midden gebracht wordt, dat God het roer houdt van de hele
wereld, zodat niets gebeurt dan met Zijn wil en op Zijn bevel, dan werpen zij
die over de verborgenheden van God minder eerbiedig oordelen, tal van kwesties
op, die niet alleen kinderachtig, maar ook schadelijk zijn.
Maar dit onheilige gebrek aan zelfbeheersing moet niet alleen te keer worden
gegaan, maar ook hebben wij hierin maat te houden, dat wij niet verlangen naar
grove onwetendheid van die dingen die niet alleen geopenbaard zijn in Gods
Woord, maar ook zeer nuttig zijn, om te weten.
Goede mannen schamen zich te bekennen, dat alles wat de mensen ondernemen, niet
dan met Gods wil gebeurt, opdat niet onbeteugelde tongen meteen tegenpruttelen,
óf dat God de oorzaak van de zonde is, óf dat men goddeloze mensen niet als
zonde kan aanrekenen, wat zij tot volvoering van Gods Raad verrichten.
Maar ook al kan die heiligschennende woede niet weerlegd worden, het is ons
voldoende om die te verafschuwen.
Intussen past het ons vast te houden, wat door duidelijke getuigenissen van de
Schrift is geopenbaard: wat mensen ook beramen, God van de hemel toch te midden
van hun geraas hun plannen en pogingen beheerst, kortom, dat Hij door hun handen
volvoert, wat Hij bij Zichzelf heeft besloten.
Goede mannen, die bang zijn, om Gods rechtvaardigheid aan de laster der
goddelozen bloot te stellen, nemen de toevlucht tot deze onderscheiding, dat God
sommige dingen wil en andere dingen toelaat, alsof dus, zolang Hij niet werkt,
er alle mogelijke vrijheid van handelen bij de mensen zou zijn.
Als God slechts had toegelaten, dat Jozef naar Egypte werd gevoerd, zou Hij hem
niet bestemd hebben tot dienaar van het behoud van vader Jakob en zijn zonen,
wat Hem nu uitdrukkelijk wordt toegekend.
Weg dus met dit ijdele verzinsel, dat kwade dingen slechts met Gods toelating,
niet met Zijn raad of wil gebeuren, die Hij Zelf later tot een goed einde
ombuigt.
Met ‘kwade dingen’ heb ik op het oog mensen die geen ander doel hebben dan
verkeerd handelen. Zoals nu in hen de zonde huisvest, zo moet ook de hele schuld
op hen worden gelegd. God werkt echter wonderlijk door hen, opdat Hij uit de
droesem van onzuivere mensen zuivere rechtvaardigheid te voorschijn brengt.
Deze handelwijze is verborgen en veel te diep voor ons verstand. Daarom is het
geen wonder, als de ongebondenheid van het vlees daartegen opkomt. Maar daarom
moeten wij des te nauwkeuriger opletten, dat we niet die onmetelijke diepte tot
onze enge grenzen proberen te beperken.
Daarom blijft dit gevoelen vaststaan, dat al komt de menselijke hartstocht tot
uitbarsting, en wordt die ongeregeld hierheen of daarheen geslingerd, God toch
heerst, en hun bewegingen door een verborgen teugel richt waarheen Hem
goeddunkt. Tegelijk moet echter ook dit worden vastgehouden, dat God zuiver
handelt, zodat niet de minste zonde aan Zijn voorzienigheid kleeft: Zijn
besluiten hebben niets gemeen met de ondeugden van mensen.
Hiervan nu wordt de prachtigste schildering in deze geschiedenis voor onze ogen
gehouden. Jozef was verkocht door zijn broers. En met welk ander doel, dan dat
zij wilden dat hij op de een of andere manier omkwam en verdween?
Hetzelfde werk nu wordt aan God toegeschreven, maar met een geheel ander doel,
opdat in tijd van honger het huisgezin van Jakob boven verwachting voedsel zou
hebben. Zo wilde Hij als het ware voor korte tijd Jozefs dood, om hem plotseling
als behouder van het leven uit het graf te voeren.
Waaruit blijkt, dat hoezeer het in het begin ook schijnt dat Hij hetzelfde doet
als de goddelozen, er toch een verre afstand is tussen hun misdaad en Zijn
bewonderenswaardige oordeel.
Wij zien dat Jozef de juiste uitlegger is geweest van Gods voorzienigheid, toen
hij daaraan een argument ontleende, om zijn broers vergiffenis te schenken.
Calvijn over Genesis 45:24: (Hij zei tegen hen:
verstoort u niet op de weg [= maak onderweg geen ruzie]):
Gods kinderen zijn niet alleen verzoeningsgezind, als hun enig onrecht is
aangedaan, maar zelfs bekommeren zij zich erom dat anderen onderling eendrachtig
handelen.
Deze vriendelijkheid van Jozef moet door ons worden nagevolgd, om zoveel in ons
vermogen zal zijn, twisten en woordenstrijd tegen te gaan.
Christus eist van Zijn discipelen niet alleen, dat zij de vrede liefhebben, maar
ook om vrede te stichten (Mattheüs 5 vers 9 ).
Het is onze roeping, om bijtijds aan alle twisten de stof en de gelegenheid te
ontnemen.
Wij moeten weten, wat Jozef aan zijn broers onderwijst, door Gods Geest aan ons
allen wordt gegeven, namelijk dat wij niet tegen elkaar verbitterd zijn.
Omdat het haast altijd in gemeenschappelijke zonden voorkomt, dat de een de
ander door draaien belastert, moeten wij ieder voor ons leren, onze eigen schuld
te kennen en te belijden, opdat niet uit dit geharrewar strijd ontstaat.
Calvijn over Genesis 46:1: (En Israël verreisde met
al wat hij had, en hij kwam te Ber-seba, en hij offerde offeranden aan de God
van zijn vader Izak):
Omdat de vrome man zich gedwongen ziet het land Kanaän te verlaten en naar
elders te verhuizen, biedt hij bij het heengaan aan de Heere een offer aan, om
zich te verzekeren van de onveranderlijke vastheid van het verbond, dat God Zelf
met zijn vaderen gesloten had.
Toen vooral had hij steun nodig, opdat zijn geloof niet zou wankelen. Immers hij
stond beroofd te worden van de hem beloofde erfenis, en van de aanblik van zijn
land dat het beeld en het waarborg was van het hemels vaderland. Hoe licht kon
het hem in de gedachten komen, dat hij tot hiertoe met een ijdele hoop was
bedrogen.
Door de herinnering aan het Goddelijk verbond te vernieuwen, wendt hij dus een
geschikt geneesmiddel aan, om niet afvallig te worden van zijn geloof.
Deze dienst brengt hij aan de God van zijn vader, om te betuigen – al ging hij
weg uit het land waarheen Abraham was geroepen – dat hij toch niet afvallig werd
van die God in Wiens dienst hij was opgevoed.
Hij versterkt zich door een offerande en belijdt zijn geloof, want al is de
godsvrucht niet gebonden aan uitwendige tekenen, toch wilde hij die steun niet
verwaarlozen waarvan hij had ervaren, dat het gebruik volstrekt niet overbodig
was.
Calvijn over Genesis 46:2: (En God sprak tot Israël,
en zei: Jakob, Jakob!):
Net zo vriendelijk lokt Hij ook ons in de Schrift, om ons tot Zijn discipelen te
maken.
Calvijn over Genesis 46:3: (Hij zei: “Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet
heen te trekken naar Egypte”):
Zoals aan Jakob wordt bevolen om steunend op de belofte zonder aarzelen af te
dalen naar Egypte, zo is het de roeping van alle vromen, om op zijn voorbeeld
uit Gods genade kracht te putten, en zich aan te gorden tot het gehoorzamen van
Zijn bevelen.
Jakob wordt vermaand, dat hij niet langs kromme en menigvuldige omwegen God
hoefde te zoeken, omdat hij van zijn jeugd af had geleerd, dat God de Beschermer
was van Abrahams huis, als hij tenminste niet van zijn godsvrucht afweek.
Calvijn over Genesis 46:27: (Al de zielen van het
huis van Jakob, die in Egypte kwamen, waren zeventig):
Dat hij slechts zeventig zielen noemt, en Stefanus (Handelingen 7 vers 14: Jozef
zond heen, en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in
vijf en zeventig zielen) er vijf bij heeft, is zonder twijfel gekomen door een
vergissing van de afschrijvers.
Calvijn over Genesis 46:29: (… en toen hij zich aan
hem vertoonde, viel hij hem aan zijn hals, en weende lang aan zijn hals):
In de samenkomst van Jakob met zijn zoon Jozef tekent Mozes de geweldige
aandoening van blijdschap, opdat wij zouden weten, dat de vrome vaderen niet van
menselijk gevoel zijn ontbloot geweest.
Echter moet worden vastgehouden, al worden aandoeningen geboren uit een goed
principe, dat zij toch altijd door de onmatigheid van het vlees het een of ander
kwaad met zich meeslepen, en voornamelijk dit zondige meebrengen, dat zij altijd
de perken te buiten gaan. Hieruit volgt, dat men ze niet helemaal moet wegnemen,
maar moet beteugelen.
Calvijn over Genesis 46:34: (… want elke
schaapherder is voor de Egyptenaren een gruwel):
De Heere laat vaak toe dat wij door de wereld veracht of verworpen worden, opdat
wij bevrijd en losgemaakt van haar vuil, heiligheid koesteren. Kortom, Hij laat
niet toe dat we ons binden door banden van de aarde, opdat wij naar de hemel
geleid worden.
Calvijn over Genesis 47:4: (Wij zijn gekomen om als
vreemdelingen in dit land te wonen):
Deze plaats leert ons hoeveel aangenamer het is, om het uiterste hoekje in te
nemen in het huis des Heeren, dan buiten de kerk in het midden van paleizen te
wonen.
Laat het ons niet moeilijk vallen, om ten koste van verachting en smaad door de
wereld de heilige eenheid met Gods kinderen te kopen.
Als iemand niet anders God zuiver kan dienen dan door zich stinkende te maken in
de ogen der wereld, weg dan met al deze eerzucht.
(Wij zijn gekomen om als vreemdelingen in dit land te wonen):
Laten wij graag voor een tijd onaanzienlijk zijn, opdat de engelen ons eens
ontvangen in de gemeenschap van hun eeuwige heerlijkheid.
Calvijn over Genesis 47:6: (Doe uw vader en uw
broers in het beste van het land wonen):
O, dat deze gematigdheid meer zou heersen bij de adel: dat zij zich in
persoonlijke aangelegenheden niet anders gedroegen, dan alsof zij gewone mensen
waren.
Calvijn over Genesis 47:7: (… en
Jakob zegende Farao):
Hoe zij die over ons heersen, ook zijn, wij hebben het bevel om voor hen
openbare gebeden te doen (I Timotheüs 2 vers 1-2)
Calvijn over Genesis 47:9: (Jakob zei tegen Farao:
de dagen van de jaren van mijn vreemdelingschappen zijn honderd en dertig
jaren):
Zoals zij zich niet schaamden, om gedurende hun hele levensloop te zwerven, en
om voor vreemdelingen en bijwoners te worden uitgescholden waar zij ook kwamen,
zo heeft God hen met de onschatbare eer verwaardigd, dat zij erfgenamen van de
hemel zouden zijn.
Met welke gedachte horen wij de wereld te bewonen, waarop ons geen zekere rust
of een vast verblijf is beloofd ?
Hetzij dus iemand in zijn vaderland blijft, hetzij hij gedurig wordt gedwongen
van plaats te veranderen, laat hij zich degelijk in deze overdenking oefenen,
dat hij voor korte tijd als gast op aarde verkeert, totdat hij zijn loop heeft
voleindigd, en naar het hemelse vaderland verhuist.
Calvijn over Genesis 47:13: (En er was geen brood in
heel het land; want de honger was zeer zwaar: zodat het land van Egypte en het
land Kanaän raasden vanwege die honger):
Zij die vruchtbare akkers bebouwen, hebben geen recht om op hun overvloed te
vertrouwen, maar zij moeten bedenken, dat een grote voorraad niet zozeer uit de
ingewanden der aarde voortkomt, als wel door Gods verborgen zegening afdruipt
(of beter: neerstroomt) uit de hemel.
Als God ons door broodsgebrek op de proef wil stellen, moeten wij Hem tegelijk
vragen, dat Hij ons vormt om met een kalm en zacht gemoed het gebrek te dragen.
Calvijn over Genesis 47:14: (Toen verzamelde Jozef
al het geld dat in Egypteland en in het land Kanaän gevonden werd, voor het
koren dat zij kochten. En Jozef bracht dat geld in Farao’s huis):
Mozes zegt, dat Jozef al het geld dat hij verzameld had, in het huis van de
koning heeft gebracht. Zeldzaam en zonder weerga was deze eerlijkheid, om te
midden van zulke grote stapels (geld) de handen rein te bewaren.
Calvijn over Genesis 47:20: (Zo kocht Jozef het hele
land van Egypte voor Farao, want de Egyptenaars verkochten een ieder zijn akker,
omdat de honger sterk over hen geworden was):
Zij die al te zeer op voordeel bedacht zijn, moeten zich wachten, dat zij Jozefs
voorbeeld niet ten onrechte als voorwendsel gebruiken.
Het is zeker, dat alle overeenkomsten die niet naar de regel der liefde zijn
aangegaan, zondig zijn voor God.
Calvijn over Genesis 47:20: (Zo kocht Jozef het hele
land van Egypte voor Farao, want de Egyptenaren verkochten een ieder zijn akker,
omdat de honger sterk over hen geworden was):
Men heeft door dat billijkheidsgevoel, dat ons door een verborgen natuurlijk
besef wordt ingegeven, zo te handelen met anderen, als men verlangt, dat met ons
gehandeld wordt.
Calvijn over Genesis 47:22: (De priesters hadden een vastgesteld deel van Farao,
en zij aten hun vastgesteld deel dat Farao aan hen gegeven had):
Hierin wordt ons een spiegel voor ogen gehouden waarin wij kunnen zien, dat het
godsdienstig besef de mensen is ingeschapen, en dat men dit niet totaal kan
uitwissen.
Calvijn over Genesis 48:3: (Daarna zei Jakob tegen
Jozef: “God de Almachtige is aan mij verschenen te Luz, in het land Kanaän, en
Hij heeft mij gezegend):
Zo past het zodra de genadige aanneming tot kind van God ons is geschonken, dat
deze al onze zinnen in beslag neemt, en al het schitterende en aanzienlijke van
de wereld verslindt.
Het merendeel weet bij ervaring, dat, zodra van de kant van de wereld ook maar
de geringste hoop verschijnt, wij van de Heere worden weggesleurd en van het
zoeken naar het hemelse leven worden vervreemd.
Zo vaak satan ons dus door de verlokkingen van de wereld zal proberen te
verstrikken om ons uit de hemel naar beneden te trekken, moeten wij ons in
herinnering roepen, waartoe wij geroepen zijn, met als doel dat, in vergelijking
met de onvergelijkelijke schat van het eeuwige leven al het andere dat voor het
vlees begeerlijk is, gering geacht wordt.
Als vroeger de heilige Jozef zoveel eer bewees aan een duister visioen, dat hij
alleen door de inhoud hiervan Egypte vergat en graag overging tot de verachte
schare van de gemeente, hoe schandelijk is dan tegenwoordig onze dwaasheid, hoe
slecht onze gevoelloosheid, hoe afschuwelijk onze ondankbaarheid, dat wij niet
minstens even sterk worden bewogen, waar de hemelse Vader ons nu door de
geopende deur van Zijn Koninkrijk, meer dan lieflijk tot Zich nodigt!
Tegelijk moet worden opgemerkt, door de heilige Jakob worden geen ijdele
inbeeldingen opgedrongen, waarmee hij zijn zoon tot zich lokt om hem te
bedriegen, maar dat hij spreekt over Gods zekere belofte, waarop hij zich veilig
kan verlaten.
Hieruit worden wij onderwezen, dat het geloof zich terecht op niets anders
grondt dan alleen op Gods Woord, en deze steun is daarvoor ook vast genoeg, om –
door welke aanslagen ook bedreigd – nooit te wankelen.
Laten wij daarom leren om zo vaak satan ons door zijn afleidingsmiddelen
hierheen en daarheen probeert te slingeren, onze aandacht te vestigen op Gods
Woord, en zo vast te steunen op de verborgen goederen, dat wij minachten wat ons
vlees nu ziet en liefkoost.
Jakob voelt zich gezegend, omdat hij – de hem beloofde genade omhelsd hebbende –
aan de uitvoering niet twijfelt.
Calvijn over Genesis 48:4: (Hij heeft tegen mij
gezegd: “Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot een
hoop van volken stellen”):
Sinds het geestelijke Israël over alle streken van de wereld verstrooid is, en
onderscheiden volken tot één gemeente vergaderd zijn, is de vermenigvuldiging
begonnen geheel in vervulling te gaan.
Al was de belofte waarvan hij wist, dat zij uit de hemel was gevloeid, slechts
gelijk aan een droombeeld, toch heeft hij haar hoger geschat dan alle schatten
van Egypte, die hij genoot.
Wat deze uitdrukking betekent, hebben wij elders gezegd, namelijk dat de
Israëlieten de voortdurende erfgenamen van het land zouden zijn, tot op de komst
van Christus, waardoor de wereld is vernieuwd.
Aan het oude volk was tot op de door Christus gebrachte vernieuwing, dit deel
der aarde beloofd; maar nu, sinds de Heere de hele wereld aan Zijn volk heeft
toegezegd, hebben wij een vollediger genot van de erfenis.
Jakob sterft als balling in Egypte, maar intussen roept hij de onderkoning van
Egypte weg van zijn waardigheid tot ballingschap, opdat het hem goed zou gaan en
hij voorspoed zou hebben.
Jozef, die zijn vader als een profeet van God erkent (die niets uit zichzelf zou
verzinnen), schat het hem aangeboden eigendomsrecht – waarvan nergens iets te
zien was – niet minder dan alsof het al in zijn hand was.
Calvijn over Genesis 48:9: (Jozef zei tegen zijn
vader: “Zij zijn mijn zonen, die God mij hier gegeven heeft”):
In Jozefs woord is opmerkelijk, wat wij ook elders hebben aangestipt, dat de
vrucht van de buik niet toevallig wordt geboren, maar gerekend wordt onder de
bijzondere gaven van God.
Calvijn over Genesis 48:15-16: (God… zegene deze
jongens):
Al worden alle dienaren en herders van de gemeente niet alleen getuigen van de
hemelse genade genoemd, maar al is zelfs de uitdeling van de geestelijke gaven
hun opgedragen – toch, waar zij bij God worden vergeleken zijn zij niets, omdat
Hij alleen alles in Zich bevat.
Calvijn over Genesis 48:15: (De God, voor Wiens
aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben…):
God had hen en hun nakomelingen voor Zich tot volk uitverkoren, maar die belofte
was daarom van kracht, omdat zij – door het geloof aangenomen – een levende
wortel kreeg.
Nu zien wij, dat hij het geloof van zijn vaderen niet zo maar in het midden
brengt, zonder welke hij geen wettige opvolger zou geweest zijn van Gods
verbondsgenade.
Al doet God Zijn zon opgaan over goeden en bozen zonder onderscheid en al voedt
Hij ongelovigen niet minder dan gelovigen, omdat Hij echter alleen aan de Zijnen
het bijzondere gevoel van Zijn Vaderlijke liefde geeft in het gebruik van Zijn
gaven, gebruikt Jakob met recht deze grond tot bevestiging van zijn geloof, dat
hij steeds door Gods hulp was beschermd.
De ongelovigen worden mild door God gevoed, maar zij zwelgen daarin als varkens,
die – al vallen de eikels uit de bomen – toch hun snuit naar de grond gericht
houden.
Dit is in Gods weldaden het voornaamste, dat ze voor ons bewijzen of onderpanden
zijn van Zijn Vaderlijke liefde voor ons.
Jakob aanvaardt uit een godvruchtig besef, waarmee Gods kinderen zijn begiftigd,
alle goed dat God over hem had uitgestort, terecht als bewijs van de beloofde
genade.
Het is alsof hij zei, dat hij een helder voorbeeld was, hoe waarachtig en trouw
de Heere Zijn verbond hield, waarin Hij voor de zonen van Abraham een Vader zou
zijn
Laten wij hieruit leren om, welke weldaden wij ook uit Gods hand ontvangen, die
goed te beoordelen en te overdenken, opdat zij evenveel hulpmiddelen zouden zijn
om ons geloof te bevestigen.
De beste manier om God te zoeken is deze, waar wij beginnen met het Woord;
vervolgens komt de proefondervindelijke kennis (om zo te zeggen) er bij.
Calvijn over Genesis 48:16: (Die Engel, Die mij
verlost heeft van alle kwaad…):
Altijd is de breuk tussen God en mensen te groot geweest, dan dat er zonder
Middelaar iets van omgang zou kunnen zijn.
Omdat wij door deze woorden onderwezen worden, dat het eigenlijk Christus’ taak
is ons te beschermen en uit alle rampen uit te rukken, daarom moeten wij
oppassen, dat geen onheilige vergeetachtigheid deze genade begraaft.
Ja, zelfs naarmate aan ons duidelijker genade is geschonken dan vroeger aan de
heiligen onder de wet (sinds Christus het openlijk uitsprak, dat de gelovigen
aan Hem ter bewaring gegeven waren, met als bedoeling dat niemand van hen
verloren zou gaan; Johannes 17 vers 12), naar die mate moet zij des te meer
kracht doen in onze harten. Nu eens, dat zij door ons met gepaste lof op een
schitterende manier verheerlijkt wordt, dan weer dat zij ons aanspoort tot het
zoeken van deze bescherming van onze beste Beschermer.
Als wij overwegen, hoeveel gevaren ons omringen, zal er haast geen dag
voorbijgaan, of wij zijn uit duizend doden gerukt. Vanwaar komt dit anders, dan
dat Gods Zoon zorg voor ons draagt, Die uit de hand van de Vader de taak heeft
aangenomen om ons te beschermen?
Calvijn over Genesis 48:17: (Toen Jozef zag, dat
zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm legde, was het kwaad in zijn
ogen):
Jozef dwaalt daarin, dat hij Gods genade aan de gewone orde van de natuur bindt,
alsof de Heere niet vaak met opzet het recht van de natuur verandert, met als
doel dat wij weten, dat het enkel in Zijn vrije wil staat, wat Hij uit genade
schenkt.
Als God aan elk uitbetaalde wat Hij aan hem schuldig zou zijn, kon men met recht
een vaste regel van tevoren vaststellen voor Zijn gunstbewijzen. Maar omdat Hij
aan niemand iets verplicht is, is Hij met recht vrij in het uitdelen van gaven.
Met als doel dat niemand in het vlees zou roemen, kiest Hij hen uit die geen
eigen waardigheid meebrengen, en verheerlijkt Hij in hen met opzet Zijn vrije /
kosteloze barmhartigheid.
Hoewel deze vrijheid van God zich uitstrekt tot allerlei goed, blinkt zij toch
in de aanneming tot kind het helderst uit, waar God uit een verloren menigte
diegenen tot zaligheid voorbestemt, die Hij goedkeurt.
Wij moeten van onze kant God Zijn macht onverzwakt laten houden. En als soms het
gevoel van ons vlees ertegenin schreeuwt, laten wij dan bedenken dat niemand
hier wijzer is, dan zij die zich in de wonderlijke oordelen van God als blind
beschouwen, zodat zij de oorzaak van het onderscheid nergens anders zoeken dan
in Hem.
Calvijn over Genesis 48:21: (Daarna zei Israël tegen
Jozef: “Zie, ik sterf; maar God zal met u wezen, en Hij zal u terug brengen naar
het land van uw vaderen”):
Over zijn dood maakt hij met die bedoeling melding, om eraan te herinneren, dat
de eeuwige waarheid van God volstrekt niet afhing van het leven der mensen. Het
is alsof hij had gezegd: “Mijn leven, kort en bouwvallig als het is geweest,
verdwijnt wel, maar de belofte van God, die geen einde heeft, zal – ook wanneer
ik gestorven ben – nog van kracht zijn.”
Wanneer de Heere door sterfelijke mensen Zijn Woord aan de wereld heeft bekend
gemaakt (al hebben zij hun levensloop volbracht, en al zijn zij naar het vlees
dood) toch is de stem van de Heere niet tegelijk verstomd, maar maakt ons
tegenwoordig levend.
Niet zonder reden eigent Jakob zich en zijn vaderen de heerschappij toe van het
land waarin zij altijd zo ‘buitenlands’ hadden rondgezworven. Omdat het kon
schijnen dat Gods belofte enigszins verloren was geraakt, wekt hij zijn zonen op
tot goede hoop. En hij verkondigt met een heldhaftig gemoed, dat het land waarin
hij ten slotte amper een graf had verkregen, het zijne is.
Van waar nu komt een dergelijk groot vertrouwen anders, dan dat hij zijn zonen
door zijn voorbeeld went aan het gelovig vasthouden aan Gods Woord? Deze leer
geldt echter ook ons:
Nooit steunen wij vast genoeg op Gods Woord, zolang wij ons hechten aan onze
zintuigen. Ja, zolang ons geloof niet zover komt, dat het zaken aanneemt die ver
verwijderd zijn, weten wij niet wat het is Gods gesproken Woord te ondertekenen.
Calvijn over Genesis 49:1: (Jakob riep zijn zonen,
en zei: “Verzamel u, en ik zal u verkondigen, wat u in de volgende dagen
wedervaren / overkomen zal):
Wij hebben te letten op het doel van de Heilige Geest: Jakobs zonen werden vóór
de tijd bekend gemaakt met de aard van de bezittingen die zij hielden, met als
doel dat zij zouden weten dat God een bijzondere zorg voor hen had.
Al wordt de hele wereld door Gods voorzienigheid bestuurd, – aan hen, als
huisgenoten van God, werd boven de andere volken de voorkeur gegeven.
Calvijn over Genesis 49:11: (Juda bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok, en het
veulen van zijn ezelin aan de edelste wijnstok. Hij wast zijn kleed in de wijn,
en zijn mantel in wijndruivenbloed):
Voor het uiterlijke schijnt dit gering en nietig, dat aan Juda’s stam een gebied
wordt beloofd rijk aan wijnstokken, en een overvloed van kudden, die melk
voortbrengen. Maar als iemand overweegt, dat de Heere hierin een schitterend
bewijs van Zijn uitverkiezing gaf, dat Hij als een huisvader afdaalt tot de zorg
voor levensonderhoud, en ook in zaken van weinig gewicht toont, dat Hij aan
Abrahams zonen door de heilige band van het verbond was verbonden, dan zal hij
niet naar een diepere verborgenheid zoeken.
Calvijn over Genesis 49:3-4: (Ruben – hij heeft mijn
bed beklommen…):
Omdat wij in ondeugden onszelf vleien, wordt elk van ons, nadat hij gevallen is,
moeilijk tot gezond verstand teruggebracht, tenzij hij door besef van schande
wordt aangeraakt.
Calvijn over Genesis 49:5-7: (Simeon en Levi –
vervloekt zij hun toorn; ik zal hen verdelen onder Jakob, en zal hen verstrooien
onder Israël):
De pausgezinden verzinnen, dat de zonden voor de helft door Hem worden
kwijtgescholden, omdat Hij niet gewillig is zondaren uit genade vrij te spreken.
Maar de Schrift spreekt heel anders…
De Bijbel zegt, dat God geen straffen eist die de misdaden goed maken, maar die
de harten reinigen, en de uitverkorenen uitnodigen tot bekering, en tot
zorgvuldige inachtneming opwekken, en onder de teugel van vrees en eerbied
houden.
Hieruit volgt, dat niets méér averechts is, dan onszelf vrij te willen kopen van
de straffen die wij hebben verdiend, alsof God, net als mensen, verlangt, dat
Hem het verschuldigde betaald wordt.
De genadige vergeving van zonden past heel goed bij de kastijdingen die veeleer
toekomstige zonden voorkomen dan al bedreven zonden bestraffen.
God verzacht de straf, door voor hen in de gemeente een eervolle naam en een
volledig recht te laten. Ja, Zijn ongelooflijke goedheid blinkt op het
onverwachts nog uit, doordat de straf van Levi werd veranderd in het voorrecht
van het priesterschap.
De verstrooiing van de levitische stam had haar oorsprong in de misdaad van de
(stam)vader, opdat die verkeerde en ongeoorloofde wraakneming hen niet zou
behagen.
Maar God, die in het begin het licht uit de duisternis te voorschijn bracht,
bedacht een andere reden, waarom de Levieten overal heen verspreid moesten
wezen: dat geen hoekje van het land goede leraren zou missen.
Kortom, het was alsof Hij het zaad van eeuwige zaligheid overal heen uitstrooide
of de bedienaren van Zijn genade uitzond.
Dit is een van de wonderen van God: om het licht uit de duisternis te voorschijn
te brengen.
Het is voor ons heel belangrijk, wanneer het Woord van God in onze oren
weerklinkt, om zijn vervulling door het geloof aan te nemen, net alsof aan zijn
dienaren, de uitvoering was opgedragen van wat zij spreken.
Calvijn over Genesis 49:10: (… totdat Silo komt, en
Hem zullen de volken gehoorzaam zijn):
Hier voorzegt hij, dat de Messias niet alleen koning zou zijn over één volk,
maar dat onder Zijn opperbevel de onderscheidene volken vergaderd zouden worden,
zodat zij samensmolten.
Nu weten wij, dat dit past op Christus, aan Wie de erfenis der wereld was
beloofd, onder Wiens juk de volken zijn gebracht, op Wiens wenk zijn zij
vergaderd die vroeger verstrooid waren.
Voorts heeft de roeping van de volkeren hier dit merkwaardige
getuigenis, dat zij in de gemeenschap van het verbond zullen worden ingelijfd,
om onder één Hoofd één volk te worden met de natuurlijke zonen van Abraham.
Calvijn over Genesis 49:13: (Zebulon zal aan de haven der zeeën
wonen…):
Wij weten van hoeveel gewicht de erfenis was, die als een onderpand het oude
volk van zijn aanneming verzekerde.
Door deze profetie moest dus niet maar één stam worden
aangemoedigd, maar het hele volk, om ijverig de aangeboden genade, die ook zeker
voor hen was weggelegd, aan te nemen.
Calvijn over Genesis 49:18: (Op uw zaligheid wacht ik, HEERE):
Ik denk, dat Jakob – toen hij als van een hoogte zag, dat de toestand van zijn
geslacht gedurig aan verschillende wisselingen onderworpen zou zijn, ja door
stormen zou worden geslingerd, die weinig verschilden van de ondergang – door
zorg en vrees werd bewogen.
Ziende de vele moeiten, de vele gevaren, de vele aanvallen, en ook de vele
slagen, die zijn zaad gedurig met de ondergang zouden bedreigen, kan het niet
anders of hij treurt daarover, en raakt naar de mens ook in verwarring.
Maar om zich met zegevierende standvastigheid van gemoed tegen alle soorten
beproevingen te stellen, wendt hij zich tot de Heere, Die beloofd had, dat Hij
de Beschermer zou zijn van dat volk.
Calvijn over Genesis 49:18: (Op uw zaligheid wacht ik, HEERE):
Ook twijfel ik niet, of hij heeft gedacht aan zijn zonen, om hen tot hetzelfde
vertrouwen op te wekken.
Omdat hij zelf niet de bewerker kon zijn van de te verwachten zaligheid, was het
nodig zich te verlaten op Gods belofte.
Op dezelfde manier hebben wij tegenwoordig ook de bewaring van de kerk te hopen.
Want al schijnt zij als een schip in een onstuimige zee geslingerd te worden, en
bijna onder de baren bedolven te worden, en al zijn ook in de toekomst nog
grotere stormen te wachten, toch mag men te midden van duizend doden hopen op de
verlossing die de Heere heeft beloofd.
Calvijn over Genesis 49:19: (Aangaande Gad, een bende zal hem
aanvallen; maar hij zal haar aanvallen in het einde):
Voorts kan deze voorspelling op heel de kerk worden toegepast, die niet maar een
enkele dag wordt aangevallen, maar gedurig nieuwe nederlagen heeft te verduren,
totdat de Heere haar ten slotte opricht.
Calvijn over Genesis 49:20: (Van Aser, zijn brood zal vet zijn;
en hij zal koninklijke lekkernijen leveren):
Als iemand mij tegenwerpt, dat het niet veel betekent, om smakelijk en lekker
brood te eten, dan antwoord ik, dat gelet moet worden op het doel, dat zij
namelijk hieruit Gods Vaderlijke zorg leerden kennen, Die voor hun voedsel
zorgde.
Calvijn over Genesis 49:21: (Nafthali is een losgelaten hinde;
hij geeft schone woorden):
Dit is een deugd, waarvoor men zich niet hoeft te schamen, om ruwe gemoederen
door een vriendelijk en innemend woord te kalmeren, om ontstoken toorn gunstig
te stemmen, en om aanstoot die gegeven is, door dergelijke bekwaamheid tot rust
te brengen.
Calvijn over Genesis 49:24: (De armen van zijn handen zijn
gesterkt geworden door de handen van de Machtige van Jakob):
Met in het oog vallende lof noemt hij Hem, de Machtige van Jakob, omdat Hij
voornamelijk in de kerk Zijn kracht wil tonen en doen uitblinken.
Hiervoor hebben de vrome vaderen met ijver gezorgd, dat zij zelf en de hunnen
aan Gods genadeverbond dachten, zo dikwijls hun enige weldaad werd verleend. En
zeker is het een schandelijke nalatigheid, om niet te vragen uit welke bron men
het water drinkt.
Hieruit vloeit voor alle vromen gemeenschappelijk een zeer nuttige troost voort,
zolang zij horen, dat Gods kracht in het midden van de gemeente woont, als zij
tenminste in Hem alleen roemen.
De zonen van Jacob moeten ervoor oppassen, dat ze niet – op hun krachten
vertrouwend – zich in het verderf storten, maar zich sterk en groot gedragen in
de Heere.
Calvijn over Genesis 49:24: (… van Hem is Jozef een herder, een
[rots]steen van Israël):
Onder dit beeld is voor ons de gelijkenis van Christus getekend, Die voordat Hij
tevoorschijn zou treden als Overwinnaar van de dood en Bewerker van het leven,
gezet is tot Doelwit van tegenspraak, tegen Wie allen als om strijd speren
hebben geworpen.
Zo hoort ook de gemeente nu naar Zijn voorbeeld, door vele speren getroffen te
worden, opdat zij door Gods wonderlijke hulp bewaard wordt.
Calvijn over Genesis 49:25: (Van de God van uw vader…):
Door God met deze titel aan te duiden, verklaart hij opnieuw al het goede dat
Jozef heeft ontvangen, uit het verbond en de bron van de vrije aanneming tot
kinderen.
Het is alsof hij had gezegd: “Ik wil, dat je alles waarin je Gods Vaderlijke
zorg om je te helpen hebt ondervonden, toeschrijft aan het verbond dat Hij met
mij heeft gesloten.”
Calvijn over Genesis 49:26: (De zegeningen van uw vader gaan de
zegeningen van mijn voorvaderen te boven):
Deze vergelijking moet ons vandaag veel in levendigheid doen toenemen, want de
volle overvloed van Gods genade die in Christus is neergedaald, overtreft
honderdmaal al het goede dat Jozef heeft ontvangen en genoten.
Calvijn over Genesis 49:28: (Hij zegende hen, een ieder naar zijn
bijzondere zegen):
Dat van Jacob wordt gezegd, dat hij zijn nakomelingen heeft gezegend, schijnt
volstrekt niet overeen te stemmen met de rede. Want voor Ruben, aan wie hij het
eerstgeboorterecht ontneemt, verkondigt hij niets aangenaams of gunstigs. Ook
Simeon en Levi heeft hij vervloekt. … Ik breng deze dingen met elkaar overeen,
dat de tijdelijke straffen waarmee Jakob zijn zonen liefderijk en vaderlijk
kastijdde, hen niet deden vallen buiten het verbond der genade, waarin de zegen
gelegen was, integendeel delgden zij eerder hun vlekken uit, en herstelden zij
hen in hun vorige erestaat waaruit zij gevallen waren, dat zij tenminste
aartsvaders zouden zijn van Gods volk.
En dit bewijst de Heere nog dagelijks in de Zijnen, dat de straffen die Hij hen
oplegt, al is het ook dat zij schaamte en schande te weeg brengen, zeker geen
beletsel zijn voor hun geluk, maar daar eerder een hulpmiddel voor zijn.
Als zij niet zo werden gelouterd, was het te vrezen, dat zij meer en meer in hun
ondeugden zouden verharden, en dat een verborgen etter als een schadelijk
verrotting zou voortwoekeren, die ten slotte de ingewanden zelf aantast.
Wij zien hoe graag het vlees zich toegeeft, zelfs waar God ons wakker maakt door
de tekenen van Zijn toorn. Wat moeten wij dus denken, dat zou gebeuren, als Hij
ons steeds liet begaan?
Omdat wij echter – door straffen vermaand – tot bezinning komen, neemt dit doel
niet alleen de vloek weg, die in het begin wordt gevoeld, maar het maakt ook,
dat de Heere door te straffen meer zegent dan als Hij zou sparen.
Hierdoor komt het, dat ziekten, armoede, honger, naaktheid, ja zelfs de dood, in
zoverre zij ons heil bevorderen, als het ware hun natuur veranderen en met recht
als zegeningen worden beschouwd.
Calvijn over Genesis 49:33: (Jakob legde zijn voeten samen op het
bed, en hij gaf de geest):
Dit is een vrucht van een goed geweten, wanneer iemand zonder verschrikking uit
de wereld verreist. Omdat de dood vanuit zijn natuur huiveringwekkend is, worden
goddelozen door een wonderlijke marteling kwelt, zo lang zij voelen, dat zij
voor Gods rechterstoel gedaagd worden.
Zullen wij echter met een goed geweten kalm en rustig ten grave gaan, dan moeten
wij ons verlaten op de opstanding van Christus. Want dán zullen wij graag tot
God gaan, als de hoop op een beter leven ons ondersteunt.
Dan zal het ons niet zwaar vallen, om deze bouwvallige hut te verlaten, als een
onsterfelijk verblijf zich aan ons voordoet.
Calvijn over Genesis 50:1: (Toen viel Jozef op het gezicht van
zijn vader, en hij weende over hem, en kuste hem):
Het gebruik om de doden te bewenen is uit een goed beginsel ontstaan, namelijk
dat de levenden zich zouden oefenen in het overdenken van de vervloeking van het
menselijk geslacht.
Een teugel en matiging zijn nodig, opdat we niet door onmatige
droefheid met blinde woede tegen God opstaan. Want overmaat van verdriet drijft
ons altijd blindelings tot weerspannigheid. Verzachting moet voornamelijk
gezocht worden in de hoop op het toekomstige leven.
Calvijn over Genesis 50:3: (Veertig dagen werden aan hem vervuld.
Want zo werden vervuld de dagen van degenen die gebalsemd werden. En de
Egyptenaren beweenden hem zeventig dagen):
Altijd hebben geveinsden meer met plechtigheden op, dan zij die het wezen van de
dingen vasthouden. Het is een feit, dat zij die van het ware geloof waren
afgevallen, veel meer praal hebben aangewend, dan gelovigen, die zich
vastklemden aan de waarheid en het rechte gebruik van het symbool. Waartoe zij
zoveel moeite deden en zoveel geld uitgaven, wisten die ongelovigen niet.
Hieruit zien wij, wat voor lege en onbetekenende zaak het is, zich alleen op de
uitwendige tekenen te richten, waar de zuivere leer, die de echte oorsprong en
het wettige doel aantoont, geen kracht doet.
Het kan niet anders, of de aanblik van een dode moet ons geweldig treffen, alsof
een en dezelfde dood ons en de redeloze dieren zonder onderscheid verteerde.
Tegenwoordig hebben wij in de opstanding van Christus tegenover deze aanvechting
genoeg steun.
Calvijn over Genesis 50:5: (Mijn vader heeft mij doen zweren:
zie, ik sterf. In mijn graf, dat ik voor mij in het land Kanaän gegraven heb,
daar zult u mij begraven! Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijn vader
begraaf, dan zal ik terug komen):
Wanneer van Gods kinderen een eenvoudige en oprechte belijdenis wordt gevraagd,
mag niemand zich achter dergelijke voorwendsels verschuilen.
Wij hebben te leren, om van de Heere de geest van sterkte en standvastigheid te
vragen, opdat die ons richt tot het openbaren van onze godsvrucht.
Laten wij er dankbaar voor zijn wanneer wij tegenover de mensen vrij mogen
uitkomen voor onze godsvrucht.
Calvijn over Genesis 50:6: (Farao zei: “Trek op en begraaf uw
vader, zoals hij u heeft doen zweren”):
Als Gods kinderen onverschrokken gaan, waar hun plicht hen roept, zal God boven
verwachting uitkomst die zo begeerd wordt, geven.
Opgemerkt moet worden, hoe hoog de heiligheid van de eed door die verblinde en
ongelovige mensen geschat werd.
Tegenwoordig is de eerbied voor God in de wereld echter zó uitgedoofd, dat de
mensen het bijna als grap opvatten, om elkaar onder aanroeping van Gods Naam te
bedriegen.
Calvijn over Genesis 50:17: (Vergeef toch de overtreding van de
dienaren van de God van uw vader):
Als wij beledigd zijn door leden van de gemeente, moeten wij niet al te streng
en te lastig zijn in het vergeven.
Deze vriendelijkheid wordt ons wel is waar in het algemeen tegenover allen
bevolen, maar waar vereniging van godsdienst er bij komt, is onze hardheid
groter dan ijzer, als wij niet tot barmhartigheid geneigd en gereed zijn.
Als wij een harde strijd hebben met opwellende toorn of hardnekkige haat, dan
moeten wij van de Heere een geest van zachtmoedigheid vragen, die haar kracht
heden ten dage in Christus’ leden niet minder krachtig openbaart, dan vroeger in
Jozef.
Calvijn over Genesis 50:19 (En Jozef zei tegen hen: “Vrees niet.
Want ben ik in de plaats van God?”):
Dan gaat het met ons het best, als wij te doen hebben met bescheiden mensen, die
God tot Leidsman voor zich stellen, en Zijn bevelen niet alleen onderhouden,
maar graag gehoorzamen.
Als iemand zich teugelloos laat meevoeren door de lust van het vlees, zijn er
van hem duizend doden te vrezen, tenzij de Heere zijn woede krachtig breekt.
Zoals dit het enige middel is, om toorn te stillen, dat wij erkennen wie wij
zijn, en welk recht aan God over ons toekomt, zo is aan de andere kant – wanneer
deze gedachte diep heeft post gevat – geen woede zo onstuimig, of deze gedachte
is voldoende om haar te doen bedaren.
Calvijn over Genesis 50:20: (Jullie wel, jullie hebben kwaad
tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, opdat Hij deed, zoals
het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden):
Fijntjes maakt hij onderscheid tussen de verkeerde plannen van mensen en de
bewonderenswaardige gerechtigheid van God, door het opperste bestuur van alle
dingen zó aan God toe te kennen, dat het door de menselijke ondeugden niet het
minst wordt besmet.
Zullen wij dus recht en nauwkeurig spreken, dan moeten wij zeggen, dat Jozef
door de misdadige overeenkomst van zijn broers én door de verborgen
voorzienigheid van God werd verkocht.
Terwijl zij het verderf van hun broer beramen, zorgt Hij van uit de hoge voor
hun behoud.
Hieruit besluiten wij, dat er voor Hem onderscheiden manieren zijn om de wereld
te regeren.
Dit moet in het algemeen worden vastgesteld, dat er niets gebeurt zonder de wil
van God.
God beheerst de plannen van de mensen, en buigt hun wil, en leidt hun inspanning
hierheen of daarheen, en bestuurt de afloop.
Als mensen iets goed en rechtvaardig ondernemen, bestuurt en beweegt God hen van
binnen door Zijn Geest, zodat al wat goed is met recht aan Hem wordt
toegeschreven.
Als satan en de goddelozen razen, handelt God op een onuitsprekelijke manier
door hun handen zó dat de goddeloosheid op hen blijft, en hun de schuld wordt
toegerekend.
Tot zondigen worden goddelozen niet door de aandrang van de Geest geleid, zoals
gelovigen tot goede daden, maar zij zelf zijn ontwerpers en zij volgen satan als
hun leidsman.
God is nooit zonder rechtvaardige redenen van handelen; mensen worden door hun
verkeerde wil in schuld gewikkeld.
Als wij horen, dat God de boze verwachtingen en schadelijke begeerten van mensen
verijdelt, dan verkrijgen wij hieruit een niet geringe troost: laten de
goddelozen zich aftobben, zoveel zij willen, rumoerig zijn, kortom hemel en
aarde vermengen, toch zullen zij met hun ijver niets vorderen. Niet alleen
zullen hun aanvallen vruchteloos neerstorten, maar tot een tegenovergesteld doel
gekeerd worden, zodat zij ons heil bevorderen al is het ook nog zo tegen hun
zin.
Alle vergif, dat satan aanwendt, bestuurt God tot medicijn voor Zijn
uitverkorenen.
Calvijn over Genesis 50:21: (Vrees niet! Ik zal u en uw kleine
kinderen onderhouden):
Dit was een teken, dat de verzoening echt en niet gehuicheld was, dat hij zich
niet alleen onthield van het toebrengen van kwaad en schade, maar ook het kwade
door het goede overwon, zoals Paulus in Romeinen 12 vers 21 (Word door het kwade
niet overwonnen, maar overwin het kwade door het goede) voorschrijft.
Wie tekort schiet in zijn plicht, wanneer hij de gelegenheid heeft om te helpen,
en de omstandigheden zijn hulp dringend inroepen, toont juist daardoor dat hij
het onrecht nog niet vergeten is.
De meesten denken gewoonlijk simpelweg, dat zij beledigingen niet toerekenen,
als zij niet kwaad met kwaad vergelden. Alsof dit geen wraak nemen is, als men
zijn handen onttrekt aan het verlenen van hulp.
Eerst dan zullen wij bewijzen dat ons gemoed vrij is van kwaadheid, als wij de
vijanden door wie wij onwaardig behandeld zijn, met weldaden overladen.
Calvijn over Genesis 50:24: (En Jozef zei tegen zijn broers: God
zal u zeker bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, naar het land
dat hij aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft):
Als het gehoor van het Woord ons niet voldoende is om te geloven, zijn wij
omwaardig dat God met ons iets te doen heeft, Die wij beroven van Zijn eer.
Zo is het geloof op niets anders dan op Hem gegrond, en toch is de prediking van
de mensen niet van hun gewicht en ontzag ontbloot. Zo wordt de onbeschaamde
nieuwsgierigheid bedwongen van hen die, naar gezichten verlangend, de gewone
bediening van de kerk verachten.
Als wij bedachten, hoe heerlijk God in zijn eniggeboren Zoon eenmaal tot ons is
afgedaald, zouden wij niet zo verkeerd verlangen, dat dagelijks de hemel voor
ons werd geopend (om visoenen te krijgen).
Calvijn over Exodus - Deuteronomium: (Voorrede):
De verlossing van het volk Israël uit Egypte is voor ons een heerlijke spiegel,
zowel van de onvergelijkelijke macht als van de oneindigheid van Gods goedheid
bij het oprichten en als het ware baren van de kerk.
Hoe onvermoeibaar de voortgang van Zijn genade is in het koesteren, beschermen,
toerusten en dienen van hen die Hij eenmaal in liefde omhelsde, blijkt uit Zijn
continue leiding.
De bekende, afschrikwekkende straffen die overal verhaald worden, brengen ons
tot eerbied voor God, en boezemen ons vrees in, met als doel dat wij ons niet op
valse gronden beroemen kinderen Gods te zijn, terwijl wij in losbandigheid aan
de zonde de vrije teugel geven.
Wanneer God in Zijn wraak zo streng afgoderij, boze begeerten en wellusten,
weerspannigheid en andere overtredingen straft, hieruit moet geleerd worden dat
God nergens klaarder Zijn oordelen ten uitvoer brengt dan in de gemeente, met
als doel dat wij wat de trouweloze Joden ten deel gevallen is, toepassen op alle
schijngelovigen van onze tijd.
Wat zou het ons baten onderwezen te zijn om recht te leven,
tenzij de kennis van schuld en de staat van beschuldiging ons trekt naar het
zoeken van een geneesmiddel?
Dat God ons door de beloften zo liefelijk en vriendelijk uitlokt, dat Hij aan de
andere kant met vervloekingen toornt, maakt enerzijds dat wij niet te
verontschuldigen zijn en anderzijds werpt het ons neer, beroofd van elk
vertrouwen op eigen rechtvaardigheid, opdat wij leren, Zijn genadig verbond
omhelsd hebbend, de toevlucht te nemen tot Christus als het Doel van de wet.
Calvijn over Exodus 1:8: (Daarna stond een
nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had):
Het is voor ons stellig goed dat ons door de mensen steeds
een slecht loon vergolden wordt voor weldaden, met als doel
dat wij leren om bij het waarnemen van verplichtingen op God
alleen acht te geven.
Overigens, wat er ook gebeurt, het moet ons nooit berouwen
recht gehandeld te hebben, al wordt ons niet alleen elke
beloning onrechtmatig onthouden, maar al zullen zelfs velen,
tegenover wie wij ons verdienstelijk gemaakt hebben,
samenzweren tot ons verderf.
Calvijn over Exodus 1:10: (Kom, laten we wijs
tegen hen handelen…):
Tegenover onze onmatige zorgen en angsten, die ons
wegtrekken van de liefde tot rechtvaardigheid, moet Gods
voorzienigheid gesteld worden. Als we ons daaraan
overleveren, zal nooit enige vrees voor gevaar ons aanzetten
tot een onrechtmatige daad of sluwe overleggingen.
Zo is dat boze en bedrieglijke voornemen verijdeld, dat de
Egyptenaren onder elkaar hadden opgevat, om de kerk te
vernietigen. Daaruit moeten ook wij hoop putten, dat wat de
goddelozen ook maar tegen ons in beweging brengen,
tevergeefs zal zijn, omdat Gods hand sterker is en
overwinnen zal.
Calvijn over Exodus 1:12: (Maar hoe meer zij
het verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer het
groeide):
Omdat het het eigen werk van God is om Zich te verzetten
tegen onrechtvaardige plannen, zodat die geen succes hebben,
laten wij leren van alle bedrog en geweld ons te onthouden.
Deze plaats vooral is krachtig tot troost van de vromen, met
als doel dat zij bereid zijn met tevredener gemoed het kruis
te dragen.
Want God is toegerust om hulp te bieden, waardoor de woede
van de goddelozen noodzakelijk een keer zal wijken.
Calvijn over Exodus 1:15-16: (De koning van
Egypte zei tegen de vroedvrouwen: “Wanneer gij de Hebreïnnen
in het baren helpt… is het een zoon, doodt hem dan!”):
Wij moeten leren dit voorbeeld als een krachtig schild
daartegenover (soortgelijke bespottingen, alsof de kerk
weldra geheel ten onder zou gaan) te stellen, dat het
namelijk niets nieuws is als de ondergang nabij dreigt te
zijn; totdat plotseling en op het onverwachtst hemelse hulp
zich in de uiterste nood openbaart.
Calvijn over Exodus 1:17: (Maar de
vroedvrouwen vreesden God):
Ongetwijfeld, zoals door deze teugel al onze gevoelens het
best geregeerd worden, zo is dit ook het meest geschikte
schild om alle verzoekingen terug te dringen en een
krachtige ondersteuning voor de harten, opdat die niet
wankelen in het midden van gevaren.
Door eerbied voor God ondersteund en gesterkt, hebben zij zo
het bevel en de bedreigingen van Farao dapper versmaad.
Zij die zo door mensenvrees van het rechte pad weggesleurd
worden, roepen door hun slapheid een niet te
verontschuldigen verachting van God op, door mensengunst te
verkiezen boven Zijn heilige verordeningen.
Calvijn over Exodus 1:19: (De vroedvrouwen
zeiden tegen Farao: “Omdat de Hebreïnnen niet zijn zoals de
Egyptische vrouwen. Want zij zijn sterk. Eer de vroedvrouw
tot hen komt, hebben zij gebaard):
Sommige mensen vinden dat deze vorm van leugen die zij een
noodleugen noemen, niet afgekeurd moet worden. Want zij
denken dat er niet van schuld sprake is waar niets van
bedrog dient om schade aan te richten.
Maar ik beweer: wat strijdt met de natuur van God, is zonde.
Daarom moet het allebei vastgehouden worden, én dat de twee
vrouwen gelogen hebben én, omdat het liegen God mishaagt,
dat zij gezondigd hebben.
Wanneer gelovigen eenmaal gevallen zijn, moeten zij niet
proberen door bedrog er onderuit te komen; hun
rechtvaardigheid bestaat in een eenvoudig en eerlijk gebed
om van de schuld af te komen.
Dit onderricht spoort ons aan tot ijver om juist te
handelen, terwijl God zo welwillend onze zwakheden ontziet.
Als God een beloning schenkt, moeten wij door dat gunstige
verloop tot vertrouwen opgewekt worden, zodat het ons niet
zwaar valt als het geloof voor het vervullen van onze plicht
op de proef wordt gesteld.
Calvijn over Exodus 1:21: (Het geschiedde,
omdat de vroedvrouwen God vreesden, daarom bouwde Hij hun
huizen):
Dat de Israëlieten ongedeerd en in leven gebleven zijn, ja
dat zij zelfs gefloreerd hebben, is gebeurd door wat de twee
vrouwen gedaan hebben.
Des te meer licht de heerlijkheid van God op,
Die de Zijnen op zo wonderlijke wijze door zwakke werktuigen
bewaard heeft, terwijl zij maar een heel klein eindje van de
ondergang verwijderd waren.
De antichrist met al zijn sluipmoordenaars
laat al diegenen met rust die door een misdadig zwijgen
Christus verloochenen, en bereid zijn op een slaafse manier
elke vorm van goddeloosheid voor lief te nemen.
Calvijn over Exodus 1:22: (Toen gebood Farao aan heel zijn
volk: “Alle zonen die geboren worden, zult gij in de rivier
werpen, maar al de dochters in het leven behouden”):
Maar voor ons is het beter om gedood te worden en onze
dapperheid in de dood te behouden, dan een leven te kopen
waarin wij de duivel op een schandelijke manier zouden
moeten dienen.
Calvijn over Exodus 2:2-3: (…zij verborg hem
drie maanden. En toen zij hem niet langer verbergen kon, nam
zij voor hem een kistje van biezen, en belijmde het met lijm
en met pek; en zij legde het kindje daarin, en legde het in
de biezen, aan de oever van de rivier):
We zien dat wilde dieren, door God met een instinct
begiftigd, met een dusdanige bezorgdheid hun jongen
beschermen en koesteren, dat de moeder vaak haar eigen leven
veronachtzaamt voor de verdediging van haar jong. Zoveel te
schandelijker is het dat mensen, naar het beeld Gods
geschapen, door vrees tot zo grote onmenselijkheid gedreven
worden, dat zij de kinderen die aan hun trouw en bescherming
zijn toevertrouwd, in de steek laten.
Voor gelovigen is het een bijzondere troost dat zij hun
zorgen kunnen neerleggen in de schoot van God; maar intussen
moeten zij wel hun plicht vervullen, het terrein van hun
roeping niet verlaten, en niet afbuigen van de weg die hun
voorgesteld is. Maar het is verkeerd als Gods voorzienigheid
als een voorwendsel dient voor traagheid en nalatigheid.
Zo werkt God vaak, dat Hij de Zijnen, als blinden in de
duisternis, bij de hand leidt, waar zij radeloos en
moedeloos wankelen.
Calvijn over Exodus 2:4 (En zijn zuster
stelde zich van verre, om te weten, wat hem gedaan zou
worden):
Zonder twijfel is het de verborgen voorzienigheid geweest,
die deze hele handelwijze bestuurd heeft. Goddelozen zullen
wel beweren dat alles toevallig gebeurd is.
Wij moeten aan dit beginsel vasthouden: wanneer God in Zijn
voorzienigheid alle stervelingen regeert, verwaardigt Hij
Zijn uitverkorenen echter met een bijzondere zorg en is Hij
erop uit hen te bevrijden en te verzorgen.
Calvijn over Exodus 2:10: (Toen het kindje
groot geworden was, bracht zij hem tot Farao’s dochter, en
hij werd haar ten zoon; en zij noemde zijn naam Mozes, en
zei: “Want ik heb hem uit het water getrokken”):
Zo blijkt de voorzienigheid van God, des te meer zij zich
langs zijwaartse kronkelwegen schijnt te bewegen, des te
wonderlijker, terwijl ze nooit van het rechte doel afdwaalt
of haar uitwerking mist, waar de gelegenheid rijp is.
God heeft als met uitgestoken hand Zijn knecht naar Zich en
naar het lichaam van de Kerk teruggehaald, waar Hij door
zijn naam de herinnering aan zijn afkomst influisterde. Want
de dochter van de koning heeft niet zonder de leiding van de
Geest deze naam gegeven, waaruit Mozes kon weten dat hij uit
de rivier, waarin hij bijna omgekomen was, getrokken was. Zo
vaak hij dus zijn naam hoorde, moest hij zich wel herinneren
uit welk volk hij geboren was.
Calvijn over Exodus 2:11: (En het geschiedde
in die dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging
tot zijn broeders, en bezag hun lasten):
Het betaamt ons navolgers van Mozes te zijn, dat we – als we
er bij zijn – hulp bieden aan lijdenden en onderdrukten.
De gehoorzaamheid der heiligen, die met gebreken bevlekt is,
behaagt ondertussen niettemin aan God, door Zijn
lankmoedigheid; en daarom moeten we niet ophouden ons te
verzetten tegen de traagheid van het vlees, opdat die ons
niet tegenhoudt in het waarnemen van onze taak.
Dit vertrouwen moet ons immers met niet
gewone kracht aanmoedigen, waar we overtuigd zijn dat de
vergeving voor ons aarzelen klaar ligt, als we de strijd
maar niet opgeven.
Calvijn over Exodus 2:13: (De volgende dag
ging hij opnieuw uit, en zie, twee Hebreeuwse mannen
twistten; en hij zei tegen de schuldige: “Waarom slaat u uw
naaste?”):
Mozes doet zijn plicht, zoals de regel van de liefde van een
ieder eist, doordat hij als vredestichter tot de twistenden
nadert en beiden aanspoort tot eensgezindheid, en vooral de
kwaaddoener terechtwijst.
Dat is niet een bijzondere taak van Mozes geweest, maar het
is de gemeenschappelijke plicht van alle vromen om, waar zij
zien dat onschuldigen met geweld onderdrukt worden, zich als
helpers aan te bieden, en zoveel in hen is tussenbeide te
komen, zodat niet de sterkste overwint.
Zeker is het een zeldzame deugd schuld te erkennen en
bescheiden een terechtwijzing te accepteren.
Daarom moeten zij die zich beschikbaar stellen om bozen te
bedwingen, bereid zijn om een onheuse bejegening te
verdragen.
Calvijn over Exodus 2:14: (Hij dan zei: “Wie
heeft u tot een overste en rechter over ons gezet?”):
Wij moeten vragen dat Hij ons tot de rechte volgzaamheid
vormt. Wat zullen we immers bereiken door tegen een prikkel
achteruit te slaan?
Calvijn over Exodus 2:22: (Hij zei: Ik ben
een vreemdeling geworden in een vreemd land):
Hij verklaart dat hij, waar hij ook zou wonen een
vreemdeling zou zijn, totdat hij de erfenis had ontvangen
die God had beloofd.
We zien dat hij, doordat hij openlijk beleden heeft dat hij
zich als vreemdeling ophield in een vreemd land, een
gelegenheid heeft gezocht om het geloof te voeden en te
betuigen.
Calvijn over Exodus 2:23: (En het geschiedde
na vele van deze dagen, toen de koning van Egypte gestorven
was, dat de kinderen van Israël zuchtten en schreeuwden over
de dienst):
Uit dit voorbeeld kunnen wij leren, dat wij, hoewel ernstige
onheilen ons in rouw en droefheid verteren, toch niet meteen
onze beden tot God richten, maar dat onze traagheid meer
prikkels nodig heeft.
Laten wij uit dit voorbeeld leren om direct tot God te
vluchten, met als doel dat Hij Zich haast om Zijn genade te
tonen.
Calvijn over Exodus 2:24: (En God hoorde hun
gekerm, en God dacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak,
en met Jakob):
Met de toevoeging dat God gedachtig is aan Zijn verbond,
geeft hij rekenschap van de oorzaak waarom God hun gekerm
heeft gehoord, namelijk opdat Hij de genadige belofte die
Hij aan Abraham en zijn nakomelingen had gegeven, zou
bekrachtigen. Want Hij noemt de drie aartsvaders
nadrukkelijk, omdat God met hén Zijn verbond had gesloten,
maar omdat het ook voor de volgende geslachten van kracht
zou blijven.
Inderdaad is God in Zijn vrije milddadigheid zo bereid om
ons te helpen dat Hij Zich aanbiedt en ons uitnodigt; en
daarom moet het vertrouwen op de verhoring nergens anders
vandaan gehaald worden dan van Zijn beloften.
Calvijn over Exodus 3:2: (En de Engel des
HEEREN verscheen aan hem):
Voor de heiligen is de omgang met God nooit anders geweest
dan door de beloofde Middelaar.
Calvijn over Exodus 3:2: (En de Engel des
HEEREN verscheen aan hem in een vuurvlam uit het midden van
een braambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in
het vuur, en het braambos werd niet verteerd):
De bedoeling springt er duidelijk uit: dat God niet zal
toelaten dat Zijn volk in donkerheden vernietigd wordt. Dat
komt precies overeen met het braambos, dat ongeschonden
blijft midden in de vlammen.
Het geringe en verachte volk leek op het braambos. De
tirannieke onderdrukking kwam overeen met het vuur dat
vernietigd zou hebben, als God het niet wonderlijk
verhinderd had.
Door de aanwezigheid van God bleef dus het braambos in het
vuur ongeschonden, zoals in Psalm 46 vers 4-6 wordt gezegd:
hoewel onstuimige watervloeden de gemeente overvallen die
met schipbreuk dreigen, toch wordt zij niet bewogen, omdat
God in haar midden woont.
Zo was het een treffend beeld van het volk, dat op een
vreselijke manier werd geslagen en de gloed van het vuur wel
degelijk voelde, maar zonder schade, omdat het door de
aanwezige hulp van God werd bewaakt.
Calvijn over Exodus 3:4: (God riep hem:
“Mozes, Mozes!”):
Door Mozes tweemaal met name te noemen, dringt Hij door tot
in het binnenste van zijn hart, met als doel dat hij, als
het ware voor Gods rechterstoel gedaagd, des te aandachtiger
zou zijn om te leren.
Calvijn over Exodus 3:5: (En Hij zei: “Trek uw schoenen uit
van uw voeten”):
En door te bevelen dat hij de schoenen van zijn voeten zou
trekken, onderwijst en vormt Hij hem door verwondering en
vrees tot nederigheid.
Hoewel aan allen niet hetzelfde opgedragen wordt als aan
Mozes, moeten we toch leren dat het doel van alle ceremoniën
/ plechtigheden is, dat de majesteit Gods tot haar recht
komt en, in ons hart ingeprent, op de juiste manier vereerd
wordt, in overeenstemming met Zijn waardigheid.
Calvijn over Exodus 3:6: (Hij zei: “Ik ben de
God van uw vader, de God van Abraham, de God van Izak en de
God van Jakob”):
Omdat de hoop op de verlossing van het uitverkoren volk
afhing van het verbond dat God vroeger met de stamvaders had
gesloten, daarom herinnert Hij eraan dat men niet tevergeefs
in Hem had geloofd, omdat dit verbond niet krachteloos was.
Calvijn over Exodus 3:7-8: (En de HEERE zei:
“Ik heb zeer goed gezien de verdrukking van Mijn volk dat in
Egypte is … Daarom ben Ik neergekomen, dat Ik het verlos uit
de hand der Egyptenaren, en het opvoer uit dit land, naar
een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en
honig”):
Voordat God Mozes de taak oplegt om het volk te verlossen,
wekt Hij hem met veel woorden op tot de hoop op de
overwinning en op de gunstige afloop. Want wij weten dat
twijfel de harten door zorg en angst ophoudt en verlamt.
Daarom kon Mozes de taak niet krachtig aanvatten of ter hand
nemen, tenzij toegerust met vertrouwen op hemelse hulp.
Daarom verklaarde God openlijk dat Hij zijn Leidsman zou
zijn, zodat hij, vertrouwend op dergelijke tekenen, zich zou
aangorden om onverschrokken ten strijde te trekken.
Wij moeten hier algemeen geldend onderwijs
uit halen: hoewel wij vanuit onze natuur traag en aarzelend
zijn om God te gehoorzamen, mogen we, waar God ons over de
goede afloop zekerheid geeft, ons daar in geen geval van
afmaken.
Want geen prikkel kan scherper zijn dan deze belofte, dat
Zijn hand altijd gereed zal zijn, waar wij volgen zoals Hij
roept. Met dit doel verschaft God Mozes zekerheid aangaande
de gelukkige afloop, nog voordat Hij melding maakt van zijn
roeping, opdat hij des te opgewekter aan het werk zou gaan.
Waar God het vertrouwen op de verlossing heeft gefundeerd op
het genadeverbond en daarmee op Zijn pure goedheid, ontleent
Hij nu een ander argument aan Zijn rechtvaardigheid. Want
het kan niet anders of de Rechter van de wereld zal
ellendigen en rampzaligen te hulp komen, waar zij
schandelijk onderdrukt worden, vooral waar ze Zijn hulp
inroepen.
Calvijn over Exodus 3:7: (En de HEERE zei:
“Ik heb zeer goed gezien de verdrukking van Mijn volk, dat
in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, vanwege hun
drijvers. Want Ik heb hun smarten bekend”):
Het is in het algemeen waar, God is een Wreker van welke
onrechtvaardige wreedheid ook, maar gelovigen, die Hij in
Zijn hoede en bescherming aangenomen heeft, moeten op Zijn
bijzondere hulp hopen.
Met deze woorden moedigt de Geest ons aan God aan te roepen,
zodat we niet verlamd zijn in zorgen en droefheden, maar
leren regelrecht de toevlucht te nemen tot dit heilige
anker.
Calvijn over Exodus 3:8: (Daarom ben Ik
neergekomen, dat Ik het verlos uit de hand der Egyptenaren):
Dit is beste manier om mensen die anders door twijfel
verlamd zouden zijn, tot hun plicht aan te moedigen: waar
God hen verzekert van de goede afloop.
Hoewel Gods bevelen eenvoudig zonder aarzeling en uitstel
gehoorzaamd moeten worden, wil Hij toch aan onze botheid tegemoet komen. Daarom
belooft Hij dat onze inspanningen niet ijdel en nutteloos zullen zijn.
Calvijn over Exodus 3:10: (Kom dan nu, en Ik zal u tot Farao
zenden, met als doel dat gij Mijn volk (de kinderen van Israël) uit Egypte
voert):
Soms beveelt God Zijn dienstknechten kortweg dit of dat te doen, zonder hoop te
verstrekken, om hun gehoorzaamheid op de proef te stellen. Toch neemt Hij vaker
de aarzeling weg door een gelukkige afloop te beloven.
Zo heeft Hij dus Mozes nu opgericht door de in het vooruitzicht gestelde hoop op
verlossing, om de bevelen uit te voeren. De opdracht en de roeping hangen dus
ongetwijfeld van de belofte af.
Calvijn over Exodus 3:12 (Hij dan zei: “Ik zal voorzeker met u
zijn”):
Het is opmerkelijk dat God, om alle vrees te boven te doen komen en alle angsten
weg te nemen, alleen de aanwezigheid van Zijn hulp ertegenover stelt, alsof Hij
zei dat het er niet toe doet wie Mozes is of wat zijn krachten kunnen dragen,
als Hij maar zijn Leidsman is.
Uit deze woorden leren wij, dat God dan pas door ons op de juiste manier geëerd
wordt, als wij – alleen met Zijn hulp tevreden zijnde – geen enkele grond van
vertrouwen buiten Hem zoeken.
Als onze eigen zwakheid ons in verwarring brengt, is dit ons genoeg, dat Hijzelf
aan onze kant staat. Hier komen die heerlijke woorden van de heiligen vandaan:
“Als ik zal wandelen in het midden van de schaduw des doods, zal ik geen kwaad
vrezen, want U bent met mij.”
Daarom heeft die de meeste vorderingen in het geloof gemaakt, die – waar hij ook
in het grootste gevaar volhoudt – alleen de kracht van God prijst, terwijl hij
dapper met heel de wereld de spot drijft.
Hierin is de sterke en onvermoeibare kracht van de gehoorzaamheid
gelegen, als dit woord diep in onze harten ingegrift is, dat God met ons is.
Het is niet dwaas dat het geloof, dat in het Woord gegrondvest is, groeit door
een teken dat daarbij komt.
Kortom, God vergroot Zijn weldaad door een toegift, alsof Hij een kop op de
volle maat zette.
Calvijn over Exodus 3:14: (God zei tegen Mozes: IK ZAL ZIJN, DIE
IK ZIJN ZAL):
Hij schrijft hier aan Zichzelf niet iets gewoons toe, of iets wat anderen ook
hebben. Hij schrijft aan Zichzelf de eeuwigheid toe, die alleen aan God toekomt,
en dit om geëerd te worden voor Zijn waardigheid.
Om een degelijk besef te hebben van de éne God, is het nodig eerst te weten, dat
al wat er in de hemel of op aarde is, zijn wezen en bestaan ontleent aan Hem Die
alleen waarlijk ‘is’.
Van Hem komen het ‘zijn’ en het ‘kunnen’, omdat – als God alle dingen door Zijn
kracht in stand houdt, Hij ze ook naar Zijn wil regeert.
Hij drukte hem Zijn onmetelijke macht op het hart, met als doel dat Mozes er
niet aan zou twijfelen dat hij onder Zijn leiding in alles overwinnaar zou zijn.
Calvijn over Exodus 3:15: (God zei verder tot Mozes: “Zo zult gij
tot de kinderen van Israël zeggen: de HEERE, de God van uw vaderen, de God van
Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden”):
Hij beveelt dat zij acht zouden geven op de bijzondere genade van de aanneming,
zodat zij weten dat zij het door God uitverkoren volk zijn, omdat zij zonen van
Abraham zijn.
Calvijn over Exodus 3:15: (Dat is voor eeuwig Mijn Naam, en dat
is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht):
Het schijnt niet te kloppen als Hij Zegt: “Dit zal Mijn gedachtenis zijn voor
alle eeuwen”, want er is in de Persoon van Christus een veel heerlijker
gedachtenis gevolgd. Ik antwoord: omdat door de komst van Christus de waarheid
van het verbond, met Abraham gesloten, werd verwezenlijkt en zo duidelijk
bekrachtigd en verzekerd, dat de herinnering daaraan veelmeer werd vernieuwd dan
vernield.
God heeft niet gewild dat Hij op aarde genoemd zou worden, tenzij de kracht van
de genadige adoptie zou blijken, waardoor bewezen werd dat Hij getrouw en
waarachtig is.
Calvijn over Exodus 3:16: (Ga heen, en verzamel de oudsten van
Israël en zeg tegen hen: “De HEERE, de God van uw vaderen, is aan mij
verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob, zeggende: “Ik heb u getrouw
bezocht, en wat u in Egypte is aangedaan”):
Wij weten, als God niet meteen onze ellenden te hulp komt, dat onze harten door
droefheid weg kwijnen en door wanhoop bezwijken, omdat we denken dat God Zich
niet om ons bekommert.
Omdat Hij de Rechter is van de wereld, kan het niet gebeuren of
Hij zal, na lange tijd van verdraagzaamheid, Zich verheffen als de Wreker van de
onrechtvaardige tirannie.
Laten wij uit deze plaats ook leren, waar het schijnt dat God
Zijn aangezicht van ons af wendt door Zijn hulp uit te stellen, geduldig te
wachten tot Hij ons op het juiste ogenblik aanziet.
Calvijn over Exodus 3:18: (Gij zult gaan tot de koning van
Egypte, en gij zult tegen hem zeggen: De HEERE, de God der Hebreeën, is ons
ontmoet. Laat ons nu toch gaan de weg van drie dagen in de woestijn, opdat wij
aan de HEERE, onze God, offeren):
Als iemand tegenwerpt dat het tegen Gods natuur indruist iets listig voor te
wenden, is het antwoord gemakkelijk: dat God namelijk door geen enkele noodzaak
verplicht was Zijn plan voor de tiran openbaar te maken.
Calvijn over Exodus 3:21-22: (Ik zal dit volk genade geven in de
ogen van de Egyptenaren: wanneer gij zult uitgaan, zult gij niet leeg uitgaan.
Maar elke vrouw zal van haar buurvrouw en van de waardin van haar huis zilveren
vaten eisen, en gouden vaten, en klederen. En gij zult Egypte beroven):
God wijst erop dat het van Zijn vrije beslissing afhangt om de harten van mensen
te neigen tot wat Hij wil. Hij zegt dus dat Hij de Egyptenaren plotseling van
wolven tot schapen zal maken, en dat zij die gewend waren te roven en te
verscheuren, nu melk uit hun uiers en wol van de rug zullen verschaffen.
Deze tekst bevat echter ook het rijk en overvloedig onderwijs: zo
dikwijls als mensen heftig tegen ons tekeer gaan, gebeurt dit niet buiten Gods
raad om, omdat Hij hen op slag tot bedaren kan brengen. Hij geeft dus de vrije
teugel aan hun woestheid, om ons te kastijden en te vernederen, omdat dit zo
nuttig is. Maar ook vernemen we hieruit dat geen vijanden voor ons zo woest en
ontembaar zijn, dat God niet gemakkelijk en meteen hun woestheid kan temmen.
Als wij er werkelijk van overtuigd waren dat door een verborgen ingeving van God
de harten van mensen hierheen en daarheen worden gebogen, dan zouden we niet zo
bang zijn voor hun haat, dreigementen en verschrikkingen, en dan zouden we niet
zo licht door vrees voor hen van onze plicht afgebracht worden.
Hoewel het onze roeping is om op een vriendelijke manier moeite
te doen om de gunst van alle mensen te winnen, toch moeten we weten dat niet
door onze inspanning deze gunst gewonnen wordt, als God het hart niet neigt.
Wie zal zich erop beroemen dat iets zijn eigendom is als het hem
niet door God gegeven is?
Wat God hun belieft te geven, bezitten zij als geleend goed / tot
wederopzegging, terwijl God de vrijheid heeft om elk ogenblik af te nemen wat
Hij gaf.
De Hebreeën hebben niets geroofd wat niet van hen was, maar ze
hebben het hun toekomende loon in ontvangst genomen. Want ze waren
onrechtvaardig tot slaafse werken gedwongen.
Hoewel Gods macht boven alle wetten uitgaat, is toch Zijn wil de
zekerste regel voor de volmaakte rechtvaardigheid. Wát Hij ook doet, het is het
meest juiste. En daarom is Hij vrij van wetten, omdat Hij voor Zichzelf en voor
alle anderen een wet is.
Een bevel van God is (iets) waarover niet mag worden geoordeeld,
maar waaraan moet worden gehoorzaamd.
Mensen bezitten alleen door Gods mildheid dat wat zij het hunne noemen. Er is
geen billijker recht van bezit dan uit Zijn schenking.
Calvijn over Exodus 4:1: (Toen antwoordde Mozes, en zei: “Maar
zie…”):
Hij had als met gesloten ogen door moeten zetten waarheen God beval, van Wiens
bevel alleen, alle vromen afhankelijk horen te zijn.
Hij had niet vanuit zijn eigen inzicht mogen oordelen over een ongeloofwaardige
zaak, maar vanuit Gods stem.